vrijdag 21 september 2018

Goodbye Middag-Humsterland


De brug bij Garnwerd is open. Leunend op mijn fietsstuur sta ik te wachten tot hij weer sluit. Ondertussen staar ik naar de andere oever. Volgend jaar wordt het Reitdiep weer een grensrivier tussen twee gemeenten, bedenk ik. Net als vóór 1990, toen Garnwerd, Feerwerd en Ezinge bij de gemeente Winsum werden gevoegd.

Niet iedereen vond die samenvoeging logisch. De andere kant van het Reitdiep hoorde van oudsher bij het Westerkwartier, vond men. Bovendien werd Middag-Humsterland, de strook van Garnwerd tot voorbij Niehove, nu over twee gemeenten verdeeld: Middag kwam bij Winsum en Humsterland met Saaksum, Oldehove en Niehove bij Zuidhorn. Dat deed geen recht aan het verleden. In tweeënhalfduizend jaar hadden de bewoners het gebied met eigen handen ontwikkeld tot het oudste cultuurlandschap van Europa. Soms met hulp van de zee, soms dwars tegen de zee in. Wierden, dijken en sluizen maakten het land bewoonbaar. En schitterend mooi. De ontstaansgeschiedenis is nog steeds goed aan het landschap af te lezen. In 2005 werd het unieke karakter beloond met de status Nationaal Landschap. Inmiddels is Middag-Humsterland zelfs genomineerd als Werelderfgoed van de Verenigde Naties.

Toen jaren geleden de discussie over nieuwe herindelingen losbarstte ontstond de wens om Middag en Humsterland bestuurlijk te herenigen. Om de mening van de bewoners te peilen werd in november 2016 een volksraadpleging georganiseerd. Iedereen boven de achttien in het gebied kreeg drie vragen voorgelegd. Driekwart van de respondenten vond dat Middag-Humsterland weer in één gemeente moest komen, bij voorkeur in de nieuwe gemeente Westerkwartier. Zelfs in Garnwerd, dat door de afstand het meest op Winsum gericht is, koos een kleine meerderheid daarvoor. En zo geschiedt het dus, vanaf januari.

Werden alle grensconflicten maar zo soepel opgelost. Luisteren, overleggen en toegeven. De wereld zou er anders uitzien. Nadat twee schepen de brug bij Garnwerd gepasseerd waren kon ik mijn weg vervolgen. Via Aduarderzijl en de Allersmaborg fietste ik naar Ezinge om via Oldehove, Niehove bij Elektra de grensrivier Reitdiep weer over te steken. Goodbye Middag-Humsterland, tot ziens. Terug naar Het Hogeland.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de brug over het Reitdiep bij Garnwerd. Lees de hele serie Op verkenning door Het Hogeland.

donderdag 13 september 2018

Het brood des levens


Bij het station van Roodeschool werd zaterdag een veganistisch ontbijt geserveerd. Uit protest tegen plannen voor een megastal met vijftigduizend kippen aan de rand van het dorp. Ik had thuis al veganistisch ontbeten (de kaas was op), maar een cracker met “eiersalade” van tofu ging er nog wel in. Daarna fietste ik de laatste kilometers naar ’t Nijkerkje in Oosteinde, waar een tentoonstelling te zien was over de dagelijkse kost door de eeuwen heen. Van “zoepenbrij en bonenklont” tot magnetronmaaltijden. En van de moestuin tot aan de voedselindustrie. Ook op ons bord is in de loop van de tijd veel veranderd.

Oosteinde is het meest oostelijke deel van Roodeschool. Vijf boerderijen en wat arbeidershuisjes stonden er vroeger nogal verspreid, totdat de bouw van het nieuwe kerkje er na 1846 voor zorgde dat er langzaam maar zeker een dorpskern ontstond. Met een bakkerij, een slager, een smederij en natuurlijk ook een paar cafés. Voor een groenteboer was er te weinig klandizie in Oosteinde. Veel dorpelingen verbouwden hun groenten op eigen grond. Ze hielden kippen voor de eieren en een varken of een geit voor de slacht. Het menu werd bepaald door de opbrengst van de moestuin. Aardappelen, bonen, knollen, kolen en bieten. Apart of in een stamppot. Op zondag was het feest rond 1900: aardappelen met mosterdstip en rijst met bruine suiker als toetje.

