Posts tonen met het label Indonesiëweigeraars. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Indonesiëweigeraars. Alle posts tonen

vrijdag 18 januari 2019

Vrijlating van dienstweigeraar Herman de Man


Het wassende water van Herman de Man las ik rond mijn twintigste, zoals ik met mijn Zeeuwse familieroots alles las over water en overstromingen. De schrijver had een bijzondere naam, vond ik. Driedubbel masculien. Het bleek een pseudoniem. In werkelijkheid heette hij Salomon Herman Hamburger. Sal werd hij genoemd. Hij werd in 1898 geboren in Woerden en groeide op in Benschop en Oudewater. Zijn vader was een joodse marskramer. Vanaf zijn dertiende hielp Sal zijn vader. ’s Avonds ging hij naar de Avondtekenschool in Oudewater of leerde hij Frans en Duits. Na de scheiding van zijn ouders verhuisde Sal met zijn moeder naar Amsterdam. Daar raakte hij bevriend met Jeanne Berkhout, de dochter van Cornelis Berkhout, een geestverwant van Domela Nieuwenhuis. Hij belandde daardoor in kringen van vrijdenkers, anarchisten en pacifisten. Hij deed mee aan hun antimilitaristische propaganda, maar zorgde ervoor dat hij niet van opruien kon worden beschuldigd.

Op 17 januari 1918, in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog, moest hij zich in Leiden melden voor zijn militaire dienstplicht. Hij weigerde een uniform aan te trekken en belandde in de Leidse militaire gevangenis Gravensteen. Na een half jaar werd hij overgeplaatst naar Fort Spijkerboor, een onderdeel van de Stelling van Amsterdam. Hij had het er beter naar zijn zin dan in Leiden, omdat hij niet meer in eenzame opsluiting zat. Toch hekelde hij het gevangenisregime in een illegaal gevangeniskrantje als schrikbewind. In november werd Sal Hamburger overgeplaatst naar Scheveningen, waar hij op 18 januari 1919 (vandaag een eeuw geleden) in vrijheid werd gesteld.

In de jaren twintig en dertig bouwde Sal Hamburger als Herman de Man (pas in 1943 nam hij die naam ook officieel aan) zijn literaire oeuvre op, met Het wassende water uit 1925 als hoogtepunt. In 1925 trouwde hij met Eva Kalker. Een jaar later traden ze tot de katholieke kerk toe. Dat hielp niet om in de Tweede Wereldoorlog aan vervolging te ontkomen. Herman de Man ontkwam nog via Frankrijk naar Engeland, maar zijn vrouw en vijf van hun zeven kinderen werden in Auschwitz vermoord. Anderhalf jaar na de bevrijding kwam Herman de Man om bij een vliegtuigongeluk op Schiphol.

Erik de Graaf

In september bezocht ik Fort Spijkerboor, dat nu door Natuurmonumenten wordt beheerd. Op 1 september a.s geef ik er een lezing over gedetineerde Indonesiëweigeraars in het Fort (voor in uw agenda).

dinsdag 19 juni 2012

Jurrien Dubbelboer (1927-2012): Indonesiëweigeraar


Vorige week overleed Jurrien Dubbelboer op 85-jarige leeftijd (zie foto in Oost-Berlijn in 1953). Twaalf jaar geleden leerde ik hem kennen toen ik mannen op leeftijd interviewde, die in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog niet bereid waren om als militair aan een volgende oorlog deel te nemen. Okay, de Nederlandse landsgrenzen wilde Dubbelboer nog wel verdedigen als dienstplichtig soldaat, maar het ging hem te ver om aan de andere kant van de wereld in Nederlands-Indië tegen een onafhankelijkheidsbeweging te vechten.
In militaire dienst kreeg Dubbelboer snel door dat hij werd opgeleid om naar Indië te gaan. Op het laatste moment wist hij in 1948 aan de uitzending te ontkomen door in de sluizen van IJmuiden van het schip af te wandelen, terwijl daar honderden mensen stonden om hun dienstplichtige familieleden uit te zwaaien. Dubbelboer maakte gebruik van de chaos om niet naar de Oost te hoeven, maar terug naar Amsterdam te gaan. Daar dook hij onder bij communistische vrienden.
Tot 1952 bleef hij ondergedoken. Hij werkte voor de Communistische Partij Nederland of in de haven. Na de Indonesische onafhankelijkheid in december 1949 werd het als illegaal in Amsterdam steeds moeilijker begrip en vooral steun te krijgen. Hij voelde er niets voor zich vrijwillig bij de politie te melden en besloot naar de DDR te reizen om daar politiek asiel aan te vragen. Twee jaar leefde hij in Oost-Berlijn, zonder dat er schot kwam in zijn asielprocedure. Hij maakte veel vrienden en fotografeerde op straat in Oost-Berlijn. Om uiteindelijk teleurgesteld naar Nederland terug te keren.


