dinsdag 12 mei 2020

Executie van twee Duitse deserteurs


Acht dagen na de bevrijding klonken er Duitse schoten op een schietbaan op het Zeeburgereiland in Amsterdam. Het was een bizarre executie van twee Duitse deserteurs. Met medewerking van het Canadese militaire gezag. Vijfenzeventig jaar geleden.

Rainer Beck diende met tegenzin bij de Duitse marine. Zijn vader was sociaaldemocraat, zijn moeder joods. In 1936 werd hij van het gymnasium gestuurd, omdat zijn vader bij de nazi’s in ongenade was gevallen. Rainer ging varen, op vissersschepen. Niet militair, totdat zijn schip in 1941 met man en muis bij Hitlers oorlogsvloot werd ingelijfd. In Amsterdam bezocht hij regelmatig zijn zus, die in de jaren dertig naar Nederland was gevlucht en half legaal in de Achillesstraat in Zuid woonde.

In september 1944 kreeg Rainer Beck het bevel naar Duitsland terug te keren. Hij besloot in Amsterdam onder te duiken. Eerst bij de bovenbuurman van zijn zus. Later boven een kunsthandel in de Botticellistraat. Acht maanden lang, tot 5 mei 1945. Na de bevrijding wilde Rainer Beck zo snel mogelijk naar huis, naar zijn moeder in Duitsland. Om vaart in de procedure te krijgen meldde hij zich bij de Canadese militairen. Daar ontmoette hij Bruno Dörfer, een collega-deserteur.
De Canadezen brachten Beck en Dörfer naar een kamp aan de Hemweg in het westelijk havengebied. Daar waren 3000 Duitse mariniers geïnterneerd. Niet als krijgsgevangenen, maar als “surrendered enemy personnel”. Dat was niet volgens de regels van het Verdrag van Geneve, maar wel praktisch voor de Canadezen: de Duitsers zorgden voor zichzelf, zelfs voor hun eigen ontwapening. Alleen de commandanten mochten pistolen houden. Voor de orde in de troepen.

De Duitsers voelden er eerst niets voor om deserteurs in hun kamp toe te laten. Later wel onder voorwaarde dat ze mochten worden berecht. Op zondagochtend 13 mei 1945 stonden Beck en Dörfer tot hun verbijstering voor een Duitse krijgsraad. Duizenden Duitse soldaten zagen hoe marinerechter Wilhelm Köhn de deserteurs de huid vol schold en ter dood veroordeelde. “Aan het front kan men sterven, als deserteur moet men sterven”, schreef Hitler al in Mein Kampf.
Huh? De doodstraf voor twee Duitse deserteurs in Amsterdam? Acht dagen na bevrijding? Dit moest een film zijn, maar die verscheen pas in 1969 met Bud Spencer in een hoofdrol en met muziek van Ennio Morricone. Nee, dit was menens. Na de rechtszitting verzochten de Duitsers wapens voor de executie. Een verbaasde Canadees nam contact op met het geallieerde hoofdkwartier en ’s middags werden geweren met munitie geleverd. Bovendien kregen de Duitsers een jeep en een vrachtwagen tot hun beschikking. Dwars door de feestende stad werden Beck en Dörfer naar een schietbaan op het Zeeburgereiland gereden. Daar klonken tussen 17.40 en 17.45 uur vier schoten. Twee voor Bruno Dörfer en twee voor Rainer Beck. Twee Canadese militairen stonden erbij en keken ernaar. Ze moesten erop toezien dat de schutters na de terechtstelling keurig naar de Hemweg terugkeerden.

Köhn was tot zijn pensioen in 1967 rechter in Keulen. In 1973 kon hij volgens een West-Duitse rechtbank niet vervolgd kon worden. Wegens verjaring. Beck en Dörfer werden in 1996 postuum vrijgesproken. Denkt u woensdagmiddag even aan hen als het tegen kwart voor vijf even stil is?