De tentoonstelling in ’t Nijkerkje gaf een boeiend beeld van de eetgewoonten door de eeuwen heen in Noord-Groningen. “Ik ben het brood des levens” las ik als toepasselijke Bijbeltekst in een gebrandschilderd raam. Schuin tegenover de kerk aan de Radsweg had de negenentachtigjarige Evert Kooi het hooi en de bonen op ouderwetse ruiters achter zijn huis te drogen gehangen. Zo ging dat vroeger, vertelde hij me toen ik ze van dichtbij mocht bewonderen. Het voelde als een korte reis naar een ver verleden. Naar de tijd dat de kippen nog vrij over het erf liepen en een eiersalade nog een eiersalade kon zijn.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde Evert Kooi achter zijn huis bij de drogende bonen op ouderwetse ruiters. Andere afleveringen in onze serie kunt u zien op Op verkenning door Het Hogeland

zaterdag 8 september 2018

Zuidelijk Zuidwolde


Vier gemeenten worden één in januari 2019. Het wordt een uitgestrekte gemeente, Het Hogeland. Van Lauwersoog tot Eemshaven tou en van het Wad tot bijna in de stad. En dan hebben we het nog niet eens over de overzeese gebiedsdelen Rottumeroog en Rottumerplaat. In het diepe zuiden van Het Hogeland is het vanaf de laatste woning van Zuidwolde nog geen honderd meter tot aan de Groninger stadswijk Beijum. Ik vroeg me weleens af wat de bewoners van Zuidwolde ervan vinden dat ze voortaan helemaal naar Uithuizen moeten om in te spreken op een gemeenteraadsvergadering, als ze daar tenminste reden toe zien. Zijn ze geen halve Stadjers? Is aansluiting bij de stad niet veel eenvoudiger?

Ik parkeerde mijn fiets tegen het dorpshuis en maakte een ommetje door het dorp. Op de hoek van de Koolstraat ontmoette ik de “Boeskoolboer”, het in brons gegoten symbool voor het agrarische karakter van Zuidwolde. Voorovergebogen raapte hij een reusachtige witte “boeskool” van de zware kleigrond. Zuidwolde was Boeskooldorp en de bewoners werden lang beschimpt als zuurkoolvreters. De witte kolen uit Zuidwolde (maar ook veel andere koolsoorten) werden verkocht op de markt in Groningen, verwerkt in de zuurkoolfabrieken in Bedum en voor de “Sauerkraut” geëxporteerd naar Duitsland. Bovendien kwam je de winter goed door met boeskolen. Ze konden lang worden bewaard. Boeskool was tot aan de jaren zeventig de kurk waar de Zuidwolder economie op dreef.

Aan het Boterdiep Westzijde kwam ik ter hoogte van de middeleeuwse kerk in gesprek met een man op een fiets. Hij woonde zijn leven lang al in Zuidwolde, vertelde hij. Aansluiting bij Het Hogeland vond hij geen enkel probleem. Alles beter dan bij de stad. Jaren geleden was er de angst dat Zuidwolde door Groningen zou worden opgeslokt, maar de uitbreiding van Beijum stagneerde volgens hem net op tijd. Zuidwolde was platteland, vond hij. Een bron is geen bron, dus sprak ik nog wat mensen aan op de Beijumerweg en bij de woonboten langs het Boterdiep. Er bleef geen twijfel over. Dit was platteland. Hier werd niet de Groninger Gezinsbode bezorgd, maar de Ommelander Courant.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde een zuurkooltafereel. Lees ook de andere afleveringen in de serie Op verkenning door Het Hogeland

vrijdag 31 augustus 2018

O, barbaarse wereld


Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vluchtte een miljoen Belgen naar Nederland. De meesten keerden al in het eerste jaar terug naar huis. Honderdduizend vluchtelingen bleven tot 1918 in ons land. Ook in het noorden. In de provincie Groningen werden ongeveer 3400 Belgen opgevangen, waarvan vijfhonderd in de stad. De rest waaierde uit over de dorpen.