De DDR leek bereid de Nederlandse communist asiel te verlenen, maar wel op voorwaarde dat de Nederlandse communistische partij schriftelijk verklaarde dat Dubbelboer zuiver op de communistische graat was. En dat wilde de CPN niet meer, nadat Dubbelboers stiefvader Albert Potze en moeder Harmanna Zoet in 1952 conflict met de partij waren gekomen. De in de jaren dertig in Moskou opgeleide stalinist Potze werd in 1953 uit de CPN gezet, ironisch genoeg omdat hij in Nederland voor de Sovjetunie zou hebben gespioneerd. De binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) had het onderzoek hiernaar wegens gebrek aan bewijs gestopt, maar de CPN had Potze uit voorzorg geroyeerd. De partijleiding was doodsbang in diskrediet te raken of zelfs verboden te worden.

Deze echte reden voor het royement bleef officieel geheim, ook voor Dubbelboer. Maar CPN-partijsecretaris Van Dillen liet wel doorschemeren, dat men in Oost-Europa waarschijnlijk anders over de reden zou denken als bekend werd dat Dubbelboers stiefvader voor Moskou had gespioneerd. De CPN wilde niets voor Dubbelboer doen, zolang hij zich niet “voor het front van de partij” openlijk van zijn stiefvader distantieerde. En dat weigerde hij.
Na twee jaar keerde Dubbelboer terug uit de DDR, omdat zijn zaak daar uitzichtloos leek. In 1954 meldde hij zich alsnog bij de politie in Amsterdam. Hij werd veroordeeld tot een milde gevangenisstraf plus “nadiening van de verzuimde militaire dienstplicht”. Eind 1954 was er eindelijk een eind gekomen aan Dubbelboers avontuur. Het kostte hem daarna grote moeite om zijn leven weer op te nemen, vooral omdat het niet lukte werk te vinden. Regelmatig was hij bijna aangenomen, maar stak de lange arm van de BVD daar op het laatste moment een stokje voor. Indonesiëweigeraar, communist met DDR-verleden. Dat was niet goed voor je toekomst. Uiteindelijk verkaste hij aan het begin van de jaren zestig naar Groningen, waar hij eindelijk een baan kreeg bij de motorenfabriek Brons in Appingedam.
Drie jaar geleden beschreef ik Dubbelboers levensverhaal in het Dagblad van het Noorden en in het Duitse tijdschrift Horch und Guck. Hij ervoer de artikelen als een erkenning van een daad uit een ver verleden, waarvoor hij verder weinig begrip had ontmoet. In mei kreeg ik een mail van een verpleger in het verzorgingshuis waar Dubbelboer was opgenomen. Hij had hem het artikel uit het Dagblad laten lezen. Vorige week, op vrijdag 15 juni, overleed Jurrien Dubbelboer in Delfzijl.
Erik de Graaf

zondag 28 november 2010

Onderduikende Indonesiëweigeraars


Jan van Luyn dook in 1946 onder in Amsterdam. Als dienstplichtig soldaat weigerde hij naar Nederlands-Indië te vertrekken om de kolonie voor Nederland te behouden. Toen zijn schip in september 1946 naar de Oost vertrok stond hij langs het water om zijn dienstmaten uit te zwaaien. Van Luyn was niet van zijn inschepingsverlof teruggekeerd, maar ondergedoken.

Vier jaar lang woonde Jan van Luyn illegaal op verschillende adressen. Overdag werkte hij zwart in de Amsterdamse haven, net als vele andere weigeraars. Pas in juni 1950, de koloniale oorlog was al een half jaar voorbij, werd Van Luyn gearresteerd. Tot zijn opluchting. In de gevangenis kon hij eindelijk trouwen met zijn meissie. Na tweeënhalf jaar gevangenschap kon hij het leven pas echt hervatten. Eind 1952.

Dit filmpje ontstond in het kader van Biografie van Amsterdam. In mijn blog schreef ik al eerder over onderduikende Indonesiëweigeraars.