Erik de Graaf

PS: de illustratie komt uit Der Spiegel (1997; nummer 20). Tien jaar geleden schreef ik ook al eens over Duitse deserteurs.

zaterdag 25 april 2020

"Verdwalende" Duitse vliegtuigen


Op 16 juni 1939 maakte de Bücker Jungmann WL-EXYU een noodlanding tussen Warffum en Den Andel op het land van boer Willemsen. Achter de Wilco, de Willemsen Conserven, op de plek waar nu de raspatat van Rixona wordt gemaakt. Het was een Duits militair vliegtuigje, dat blijkbaar een verkenningsvlucht boven Noord-Nederland had gemaakt. Burgemeester Hoen en de veldwachter Kuilder van Warffum namen onmiddellijk poolshoogte. Het ging om een oefenvlucht van een onervaren piloot, zo was het verhaal. Hij was verdwaald en moest zijn vliegtuig uit brandstofgebrek aan de Warffumer grond zetten.

De familie Willemsen was er snel bij. De kans om op eigen land met een Duits vliegtuig op de foto te gaan lieten ze zich niet ontnemen. Logisch, want wanneer landt er nu een vliegtuig op je land? De Bücker Jungmann was overigens te zwaar beschadigd om op eigen kracht naar Duitsland (toen nog Duitschland) terug te vliegen. Het vliegtuig werd gedemonteerd en per vrachtwagen naar Nieuwerschans vervoerd. Vandaar ging het vliegtuig met de trein het laatste stuk terug naar Duitsland. Het Nieuwsblad van het Noorden berichtte er over.

De noodlanding in Warffum werd pas landelijk nieuws toen vier dagen later weer een verdwaald Duits legervliegtuig een noodlanding in Noord-Groningen maakte, nu achter houthandel Nanninga bij Middelstum. Dit keer kwam de machine beter terecht, want na een kwartier wilde de 22-jarige piloot F. Jacobs uit Oost-Pruisen alweer opstijgen. Dat lukte niet doordat tientallen toegestroomde Middelstumers in de weg liepen. Burgemeester Van Anken van Middelstum liet het toestel die nacht bewaken. De piloot moest voor ondervraging in Middelstum blijven. Hij vertelde te zijn verdwaald, ondanks alle kaarten die hij bij zich had. De volgende dag vertrok de Duitser vliegend alsnog met permissie terug “in die Heimat”.

Wat zochten die Duitse militaire vliegtuigen toch boven het neutrale Nederland? Als je de kranten uit die tijd doorspit bleken er nogal wat Duitse vliegtuigen te “verdwalen” in de laatste jaren voor de oorlog. In heel Nederland, maar ook opvallend vaak in het noorden. En dat terwijl verdwalen best lastig is met voortdurend zicht op de Waddenkust en het Duitse eiland Borkum aan de horizon. “Verdwalen” was blijkbaar de smoes waar de Nederlandse autoriteiten intrapten. In werkelijkheid ging het om spionage. Uit angst voor Hitlers oorlogszuchtige Duitsland werden de spionnen en hun vliegtuigen keurig aan de grens afgeleverd.

In de Beeldbank van de Groninger Archieven is met het zoekwoord “noodlanding” een aantal foto’s te vinden van gestrande Duitse verkenningsvliegtuigen. In Zijldijk poseerde de bevolking in 1937 naast een Duits vliegtuig met hakenkruis. Die noodlanding kende overigens een dodelijk slachtoffer doordat met een vleugel een 74-jarige fietser uit Oosteinde werd geraakt. Menze Schoonveld was een vroeg slachtoffer van de Duitse expansiezucht op Nederlands grondgebied.

Erik de Graaf

PS: De foto van de familie Willemsen bij Warffum kreeg ik al in 2010 toegestuurd. Door een blog van Warffumer Erik Kooima heb ik hem weer eens opgezocht.

zondag 19 april 2020

De bevrijding van Noord-Groningen


Vijf jaar duurde de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Op 10 mei 1940 viel het Duitse leger het land binnen. Bij de Grebbeberg, op vliegveld Ypenburg bij Den Haag en op de Afsluitdijk werd hard gevochten. Op 14 mei 1940 bombardeerde de Duitse luchtmacht Rotterdam om Nederland tot overgave te dwingen. Noord-Groningen was al op 11 mei 1940 door Duitse troepen bezet.

