vrijdag 2 november 2018

Donkere nacht


In twee groepen wandelden we afgelopen zaterdag onder leiding van de boswachters van Staatsbosbeheer door het Nationaal Park Lauwersmeer. Eerst voetje voor voetje om aan de duisternis te wennen, maar met vaste tred toen de ogen wat aan de duisternis gewend raakten. Na een half uur liep iedereen zelfs met een hand voor de ogen om niet verblind te worden door het felle maanlicht. Het was de Nacht van de Nacht. Jaarlijks wordt eind oktober aandacht besteed aan het belang van duisternis voor mens en dier. En aan de schoonheid ervan, want een sterrenhemel wordt imposanter naarmate de nacht donkerder is. We hadden geluk. Donkere wolken en een heldere hemel wisselden elkaar in snel tempo af.

Echte duisternis is zeldzaam in het dichtbevolkte Nederland. Ons land is zelfs een van de landen met de meeste lichtvervuiling. Groningen springt er wat beter uit. Volgens recent onderzoek staan we tweede in de eredivisie van provincies met de minste lichtvervuiling. Na Drenthe, maar voor de rest van Nederland. We moeten wel oppassen, want de achtervolgers Friesland en Flevoland hijgen ons in de nek.
Ook binnen Groningen zijn er grote verschillen. Op een kaartje zag ik de stad Groningen en vooral Hoogezand als hel verlichte plekken. Naar het noorden en het oosten van de provincie toe wordt het aan de randen van de provincie steeds donkerder, met uitzondering van een straal rond de industriegebieden bij Delfzijl en in de Eemshaven. De grootste donkere plek van de provincie vond ik in Het Hogeland, ten noorden van de N361 aan het Wad. Grofweg van Baflo tot aan Hornhuizen. Ook in het Nationaal Park Lauwersmeer, p de bodem van de voormalige Lauwerszee, heerst nog duisternis. Niet voor niets werd dat gebied twee jaar geleden uitgeroepen tot Dark Sky Park. Als tweede in Nederland, na de Boschplaat op Terschelling.

Rust en ruimte zijn grote kwaliteiten van Het Hogeland. De duisternis hoort daar zeker bij. Kunstlicht is nuttig, maar overbodig licht is storend. Daarover was iedereen het na afloop van de nachtwandeling eens bij de chocolademelk in het Activiteitencentrum van Staatsbosbeheer.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de heldere hemel in de Nacht van de Nacht. Half december verschijnt “Op verkenning door Het Hogeland” in boekvorm. Bestel het boek met intekenkorting via www.opverkenningdoorhethogeland.nl.

zondag 28 oktober 2018

Berlage in Usquert


Binnenkort gaan vier gemeenten op in Het Hogeland, maar de gemeentehuizen blijven in gebruik. Na vorige herindelingen kregen veel overtollige gemeentehuizen een nieuwe functie als woonhuis, galerie of gezondheidscentrum. In Usquert staat het gemeentehuis van Berlage nog te wachten op een passende bestemming.

Usquert behoorde een eeuw geleden tot de rijkste gemeenten van Nederland. Alleen was de rijkdom beperkt tot een elite van herenboeren. In hun achtertuinen woonden de landarbeiders in armoede. Ondanks de rijkdom had de socialistische SDAP vanaf 1919 een absolute meerderheid in de gemeenteraad. Het College bestond uit een liberale burgemeester en twee socialistische wethouders. Toen in de jaren twintig een architect werd gezocht voor een nieuw gemeentehuis stelde wethouder Geerling de vooruitstrevende Berlage voor. Berlage had moderne woonblokken voor arbeidersgezinnen in Amsterdam ontworpen, maar was vooral beroemd door de Koopmansbeurs (tegenwoordig bekend als de Beurs van Berlage). Een mooi compromis, want ook de liberale burgemeester Welt zag het wel zitten met Berlage.