Erik de Graaf

woensdag 3 november 2010

Josephus Jitta keurt Indonesiëweigeraars

Theo Toebosch schreef Uitverkoren zondebokken over de Nederlands-joodse familie Josephus Jitta. Op een of andere manier was ik altijd gefascineerd door de naam Josephus Jitta. Jaren geleden kwam ik hem tegen in het archief van de linkse advocaat en PSP-senator Hein van Wijk (1907-1981). Van Wijk was advocaat geweest van jonge mannen, die tussen 1946 en 1949 weigerden zich als soldaat naar de koloniale oorlog in Nederlands-Indië te laten verschepen.

Een tegenspeler van Hein van Wijk was prof. mr. A.C. Josephus Jitta (1887-1958), in die tijd voorzitter van de Commissie van Advies inzake Gewetensbezwaren tegen de Krijgsdienst. Die commissie moest toetsen of gewetensbezwaarden religieus en pacifistisch genoeg waren om als principieel dienstweigeraar erkend te worden.

In augustus en september 1947 reisde de professor naar Nederlands-Indië om een onderzoek in te stellen naar weigerachtige dienstplichtigen, die ondanks hun beroep op de dienstweigerwet in Indië waren terechtgekomen of pas daar een beroep op die wet hadden gedaan. In zijn rapportage, NIET VOOR PUBLICATIE BESTEMD, aan de minister van Oorlog schreef Josephus Jitta dat bij de troepen in Indië slechts 24 principiële dienstweigeraars bekend waren. Negentien overigen hadden bij aankomst in Indië blijkbaar gewoon zonder morren dienst genomen.

Die 24 dienstweigeraars waren door de Krijgsraad in Batavia wegens “desertie in tijd van oorlog” tot een milde celstraf van drie á vier maanden veroordeeld. Op voorwaarde dat ze na hun boetedoening hun militaire dienst in Indië zouden hervatten. Veertien van hen hadden na hun straf aan die voorwaarde voldaan. Met een aantal van hen sprak Jitta uitgebreid.

Opvallend is dat zij lijken te zijn veranderd van dienstweigeraars in toegewijde militairen. In zijn rapport bagatelliseert Josephus Jitta de bezwaren van de weigeraars. Ze waren niet principieel, vond hij, maar veroorzaakt door angst voor het vreemde buitenland of door heimwee naar ouders of verloofde. In hun angst hadden sommigen ze zich in Nederland laten voorlichten over de mogelijkheden om onder de dienstplicht uit te komen. Josephus Jitta adviseert de minister “een strafvervolging wegens opruiing tot desertie” tegen de Groningse advocaat S.K. de Waard in te stellen. De Waard zou enkele militairen hebben aangemoedigd onder te duiken, “waardoor van de hele zaak waarschijnlijk niets meer terecht zou komen”.

Van 43 weigeraars in Indië, in Nederland waren er véél meer, konden er naar de mening van Josephus Jitta uiteindelijk maar twee erkend worden. De doopsgezinde S. de Boer en een Zevendedagsadventist, J. Vennik. Van twee andere weigeraars, Bouke Planting en H.J. van der Woerd, waren de bezwaren volgens Josephus Jitta overwegend van politieke aard en daarom niet als gewetensbezwaren te erkennen.

Josephus Jitta besloot zijn rapportage met een persoonlijke opmerking: “Dat 80.000 Hollandse jongens uit alle steden en dorpen, van iedere stand en geloof, Indië leren kennen en waarderen en hun indrukken schrijven naar huis, is van niet te schatten betekenis”. Inmiddels wordt toch wel iets anders tegen die episode aangekeken.

Erik de Graaf

dinsdag 17 augustus 2010

Erken 17 augustus 1945

Het blijft in Nederland een moeizame discussie. Begint de onafhankelijkheid van Indonesië met de onafhankelijkheidsverklaring op 17 augustus 1945 of pas vier geweldadige oorlogsjaren later met de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949?

Van tijd tot tijd wordt een moedige poging gedaan de politieke en psychologische kluwen voorgoed te ontwarren. Voor het laatst eind december 2009, toen 22 schrijvers, historici en andere weldenkenden in NRC Handelsblad pleitten voor de definitieve erkenning van 17 augustus 1945 als begindatum van de Indonesische onafhankelijkheid..