Er volgden vijf jaar van bezetting, onderdrukking, discriminatie, vervolging, vernietiging, verraad, verzet, onzekerheid en dood en verderf. Vanaf 1944 kwam er een kentering in de oorlog. Vanuit het oosten rukten de Russen op en in het westen bevrijdden de Amerikanen, de Engelsen en de Fransen grote delen van Europa. In september 1944 werd het zuiden van Nederland bevrijd, maar het zou nog tot mei 1945 voor heel Nederland vrij was.

In april 1945 trokken Canadese troepen vanuit Eelde, Paterswolde en Haren naar het noorden. De stad Groningen werd op 16 april 1945 bevrijd. Via twee routes rukten de Canadezen op richting Delfzijl. Dat ging niet zonder slag of stoot. Vooral bij Wagenborgen, Spijk, Holwierde, Appingedam en Delfzijl stuitten de bevrijders op hevige Duitse tegenstand. Bij zware gevechten kwamen tientallen soldaten en burgers om het leven en werden veel plaatsen zwaar beschadigd. Het duurde nog tot 2 mei voordat Delfzijl als laatste gemeente op het vasteland van Nederland werd bevrijd. Drie dagen later mei capituleerde Duitsland. Op 5 mei 1945 was Nederland weer vrij!

Dit jaar wordt weer uitgebreid stilgestaan bij vijfenzeventig jaar bevrijding. Blad vroeg alle historische verenigingen in de gemeenten Groningen, Het Hogeland, Loppersum, Appingedam en Delfzijl om een bijzondere, historische foto te sturen van de bevrijding van hun woonplaats. Met daarbij een beschrijving van die bijzondere gebeurtenis. De redactie van Blad maakte van alle verhalen één geheel voor dit themanummer. De bevrijding van Noord-Groningen kan niet vaak genoeg verteld worden.

Erik de Graaf

PS: deze inleiding schreef ik voor het themanummer over 75 jaar bevrijding van Blad voor Noord-Groningen. Met de verhalen van oor- en ooggetuigen  (klik hier voor een voorbeeld) van de opmars van Groningen naar Delfzijl. Blad is verkrijgbaar in de betere krantenkiosk, boekhandel en supermarkten. Wees voorzichtig en houd afstand! 

20 april 1945: de Bevrijding van Uithuizen

Voor Blad voor Noord-Groningen tekende ik het onderstaande verhaal over de bevrijding van Uithuizen op uit de monden van de gebroeders Henk en Frits Middendorp:


"Ongeveer veertien dagen voor de bevrijding verschansten de Duitsers zich in onze boerderij tussen Lage van de Weg en Uithuizen. Blijkbaar woonden we strategisch gunstig. Ze hadden hun wapens en munitie in ons washok in de schuur opgeslagen. Ze sliepen in de koestal, vlak achter de koeien was het warm.

Het was vrijdag 20 april 1945, mooi weer. Onze moeder had ’s morgens wasgoed aan de lijn gehangen. Tegen half negen hoorden wij dof gerommel: de tanks kwamen uit Usquert. Wij wisten eerst niet wat het was. Even later kwam koppelbaas Douwe Pol uit Lage van de Weg fietsen: “Jullie moeten zorgen dat je weg komt”, riep hij tegen ons, “de tanks komen er aan”. Moeder haalde nog gauw de was van de lijn; één onderbroek vergat ze. Ze legde het op een stapeltje op het gaskastje. Toen zijn wij allemaal, onze ouders en zeven kinderen, vier evacuees en de melkknecht Jan Brugge in de rommelsloot achter het erf gekropen.

Het wachten begon. De Canadese tanks waren intussen aangekomen en hadden met vijf tanks bij Bovenhuizen stelling genomen. Het duurde niet lang of de kogels floten over ons heen. Onze jongste broer lag bij moeder op schoot te huilen. Jan Brugge zette een emmer zonder bodem op zijn hoofd.