Berlage ontwierp het gemeentehuis van Usquert als een samenspel van kunsten. Hij koos de stenen, de tegels, de meubelen en hij ontwierp de tuin. Binnen en buiten waren één geheel, één groot kunstwerk. Zelfs de politiecel was in stijl. Tijdens de bouw eiste Berlage een verhoogde toren, omdat hij zijn ontwerp schril vond afsteken bij de grote rentenierswoningen van de buren. Toen de gemeenteraad dat niet wilde financieren besloot hij de torenverhoging uit eigen zak te betalen. Het was hem veel waard om aan het eind van zijn carrière zijn eerste gemeentehuis te bouwen. Begin 1930 was de feestelijke inwijding.

Tot 1990 deed het dienst als gemeentehuis. De Vereniging Hendrick de Keyser, die zich inzet voor monumentaal erfgoed, verhuurde het vervolgens als kantoorruimte. Later werden er lezingen en tentoonstellingen georganiseerd. Tot er asbest in de vloeren werd gevonden. Binnenkort wordt dat probleem opgelost en wacht het Berlagehuis een nieuwe toekomst. Hoe die er uitziet is nog ongewis. Vreemd, want als het gebouw in bijvoorbeeld Baarn of Zeist stond was het allang tot Nationaal Berlagemuseum uitgeroepen.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde het Berlagehuis in Usquert vanuit kikkerperspectief. U kunt ook de hele serie Op verkenning door Het Hogeland lezen.

vrijdag 26 oktober 2018

Douwen en de vergetelheid

“Weleens van Douwen gehoord? Ik veronderstel van niet”, las ik vrijdag in een mail. “Douwen? Geen idee”, dacht ik. De mailschrijver stelde me al snel gerust. “Je bent niet de enige. Douwen is een gehuchtje in het Marnegebied, in het rustieke midden tussen Leens, Warfhuizen en Zuurdijk”.

Als je de kans krijgt een gehucht aan de vergetelheid te ontrukken mag je niet lang aarzelen, vind ik. Dus maakte ik een afspraak voor de volgende dag. Onderweg er naartoe besloot ik de noodzaak van mijn missie te onderzoeken. “Kent u de weg hier in de buurt”, vroeg ik aan een verkeersregelaar bij de maandelijkse streekmarkt bij Verhildersum. Hij antwoordde dat hij in Ulrum woonde, met een gezicht van kom-maar-op-met-je-vraag. “Hoe kom ik met de fiets in Douwen?” De man keek me verbaasd aan. “Douwen?” Een voorbijgangster uit Leens kon hem niet helpen. Er zat niets anders op dan toe te geven dat ik naar de bekende weg had gevraagd. Douwen ligt bij Het Stort, verklapte ik hem. “Oh, maar dan moet je bij die brug het fietspad nemen”, wees hij me de weg. Tien minuten later was ik “op Douwen”, zoals ik het volgens de bewoners moest zeggen.

Drie boerderijen rond de Douwenstertil over het Warfhuisterloopdiep. Meer is Douwen niet. Toch is het nauwelijks kleiner dan zeshonderd jaar geleden. In de late middeleeuwen was Douwen eigendom van het klooster Bloemhof in Wittewierum. Sinds die tijd bleven de boerderijen altijd in bedrijf, hoewel er natuurlijk wel veel veranderde. De oudste schuur op Douwen 1 is nu van 1808, liet Wieger van der Steeg ons zien. Hij was in 1948 als vierjarige jongen op de boerderij komen wonen, met zijn ouders en zijn oudere broer. Zijn broer zette het bedrijf voort, maar is inmiddels opgevolgd door de volgende generatie. Een paar weken geleden zetten ze de naam Douwen met grote letters op de schuur. Duidelijk zichtbaar vanaf de Trekweg en de Douwenstertil. Om het gehucht weer een gezicht te geven. Douwen leeft voort.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde drie generaties Van der Steeg op de boerderij op Douwen. De jongste generatie fietst zich al warm. De hele serie kunt u lezen op Op verkenning door Het Hogeland.