“Hes ’t ook aal heurd? Der komen hier vluchtelingen!” In zijn half-Groningse roman “Koos” schreef Benjamin Broekema in 1938 hoe zijn hoofdpersoon (maar in feite was hij het zelf) hoorde van de komst van Belgische vluchtelingen naar Warffum. Zijn vriend Wiebe vertelde dat ze werden ondergebracht in het oude gebouw van de werkverschaffing aan het water bij de Warffumer Maar. “Mit drei uurs train komen der hier aal vluchtelingen”, wist Wiebe.

Na schooltijd renden de jongens onmiddellijk naar het station, waar al tientallen nieuwsgierigen de komst van de vertraagde trein afwachtten. Een oude man stapte het eerst uit, las ik in Broekema’s roman. Gevolgd door een paar meisjes, hun moeders en een paar jongens met bleke gezichten. “O, barbaarse wereld, blind van kruitdamp, rood van bloed! Hulpeloze mensen stonden in den vreemde, de nood op hun gezichten.” Zo schreef de joodse Warffumer over een indringende jeugdherinnering uit de Eerste Wereldoorlog.

De commissie van ontvangst op het station van Warffum had een welkomstwoord voorbereid, “maar in ‘t gezicht van deze nameloze ellende stonden ze sprakeloos. Iemand trachtte te spreken, maar hij kon nauwelijks iets stamelen....” Toen Koos de stoet vluchtelingen naar hun onderkomen zag gaan, stil gadegeslagen door de dorpelingen, stelde hij zich voor hoe hij zelf door een vreemd land zou lopen, aan de hand van zijn moeder. De schrijver liet het Koos denken, kort voor een nieuwe wereldoorlog. Vier jaar later zat Benjamin Broekema in de eerste trein van het doorgangskamp Westerbork naar het concentratiekamp in Auschwitz. Op 17 augustus 1942 werd hij daar vermoord. Drie maanden later ondergingen zijn moeder, zijn vrouw en zijn dochters hetzelfde noodlot.

Erik de Graaf

Tijdens de schrijverswandeling op zondag 2 september vertel ik waar de Belgische vluchtelingen in Warffum werden ondergebracht (aanvang 14 uur in Huiskamercafé Noorderkerkpad; zie: artweekendwarffum.nl). Otto Kalkhoven fotografeerde “moeder en kind”.

vrijdag 24 augustus 2018

De Russen kwamen niet

Het is een oriëntatiepunt in het open landschap tussen Warfhuizen en Wehe den Hoorn. Een “landmark” noemen ze dat tegenwoordig bij het Groninger Landschap. Je zou bijna vergeten dat de Luchtwachttoren 7-Otto-1 in de jaren vijftig is gebouwd in de strijd tegen het rode gevaar. Het was in het heetst van de Koude Oorlog en de Russen konden elk moment binnenvallen. Waakzaamheid was geboden.

Om laagvliegende Russische vliegtuigen op tijd te signaleren werd in 1950 het Korps Luchtwachtdienst opgericht. Het KLD bouwde tot 1956 een landelijk netwerk van 276 luchtwachtposten, waarin vrijwillige luchtwachters met verrekijker en peilinstrument in de gaten hielden of er vijandelijke vliegtuigen in aantocht waren. Kijken – Luisteren – Doorgeven was het motto, KLD. Niet dag-in-dag-uit, maar op gezette tijden. De vijand moest zich wel aan onze arbeidstijden houden.