De Duitsers hebben ongeveer twee uur weerstand geboden. Toen zijn ze er vandoor gegaan. Door het land en de polder zijn ze naar de zeedijk gevlucht. Onze vader is met drie Canadezen en iemand van de ondergrondse de boerderij ingegaan. Daar troffen ze op twee plekken brand aan. Ook het wasgoed op het gaskastje brandde. Ze waren er net op tijd bij om een gasexplosie te voorkomen. Aan de waslijn hing nog mijn onderbroek. Eerst schoten de Canadezen meerdere keren door mijn onderbroek en daarna schoten ze de waslijn kapot. Mijn onderbroek is een tijdje als “kogelbroek” door het leven gegaan.

Toen het sein veilig was gegeven, kropen we uit de sloot om naar de Shermantanks te gaan kijken. Een tijdje later reden ze door naar het dorp".

Met dank aan Henk en Frits Middendorp

zaterdag 21 maart 2020

... en aan de kusten stijgt de vloed


In de herfst van 1919 bracht Kurt Pinthus zijn expressionistische bloemlezing Menschheitsdämmerung ("de schemering van de mensheid") uit. De inmiddels honderdjarige bloemlezing geldt tot op de dag van vandaag als standaardwerk van het Duitse literaire expressionisme. De bundel was niet alleen in literair opzicht een hoogtepunt. Het werk ging van hand tot hand in het Duitsland van vlak na de Eerste Wereldoorlog en kreeg al snel een cultstatus. Het was “één felle, verwilderde, letterlijk hartverscheurende kreet om de redding der mensheid, der wereld”, schreef de Nederlandse dichter Hendrik Marsman in 1929.

Pinthus’ bloemlezing presenteerde 23 expressionistische dichters. Zes van hen maakten de publicatie niet meer mee. Vier dichters waren al in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld. Anderen maakten de gruwelen van de loopgravenoorlog van dichtbij mee. Menschheitsdämmerung is de poëtische verwerking van de Eerste Wereldoorlog, kun je stellen. Of een "abschliessendes Dokument dieser Epoche", zoals Kurt Pinthus in 1922 in een nawoord bij de zoveelste herdruk schreef. 

In april 1987 kocht ik de bundel voor tweeëneenhalve plastic mark in Dresden, dat toen nog in de DDR lag. Ik las het eerste gedicht en was van slag. Het was al in 1910 geschreven door de drieëntwintigjarige Jakob von Hoddis en verscheen in januari 1911 voor het eerst in een Berlijns tijdschrift.

Weltende

Dem Bürger fliegt vom spitzen Kopf der Hut,
In allen Lüften hallt es wie Geschrei.
Dachdecker stürzen ab und gehn entzwei
Und an den Küsten – liest man – steigt die Flut.

Der Sturm ist da, die wilden Meere hupfen
An Land, um dicke Dämme zu zerdrücken.
Die meisten Menschen haben einen Schnupfen.
Die Eisenbahnen fallen von den Brücken.

Het is alsof Jakob von Hoddis alle ellende al in 1910 voorvoelde. Voor de militaire dienst was de dichter enkele jaren later ongeschikt. Al voor de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 werd hij psychiatrisch behandeld. Een groot deel van zijn leven bracht Von Hoddis in psychiatrische inrichtingen door. Verward, totaal van de kaart. In 1933 werd hij opgenomen in een joodse inrichting in de buurt van Koblenz, precies daar waar vanaf 1940 alle joodse “zenuwzieken” uit het Derde Rijk centraal werden ondergebracht. In 1942 werd hij door de nazi’s in een concentratiekamp vermoord. Sobibor werd Jakob von Hoddis' persoonlijke Weltende.