dinsdag 23 oktober 2018

Verliefd op Het Hogeland


“Zo was ik vroeger ook”, zei Myriam Roelandt uit Antwerpen vorige week toen ze met haar man Gie bij het Kinderboekenhuis aankwam. Naast de voordeur van het museum annex bibliotheek aan het Kerkpad in Winsum bewonderde ze de muurtekening van een lezend meisje. Lezen, lezen en nog eens lezen, dat deed ook Myriam Roelandt in haar jeugd. Tegenwoordig schrijft ze kinderboeken.

Een betere plek voor een gesprek met een kinderboekenschrijfster dan het Kinderboekenhuis is nauwelijks denkbaar. Tussen dertigduizend historische kinderboeken spraken we over lezen en schrijven, over inspiratie en over het Hogeland. Vier jaar geleden kwamen Myriam en Gie voor het eerst naar het noorden. Per ongeluk eigenlijk. Een verre reis was geannuleerd en daarvoor in de plaats gingen ze naar Zuurdijk. “Waar zijn we terechtgekomen”, vroegen ze elkaar in opperste verbazing. Een lange straat en verre uitzichten, meer was het niet. Maar binnen een paar dagen waren ze smoorverliefd op het Hogeland. Op de luchten, het licht, de dijken, de schapen, maar ook op de rust en op de mensen. Voordat ze naar huis terugkeerden legden ze eerst hun volgende bezoek vast. Later kochten ze een stacaravan in het Lauwersmeer en nu zelfs een chalet aan het water.

Boven Lelystad begint altijd het thuisgevoel, vertelde Gie. Bij Myriam begint dan de inspiratie te borrelen. Onderweg bedenkt ze haar verhalen, die ze in Lauwersoog op papier zet. Al integrerend op het Hogeland schreef ze tijdens een concert in de kerk van Zuurdijk over een ondeugende kerstengel. Of in Houwerzijl over de sprookjesthee, die een graaf in een prachtig kasteel van zijn sombere buien afhielp. Na zijn wonderbaarlijke genezing maakten de graaf en de gravin het ontstaan van het Theemuseum in Houwerzijl mogelijk. Ik wist dat niet, maar las het in het sprookje. En dus is het waar. Het Hogeland is een inspirerende omgeving, vindt Myriam. Zo, dan horen we het eens van een ander.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde Myriam Roelandt en de muurtekening van Michel Velt naast de ingang van het Kinderboekenhuis in Winsum. Het boek “Sprookjesthee” van Myriam Roelandt met illustraties van Kris van ’t Klooster verscheen in mei 2018 bij Uitgeverij Vliedorp. De hele serie vindt u bij Op verkenning door Het Hogeland.

dinsdag 16 oktober 2018

Rare jongens, die Romeinen


Die verrekte Plinius de Oudere toch. In het jaar 47 voer de schrijver en historicus met een Romeinse vloot via Utrecht (dat toen Trajectum heette) en het Flevomeer naar het Waddengebied om de opstandige bevolking een lesje te leren. Hij was onthutst door wat hij er aantrof. Grauw en grijs in vele tinten. In een land dat nauwelijks van zee te onderscheiden was woonde “een niet te benijden volk” op zelf opgeworpen heuvels. Bij vloed leken de bewoners op zeevaarders op volle zee, vond Plinius, maar bij eb zagen ze er uit als schipbreukelingen op hun eilandjes. Hij vond het maar een treurige toestand en dacht dat de bewoners als slaven in het Romeinse Rijk een beter leven zouden hebben.