Vandaag is (of bijna: was) het 17 augustus. De door Soekarno en Hatta uitgeroepen Republik Indonesia is 65 jaar oud, maar ik heb nog niets over gezien, gehoord of gelezen over de onafhankelijkheidsdag in Indonesië, laat staan over de erkenning van de proclamatie van 1945 als politiek feit. Blijkbaar ligt dat zo kort na de indrukwekkende herdenking van de Japanse capitulatie van eergisteren, te gevoelig.

Toch zijn de Japanse capitulatie van 15 augustus en de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus onlosmakelijk met elkaar verbonden. De discussie over erkenning van 17 augustus 1945 zou ook een eerlijk en logisch gevolg zijn op de herdenking van de slachtoffers in Indië. Zo'n eerlijkheid is Nederland ook aan zichzelf verplicht.

Op de valreep van de 17e augustus wijs ik nog een terug naar twee blogs van 23 december en 27 december 2009.

Erik de Graaf

zondag 23 mei 2010

België-Nederland voor Indonesiëweigeraars


Zondagmiddag 16 april 1950, half drie. In Antwerpen wordt afgetrapt voor de vriendschappelijke voetbalinterland België-Nederland. Op het terrein van de speciale militaire strafgevangenis Fort Spijkerboor luisteren Indonesiëweigeraars naar het radioverslag van de Derby der Lage Landen.

Het spel golft op en neer, maar het blijft lang 0-0. In de 35e minuut arriveren 100 á 150 jongeren in de leeftijd van 18 tot 25 jaar op de fiets bij Fort Spijkerboor voor een solidariteitsdemonstratie. Vanaf de dijk zwaaien ze met rode vlaggen en zingen ze strijdliederen en de Internationale. “De gedetineerden hielden zich rustig op een 2-tal Indië-deserteurs na welke terug zwaaiden”, schreef de commandant van Fort Spijkerboor een dag later aan de minister van Justitie. Hoofdbewaarder Zielstra bracht de twee naar binnen.

De communistische jongeren wilden vanaf de dijk hun solidariteit met de Indonesiëweigeraars tonen. Bovendien hadden ze levensmiddelen en sigaretten voor de gevangenen bij zich, die ze echter niet mochten overhandigen. Nadat ze hierover een protestbrief hadden geschreven en afgegeven vertrok de stoet om tien voor vier per fiets verder naar Purmerend. Op datzelfde moment, in de 65e minuut van de wedstrijd, scoorde Albert de Hert van Berchem Sport de 2-0 voor België.

De twee terugzwaaiende Indonesiëweigeraars, Nico de Pater en Wil van Kempen, werden als vermeende aanstichters van de demonstratie bestraft met eenzame opsluiting in de strafgevangenis van Utrecht, terwijl de andere weigeraars hun straf in het “milde” Bankenbosch in Veenhuizen mochten uitzitten. Het kwam Justitie waarschijnlijk goed uit de twee “lastige” gedetineerden van de grote groep te kunnen isoleren. “Beide gedetineerden geven in de gemeenschap veel last i.v.m. hun politieke overtuiging en brengen andere gedetineerden in opspraak”, aldus de commandant. De Pater en Van Kempen kwam pas in juli 1952 vrij (zie foto).

De zeventigste editie van België-Nederland eindigde op die aprildag in 1950 in 2-0. Ondanks zijn doelpunt speelde Albert de Hert niet vaak meer voor de Rode Duivels. Belangrijker was wellicht dat hij misschien in 1951 als eigenaar van een Antwerpse sandwichbar de uitvinder was van het Broodje Martino, een pittige Belgische variant van de de Filet Américain.

Erik de Graaf

zaterdag 22 mei 2010

1947: cellentekort door Indonesiëweigeraars


Duizenden dienstplichtigen verdomden het tussen 1946 en 1949 als soldaat naar Nederlands-Indië te vertrekken om tegen de Indonesische vrijheidsstrijders te vechten. Ze werden na een korte of langere onderduikperiode door de marechaussee gearresteerd en overgebracht naar een speciaal militair kampement in het Zuid-Hollandse Schoonhoven, dat de veelbetekenende naam Depot Nazending Nederlands-Indië droeg. Doel van het Depot was de weigeraars onder druk en zelfs intimidatie zover te krijgen dat ze zich alsnog “vrijwillig Indië-bereid” verklaarden. Het aantal aanvankelijke weigeraars, dat “vrijwillig of onvrijwillig” alsnog naar Indië vertrok, is vermoedelijk een veelvoud van de ruim 4000 veroordeelde volhouders.