Erik de Graaf

PS: in december 2009 schreef ik een stukje over Von Hoddis op mijn blog. Vandaag werd ik eraan herinnerd door de digitale boekentafel van boekhandel Godert Walter in Groningen. De sfeer van het gedicht past mooi (nou ja, mooi?) bij de crises van vandaag de dag.

zondag 8 maart 2020

Met de Lawoe naar Nederlands-Indië


In mei 1900 monsterde de twintigjarige Marten Toonder, de latere vader van de schrijver en striptekenaar, aan op het stoomschip Lawoe van de Rotterdamse Lloyd. De bestemming was Nederlandse-Indië. Toonder was zo goed als analfabeet, omdat hij van zijn tiende tot zijn negentiende uit pure armoede als knecht op Rottumeroog werkte. En daar was geen school. In 2015 publiceerde ik een boek over Toonder senior, die uiteindelijk kapitein op de Rotterdam Zuid-Amerika Lijn werd en door zijn prachtige verhalen in feite de geestelijke grootvader van Olie B. Bommel en Tom Poes.

Onderstaande stuk komt vrijwel letterlijk uit mijn boek:

De koloniale kwestie had voor Marten Toonder altijd ver van zijn bed gestaan. Dat veranderde toen hij na weken volle zee eindelijk weer land in zicht kreeg. De eerste stop van de Lawoe was op Sumatra. In de haven van Padang was het een drukte van belang. Toonder stond verbaasd te kijken hoe grote, bruine kerels met kettingen aan de voeten als slaven de nieuwe bunkerkolen aan boord brachten. Het waren criminelen, vertelde matroos Steinziek, maar Toonder kreeg er een onbehaaglijk gevoel van.
Na vertrek uit de haven van Padang begon Toonder over zijn eerste ervaringen met het kolonialisme te praten. Tijdens de etappe naar Tanjung Priok op Java hadden ze voorlopig de laatste rustige dagen, waarop naast kleine onderhoudsklussen nog rustig gekletst kon worden. Steinziek en Nieuwstraten verklaarden de koloniale verhoudingen op hun manier. De inlanders konden niet lezen en schrijven en waren geen christenmensen, maar dat overtuigde Toonder niet. Hij kon zelf ook nauwelijks lezen en schrijven en of hij een christenmens was, vroeg hij zich ook weleens af. 
Taco Doorenbos schoot hem te hulp. ’Wij zijn christenmensen’, sprak hij schamper. ‘Moet je maar eens zien hoe wij die kettinggangers behandelen, als beesten.’ Die misdadigers waren volgens hem gevangen genomen omdat ze tegen de Nederlandse kolonisator in verzet waren gekomen. Nieuwstraten was opnieuw verontwaardigd over de opstandige taal van de stuurmansleerling. ‘Ik dacht nog wel dat je de zoon van een dominee was’, mopperde de kwartiermeester. Er ontstond een felle discussie over kolonialisme, waarbij Taco ook Multatuli in stelling bracht.


De volgende dag legde Taco tijdens het eten zijn ideeën over de koloniale kwestie uit. Ze waren op dat moment voor Toonder opzienbarend, later vond hij ze tam en conservatief. Taco sprak over democratie en medezeggenschap, maar zelfbestuur en onafhankelijkheid kwamen ook in Taco’s woordenboek niet voor. ‘Ze zouden hier alleen maar idealisten heen moeten sturen’, ging Taco door, ‘dokters, onderwijzers, ingenieurs… Maar nee, dat brengt geen geld op’.
In zijn schaarse vrije uren verkende Toonder de Indische havensteden. Op de markt in Tanjung Priok voelde hij zich thuis tussen de Javaanse bevolking als hij in de middagpauze een Chinese rijstschotel at om even aan de snert en de grauwe erwten te ontsnappen. Terug op het schip sprong hij uit zijn vel van woede toen hij zag dat Nieuwstraten in het ruim een koelie schopte. Marten voelde dat hij zelf nog maar kort geleden uit een soort slavernij was bevrijd en zag de koelies als lotgenoten.

Erik de Graaf

PS: mijn boek “Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein” (2015) is inmiddels schaars, maar nog wel verkrijgbaar. 

zondag 1 maart 2020

Vogelwachtersdagboek op Rottumerplaat


Onbewoonde eilanden spreken altijd tot de verbeelding. Schrijver Daniel Defoe liet zijn Robinson Crusoe al in 1719 na een schipbreuk aanspoelen en Annie M.G. Schmidt liet Leen Jongewaard er in “Ja zuster, nee zuster” over zingen: “zwaaien met je onderbroek, zwaaien met je hemd”. De eenzaamheid van het onbewoonde eiland kan ook bewust worden opgezocht. Over de avonturen van Godfried Bomans en Jan Wolkers op Rottumerplaat praten we al bijna een halve eeuw na. Vorig jaar november verscheen in het kader van de campagne Nederland Leest een bundel over de liefde van Wolkers voor de natuur. Daarin zijn fragmenten van zijn Groeten van Rottumerplaat uit 1971 opgenomen.