De helft van die observatieposten stond bovenop bestaande gebouwen, maar in Wehe den Hoorn stelde een bietenzaadveredelingsbedrijf zijn gebouw niet ter beschikking. Uit angst, want een observatiepost kon gemakkelijk een doelwit kon worden. Daarom bouwde de KLD in 1955 vlakbij Warfhuizen een luchtwachttoren van betonnen prefab-raatbouwelementen. Als een bouwpakket. Toen de toren in gebruik werd genomen was het militaire netwerk eigenlijk al achterhaald. De moderne vliegtuigen waren inmiddels te snel om met oog en oor te volgen en verfijnde radarsystemen vervingen de luchtwachters. In 1964 werd het netwerk grotendeels gesloten. Alleen langs de noordelijke kust bleef het in gebruik, omdat de Russen vanuit zee nog onbespied het land binnen konden vliegen. Vier jaar later werd de KLD definitief opgeheven. Slechts eenmaal werd een Russisch vliegtuig gespot, maar die bleek op de terugweg na deelgenomen te hebben aan een vliegshow bij Parijs.

De meeste luchtwachttorens zijn inmiddels gesneuveld. Negentien werden er gered. Behalve in Warfhuizen nog een in Winschoten en een halve in Bedum. Vorig jaar renoveerde het Groninger Landschap de 7-Otto-1 in Warfhuizen. Sindsdien staat hij fier te stralen als monument voor de Koude Oorlog. Afgelopen zondag was hij een paar uur door het Groninger Landschap opengesteld. Tientallen belangstellenden tuurden vanaf de top in de verte. Nog steeds geen vijand te zien. Gelukkig maar.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde vrijwilliger Dick van den Berg in de Luchtwachttoren. Lees andere afleveringen uit de serie Op verkenning door Het Hogeland.

vrijdag 17 augustus 2018

Magneet Pieterburen


Vrienden uit het westen wilden een wadloopervaring. Nou, dan regelen we dat natuurlijk. Om elf uur stonden we in een lange rij voor het kantoor van de samenwerkende wadlooporganisaties in Pieterburen. Om het vertrek naar de dijk af te wachten werden we met een bon voor koffie en appeltaart naar een terras aan de overkant van de straat verwezen.

Met zo’n vijftig Wadlopers liepen we met twee gidsen over kwelders, door slikvelden, over zandbanken en door geulen. Het was een eenvoudige kennismakingstocht. Beginners van alle leeftijden en uit alle windstreken vormden een lange sliert over de droogvallende zeebodem. De snelsten liepen voorop, de minder snellen achteraan. Gids Koos van der Maar bracht ze af en toe bij elkaar om te vertellen over het getij, over flora en fauna en over de dynamiek van het Wad. Koos is vergroeid met het Wad, vertelde hij onderweg. Geboren en getogen in het kustgebied. “Aangespoeld kun je beter zeggen”, zei hij zelf. Al vanaf zijn veertiende is hij wadloopgids, op drie jaar na al een halve eeuw.

Al duizenden jaren lopen mensen over het Wad om te vissen, te jagen of om land te winnen. Om te overleven dus. De eerste wadloper tussen eiland en vaste wal was volgens de overlevering een eilandarbeider op Rottumeroog, die zo’n driehonderd jaar geleden uit angst voor zijn baas als een haas bij laag water naar Warffum zou zijn gerend. Pas na 1963 kwam het recreatieve wadlopen in zwang. Nadat in die strenge winter schitterende tochten over de bevroren Waddenzee waren gemaakt, organiseerde Dorpsbelangen ook in de zomer wadlooptochten. Het werd een groot succes. Pieterburen werd een magneet aan het Wad. In de jaren zeventig liepen soms achthonderd wadlopers achterelkaar naar Schiermonnikoog. Als de eersten aankwamen waren de laatsten nauwelijks over de helft. Gelukkig is dat verleden tijd. Vijftig deelnemers is meer dan genoeg. En het is veiliger.

Het wadlopen zette Pieterburen op de kaart. Later kwamen de zeehondenopvang, het Pieterpad en het bezoekerscentrum. Na drieënhalf uur wadzwerven keerden we terug aan land. Moe en tevreden zaten we nog een poosje op een terras.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde wadloopgids Koos van der Maar op het Wad. Voor andere afleveringen in de serie klikt u op Op verkenning door Het Hogeland.