De volhardende Indonesiëweigeraars werden voor de in Indië-desertiezaken gespecialiseerde Kamer van de Krijgsraad te Velde West in Rotterdam gebracht. Zolang er Nederlandse troepen in Indië vochten werden ze veroordeeld tot een lange gevangenisstraf. Het Openbaar Ministerie had een strafplafond van vier jaar (48 maanden) geadviseerd volgens een eenvoudige rekensom:
• Gemiddeld (verwacht) verblijf van militairen in Indië = 30 maanden
• 50% toeslag = 15 maanden
• afgerond naar boven op een heel jaar = 3 maanden

Het Openbaar Ministerie wilde voorkomen dat de weigeraars eerder in het maatschappelijk leven terugkeerden dan de militairen, die hun dienstplicht “netjes” hadden vervuld. Over het algemeen hebben de militaire rechters van de Krijgsraad zich aan dat advies gehouden. Alleen in bijzondere tijden, bijvoorbeeld ten tijde van de eerste politionele actie ging de strafmaat omhoog (evenals het aantal weigeraars overigens). Bij de troonsbestijging van koningin Juliana in september 1948kreeg een aantal weigeraars strafvermindering op voorwaarde dat ze (een deel van) hun militaire dienstplicht zouden nadienen. Na de soevereniteitsverklaring van de Republiek Indonesië in december 1949 daalden de straffen geleidelijk. Men bleef echter vervolgen zolang zich dienstweigerzaken voordeden. De laatste Indonesiëweigeraar werd in 1957 gearresteerd na een onderduikperiode van negen jaar. Hij kreeg slechts vier maanden gevangenisstraf.

Na hun veroordeling werden de Indonesiëweigeraars van Schoonhoven overgeplaatst naar gangbare, niet-militaire gevangenissen in onder andere Rotterdam, Den Haag, Haarlem en Vught. Door het grote aantal veroordeelde militairen ontstond halverwege de jaren veertig een nijpend cellentekort. In hechte samenwerking zochten de ministeries van oorlog en Justitie naar extra “opbergruimte”. In april 1947 werd daarvoor een speciale strafgevangenis voor militairen in Fort Spijkerboor in Noord-Holland geopend. Vanaf april 1948 werden de weigeraars ook in kamp Bankenbosch in het Drentse Veenhuizen ondergebracht.

Erik de Graaf

PS: wie weet wie de Indonesiëweigeraar op de foto is, die in de jaren tachtig terug naar Spijkerboor ging, mag het me laten weten!

zondag 27 december 2009

Erken ook Indonesiëweigeraars!


Erken de 17e augustus 1945 als onafhankelijkheidsdag van Indonesië! Daartoe riepen enkele dagen geleden schrijvers, historici en juristen de Nederlandse regering op. Ze betoogden twee verhaallijnen bijeen te willen brengen: het officiële geschiedverhaal met de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 én het verhaal van de tegenstanders van het toenmalige regeringsbeleid, die 17 augustus 1945 altijd al als politiek feit erkenden.

Het officiële verhaal is wijdverbreid. Toen, maar ook nu nog. Eind 1948 was ruim 60% van de Nederlanders was volgens opinieonderzoek van het NIPO voorstander van de Tweede Politionele Actie. Slechts 19% was tegenstander, tegen de stroom in. De tegenstanders erkenden de onafhankelijkheid van 1945 en spraken over het algemeen over Indonesië. Indië bestond voor hen niet meer.

De 120.000 Nederlandse soldaten, die in opdracht van de Nederlandse regering naar de Oost werden verscheept, heten tot op de dag van vandaag Indië-veteranen. De paar duizend die niet gingen heten Indonesiëweigeraars. Jarenlange gevangenisstraffen zaten ze uit, omdat ze 17 augustus 1945 toen in feite al respecteerden. Geïntimideerd werden ze, onder druk gezet om toch naar Indië te gaan. Velen heb ik gesproken, die zeiden: "ik was bereid de Nederlandse landsgrenzen te verdedigen, maar ik voelde er niets voor om in Indonesië tegen een onafhankelijkheidsbeweging te vechten. Of, zoals Jurrien Dubbelboer onlangs in een interview met mij in het Dagblad van het Noorden zei: "Na de bevrijding waren we in Nederland dolblij met onze heroverde vrijheid. (...) Ik kon me voorstellen dat de Indonesiërs ook eindelijk vrij en onafhankelijk wilden zijn".