Op dezelfde eerste november van 2019 presenteerden Nicolette Branderhorst en Aaldrik Pot een veel dikker Vogelwachtersdagboek over het leven op een onbewoond eiland. De titel Terug naar Rottumerplaat suggereert een terugkeer naar de tijden van Bomans en Wolkers, maar het blijkt een link naar de jeugd van Aaldrik. Hij groeide op in de straat Rottumerplaat in Delfzijl-Noord. Met zijn partner Nicolette droomde hij al jaren over leven op een afgelegen plek met zee en vogels, een plek waar de natuur het levensritme dicteert. Ze verlangden naar eenvoud, respect voor alle leven en een diepe verbondenheid met de natuur; zelfvoorzienend en zonder hebzucht. Daarmee trokken ze in het voetspoor van de negentiende-eeuwse dichter en filosoof Henry David Thoreau en de Noorse “deep-ecology”-filosoof Arne Næss (1919-2009). Dat Aaldrik en Nicolette vier maanden als vogelwachters naar het onbewoonde Rottumerplaat konden was een schot in de roos.

Terug naar Rottumerplaat is een prachtig boek geworden. In woord en beeld doen Aaldrik en Nicolette verslag van hun leven en werken op Rottumerplaat. Dagelijks inventariseren ze de baltsende, broedende en langstrekkende vogels op het eiland. Achterin het boek staat een vogellijst met 138 soorten, die ze in vier maanden waarnamen: van Aalscholver tot Zwartkopmeeuw en bijna het hele alfabet daartussen. De vogelwachters hebben veel aandacht voor de scholeksters, die in het kader van het CHIRP-onderzoek op Rottumerplaat geringd werden om ze nog jarenlang te kunnen monitoren. Maar de enige eilandbewoner met een naam is de eidereend Gretha, die de harten van de vogelwachters veroverde door de trouwe toewijding in de broedperiode en de verzorging van de kuikens. Ook insecten worden nauwkeurig bestudeerd, evenals de zeehonden op en rond het eiland. De fauna én de flora worden prachtig in beeld gebracht in de honderden foto’s.

Helaas zijn er ook zorgelijke ontwikkelingen op het eiland. Tientallen vliegtuigjes scheerden in het broedseizoen laag over het eiland. Misschien wel om Pokémon-Go-locatie op het eiland te scannen. Bewaken is ook een taak van de vogelwachters, het zit al in de naam van de functie. Daarnaast waren de gevolgen van de containerramp van januari 2019 pijnlijk duidelijk zichtbaar. Hoewel ze geen “vuilwachters” zijn ruimden ze grote hoeveelheden plastic producten op. Om moedeloos van te worden, schrijven ze. Goed dat ze er nog eens de aandacht op wijzen. Dat kan niet vaak genoeg gebeuren.  

Liever richten we onze aandacht weer op de natuur op het eiland. Terug naar Rottumerplaat is een heerlijk blader- en leesboek. Een verslag van de mens in de natuur en een welkome aanwinst op de boekenplanken van Rottumvrienden.

Erik de Graaf

PS: ik schreef deze recensie in december 2019 voor De Kaap, het donateursblad van de Stichting Vrienden van Rottumeroog en Rottumerplaat. De foto van de zwerm scholeksters is gemaakt door Aaldrik Pot, op dag 110 van Aaldrik en Nicolette op Rottumerplaat. 

Aaldrik Pot en Nicolette Branderhorst, Terug naar Rottumerplaat. Vogelwachtersdagboek (Uitgeverij kleine Uil, Groningen, 2019) 240 pagina’s; ISBN: 9789493170025; 29,95 euro.