Bijna twintig eeuwen bepaalde het grauwe verhaal van Plinius het beeld van het vroege leven in het Noord-Nederlandse kustgebied. Toch moet er meer zijn geweest, want wat Plinius niet zag was dat het terpen- en wierdenlandschap in Friesland en Groningen met dertig - tot veertigduizend inwoners het dichtstbevolkte gebied van Noordwest-Europa was. De bewoners wachtten in hun woonheuvels niet lijdzaam op betere tijden, vertelde de archeoloog Mans Schepers vorige week op een symposium over terpen en wierden, maar zorgden ervoor dat ze goed konden leven in het gebied. Ze hielden hun woningen altijd tussen vijftig en honderd centimeter boven het hoogste waterniveau om droge voeten te houden. Zo ontstonden uiteindelijk vijfhonderd kleine, middelgrote en grote wierden in Groningen, duizend terpen in Friesland en zelfs zevenduizend wurten of warften in het Noord-Duitse kustgebied. De bewoners deden aan veeteelt en landbouw op de vruchtbare kweldergronden, raapten meeuweneieren en vingen vissen, vogels en robben. Uit archeologische vondsten is inmiddels gebleken dat ook de ruilhandel belangrijk was. Zelfs met de Romeinen, al wilden die dat blijkbaar niet weten. Het viel dus wel mee met de bittere armoede. Plinius bekeek de bewoners van het noorden vanaf zijn schip door zijn “azuurblauwe, decadente Romeinse bril”. Rare jongens, die Romeinen.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de bronzen plaquette met een voorstelling van de wierde van Rottum, ontworpen door Willem van Wijnen. De hele serie leest u op Op verkenning door Het Hogeland.

vrijdag 5 oktober 2018

Groninger geest


“Ik ging in Warffum op de HBS, geboren en getogen in Valom, Hefswal, Uithuizermeeden”, schreef dr. ir. J. van Veen uit Den Haag in april 1955 aan Marten Toonder senior in Oegstgeest. Van Veen bedankte de gepensioneerde kapitein voor het schrijven van zijn boek Klei en zout water. “U ging varen”, schreef de waterstaatsingenieur in 1955 aan Toonder, “ik wilde de Wadden inpolderen, maar het werd meer het zuidwesten – ook klei en zout water”. Van Veen dankte de kapitein voor “veel goeds en waardevols: de Groninger geest”.

De kapitein beschreef in zijn boek hoe hij in 1899 als analfabete twintigjarige jongen van het Hogeland naar Rotterdam vertrok om matroos op de grote vaart te worden. “Pas op, de klei zuigt je de grond in”, herinnerde hij zich de waarschuwing van een vriend, die net als zovele Groningers voor een beter bestaan naar Amerika emigreerde. Toonder koos liever het zoute water. Hij bevoer de wereldzeeën, leerde lezen en schrijven en werkte zich op tot zeekapitein.

Johan van Veen werd in 1893 geboren als derde zoon van een boer. Hij ging naar de polderschool in Valom, vervolgens naar de Franse School in Uithuizen en daarna naar de driejarige HBS in Warffum. Dagelijks reisde hij met zijn vrienden naar school. Hij blonk uit en genoot van de lessen. Directeur Smit van de HBS zag zijn talent en adviseerde om door te leren. Van Veen kreeg alle gelegenheid om te studeren, want als derde zoon kon zijn vader hem niet op de boerderij gebruiken. Teveel opvolgers versnipperden het boerenland. Van Veen ging in Delft studeren, werd waterstaatsingenieur en na de Watersnoodramp van 1953 de “Vader van het Deltaplan”. In 1959 overleed hij onderweg naar een vergadering over zijn volgende geesteskind, de Eemshaven.

Het begon allemaal op school in Valom, in Uithuizen en in Warffum. Als ik de schooljeugd tegenwoordig ’s ochtends naar school zie fietsen ben ik benieuwd waartoe hun “Groninger geest” het uiteindelijk zal brengen.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde scholieren op de fiets naar school. Deze maand viert het Hogeland College in Warffum, Uithuizen en Wehe den Hoorn het feit dat 150 jaar geleden de Hogere Burgerschool werd opgericht. De andere 44 afleveringen in de serie leest u op hethogeland.blogspot.nl