Voor de erkenning van het verhaal van de tegenstanders is een eerlijke discussie noodzakelijk met keiharde waarheden. Bijvoorbeeld de erkenning door de Nederlandse regering dat de Indië-veteranen indertijd onder valse voorwendselen als dienstplichtigen een koloniale oorlog werden ingestuurd en voor niets hun levens hebben gewaagd (of zelfs gegeven). Als we die eerlijkheid hebben opgebracht is het een logisch vervolg om de duizenden weigeraars de officiële erkenning te geven waar ze al sinds een eerste reünie in 1988 vergeefs om vragen. De behoefte aan een “sorry” bestaat nog steeds. En we zijn het hen verplicht.

Erik de Graaf

woensdag 23 december 2009

Erken 17 augustus 1945 en rehabiliteer de Indonesiëweigeraars!


Regering! Erken 17 augustus 1945 als de datum van de Indonesische onafhankelijkheid!

Daartoe riepen 22 schrijvers, historici en juristen gisteren op in NRC Handelsblad.

Zestig jaar geleden, op 27 december 1949, werd de Indonesische onafhankelijkheid formeel bezegeld met de handtekening van koningin Juliana. Vier jaar eerder echter, op 17 augustus 1945, hadden Soekarno en Hatta de Republik Indonesia geproclameerd. Twee dagen na de capitulatie van Japan in de Tweede Wereldoorlog. Tot op de dag van vandaag is 17 augustus een officiële Indonesische feestdag.

De tweede en laatste zin van de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 luidde: “zaken betreffende de overdracht van de macht, enzovoort, zullen zo spoedig mogelijk en met de nodige zorg worden uitgevoerd”.
In Nederlandse ogen was Indonesië nog lang geen onafhankelijke staat, hoewel al wel het besef was gegroeid dat Indië een eigen positie moest krijgen in een soort Nederlandse Gemenebest. Eerst moest orde op zaken worden gesteld in de kolonie. Ruim 120.000 Nederlandse soldaten voerden tot eind 1949 een koloniale oorlog, die in Nederland hardnekkig politionele acties werden genoemd. Het ging tenslotte in Nederlandse ogen om een “binnenlandse kwestie”.

Nederland was in 1945 van de ene in de andere oorlog gegleden. Een belangrijke rol speelde daarin het axioma van de economische onmisbaarheid van Indië voor Nederland, maar ook de sterke overtuiging dat in Indië voor een rechtvaardige zaak werd gestreden. Alleen werd over het hoofd gezien dat het buitenland daar anders over dacht. Dat werd overduidelijk tijdens de tweede “politionele actie” in december 1948. Op 22 december 1948 kwam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor het eerst in haar bestaan in een spoedzitting bijeen. De Nederlandse militaire acties werden unaniem veroordeeld. Het waren de Verenigde Staten die daarna duidelijk maakten dat Nederland snel tot een akkoord met Indonesië moest komen om de Amerikaanse financiële Marshallhulp niet op het spel te zetten.

De koloniale oorlog van 1945 tot 1949 was een traumatische vergissing, die na zestig jaar eindelijk eens als zodanig erkend zou moeten worden. Kenmerkend is de reactie van het ministerie van Buitenlandse Zaken op de oproep van de 22: „De daadwerkelijke soevereiniteitsoverdracht was pas op 27 december 1949; Indonesië heeft de soevereiniteit toen aanvaard. Dat is een vaststaand historisch en juridisch feit dat je niet, 60 jaar na dato, kunt veranderen”.

De angst voor de gevolgen voor erkenning zit kennelijk diep, zeker twee weken nadat de overlevenden van het bloedbad in Rawagede naar de rechter zijn gestapt. Maar er is ongetwijfeld ook angst voor de Indië-veteranen en hun nabestaanden. Erkenning van 17 augustus 1945 zou ook betekenen dat die 120.000 soldaten voor niets hun levens hebben gewaagd (en gegeven). En erkenning van 17 augustus zou tenslotte ook moeten leiden tot rehabilitatie van duizenden Indonesïeweigeraars, die jarenlang achter slot en grendel gingen.

Regering! Het is de hoogste tijd voor zo’n moedige stap! Erken de 17e augustus en rehabiliteer de Indonesiëweigeraars!

Erik de Graaf

zondag 1 november 2009

Een Indonesiëweigeraar in de DDR


Jurrien Dubbelboer (inmiddels 82) liep in juli 1948 in de sluizen van IJmuiden van het schip af dat hem als soldaat naar Indië moest brengen. Kort na de Tweede Wereldoorlog vond hij het als jonge communist vanzelfsprekend om de Nederlandse landsgrenzen als dienstplichtig soldaat te verdedigen, maar hij weigerde om in Indië tegen een onafhankelijkheidsbeweging te gaan vechten. “We waren in Nederland dolblij met onze heroverde vrijheid”, vertelde hij me pas, ruim zestig jaar later. “Ik kon me voorstellen, dat de Indonesiërs ook eindelijk vrij en onafhankelijk wilden zijn”.

Tot 1952 leefde Dubbelboer illegaal in Amsterdam. Na de Indonesische onafhankelijkheid in december 1949 werd het steeds moeilijker begrip en vooral steun te krijgen. Hij voelde er niets voor zich vrijwillig bij de politie te melden en besloot naar de DDR te reizen om daar politiek asiel aan te vragen. Twee jaar leefde hij in Oost-Berlijn om uiteindelijk teleurgesteld naar Nederland terug te keren. De DDR leek bereid de Nederlandse communist asiel te verlenen, maar wel op voorwaarde dat de Nederlandse communistische partij schriftelijk verklaarde dat Dubbelboer zuiver op de communistische graat was. En dat wilde de CPN niet meer, nadat Dubbelboers stiefvader Albert Potze en moeder Harmanna Zoet in 1952 conflict met de partij waren gekomen. De in de jaren dertig in Moskou opgeleide stalinist Potze werd in 1953 uit de CPN gezet, ironisch genoeg omdat hij in Nederland voor de Sovjetunie zou hebben gespioneerd. De binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) had het onderzoek hiernaar wegens gebrek aan bewijs gestopt, maar de CPN had Potze uit voorzorg geroyeerd. De partijleiding was doodsbang in diskrediet te raken of zelfs verboden te worden. Deze echte reden voor het royement bleef officieel geheim, ook voor Dubbelboer. Maar CPN-partijsecretaris Van Dillen liet wel doorschemeren, dat men in Oost-Europa waarschijnlijk anders over de reden zou denken als bekend werd dat Dubbelboers stiefvader voor Moskou had gespioneerd. De CPN wilde echter niets voor Dubbelboer doen, zolang hij zich niet “voor het front van de partij” openlijk van zijn stiefvader distantieerde.

Na twee jaar keerde Dubbelboer terug uit de DDR, omdat zijn zaak daar uitzichtloos leek. In 1954 meldde hij zich alsnog bij de politie, kreeg hij een milde gevangenisstraf plus nadiening van de verzuimde militaire dienstplicht. Daarna kostte het hem grote moeite werk te vinden. Regelmatig was hij bijna aangenomen, maar voorkwam de lange arm van de BVD dat op het laatste moment. In de jaren zestig verhuisde hij terug naar Groningen, waar hij eindelijk een baan kreeg bij de motorenfabriek Brons in Appingedam.

Erik de Graaf

Op zaterdag 31 oktober verscheen een lang artikel, dat ik over Jurrien Dubbelboer schreef, in het Dagblad van het Noorden. Met foto’s, die hij in de jaren vijftig in Oost-Berlijn maakte. Eerder verscheen een vergelijkbaar artikel in het Duitse tijdschrift Horch und Guck.

zaterdag 17 oktober 2009

Nico de Pater: Indonesiëweigeraar

Vanaf zijn arrestatie in 1949 tot aan zijn vrijlating in 1952 zat Indonesiëweigeraar Nico de Pater in diverse gevangenissen. In een ervan stelde de gevangenisdirecteur zich aan hem voor:
“Mijn naam is Pastoor. Ik ben hier de directeur.”
“Mijn naam is De Pater”
, antwoordde Nico.
Het kostte hem bijna extra straf, omdat de directeur dacht dat hij in de maling werd genomen.

Nico kon het een kleine halve eeuw later nog met een schaterlach vertellen. Om weer snel tot de serieuze kern van de zaak terug te keren. In 1948 weigerde hij als soldaat naar Indonesië te vertrekken. Na een onderduikperiode meldde hij zich in juli 1949 vrijwillig bij de politie. Hij behoorde tot de harde kern van communistische weigeraars, die moedig en principieel bleef volharden. Ook als hij in het Depot voor Nazending in Schoonhoven onder zware intimiderende druk werd gezet om alsnog in de Oost te gaan vechten. Er werd met 15 jaar gevangenisstraf gedreigd. Zo’n honderd weigeraars vertrokken alsnog, Nico bleef slechts met enkele tientallen achter.

In november 1949 werd Nico de Pater tot drie jaar gevangenis veroordeeld. Tegen de militaire dienst had hij geen enkel bezwaar, betoogde Nico tijdens de zitting. Wel tegen de dienst in Indonesië. “Tegen fascisten had ik willen vechten. Niet tegen Indonesiërs”, kopte de CPN-krant De Waarheid in november 1949. Opvallend, want veel steun durfde de CPN de weigeraars in die tijd niet meer de geven uit angst om in het heetst van de Koude Oorlog te worden verboden.

Nico kwam eerst in Fort Spijkerboor in Noord-Holland terecht, waar tijdelijke “opvang” voor de aanzwellende stroom Indonesiëweigeraars was gerealiseerd. Na een solidariteitsdemonstratie van de communistische jongerenorganisatie ANJV op de dijk bij Spijkerboor, werden Nico en zijn kameraad Wil van Kempen als vermeende aanstichters van de demonstratie bestraft met eenzame opsluiting in de gevangenis van Utrecht, terwijl de andere weigeraars hun straf in het “milde” Bankenbosch in Veenhuizen mochten uitzitten. Later werden Nico en Wil naar Alkmaar en naar Vught overgebracht, vanwaar ze gelijktijdig werden vrijgelaten op 24 juli 1952. De Waarheid schreef later op die dag over “een ware zegetocht door het land”. In een open auto werden ze van Vught via Tilburg, Rotterdam en Den Haag naar Amsterdam vervoerd, waar ze in Hotel Krasnapolsky als helden van de CPN feestelijk werden verwelkomd.

Vele jaren later ontmoette ik Nico binnen de GroenLinkse afdeling in Eemsmond. Samen waren we fractiemedewerker. Nico stond nog steeds voor rechtvaardigheid en was voorzitter van de Cliëntenraad van Sociale Zaken. Nog even principieel, maar wel veel verzoeningsgezinder. In discussies over het koloniale verleden, ook op tv, probeerde hij een brug te slaan naar de veteranen. Waren we niet allemaal slachtoffer van Drees en Beel, of we nu wel of niet naar Indonesië zijn geweest?

Vandaag zou Nico 82 zijn geworden als hij niet tien jaar geleden, vijf dagen voor zijn 72-ste, zou zijn overleden. Kort voor zijn dood gaf hij me een stapeltje kopieën van documenten en berichten over zijn weigering.

Erik de Graaf

zaterdag 15 augustus 2009

Zie de wereld! Pak aan in Indië! Neem dienst!

Na de euforie van de bevrijding van Nederland in mei 1945 werd de blik al snel op Nederlands-Indië gericht, het laatste bezette stukje koninkrijk. Al vanaf de bevrijding van het zuiden in september 1944, maar vooral na mei 1945 deed de Nederlandse regering een dringend beroep op de jongeren zich te melden als oorlogsvrijwilliger om Nederlands-Indië van de Japanse bezetters te bevrijden.

Zie de wereld. Pak aan in Indië. Neem dienst' was de leuze op de aanplakbiljetten die door het hele land worden verspreid. Dat hielp, het enthousiasme was enorm: half juni 1945 hadden zich zo'n 120.000 vrijwilligers voor de Oost gemeld. Voordat zij konden worden opgeleid en uitgezonden capituleerde Japan op 15 augustus 1945. En twee dagen later volgde de onafhankelijkheidsverklaring van Soekarno en Hatta.

In Nederlandse ogen was Indonesië daarmee nog geen onafhankelijke staat, hoewel al wel het besef was gegroeid dat de kolonie een eigen positie in een soort Nederlandse gemenebest moest krijgen. Eerst moest echter orde op zaken worden gesteld in Indië, meende men. Eerst moest Indië worden bevrijd van de nationalisten, die door de meerderheid van de Nederlanders werden gezien als communisten en als collaborateurs met de Japanners. Daarvoor werd het KNIL (het Koninklijk Nederlands Indische Leger) zo snel mogelijk in ere hersteld en werd toch een beroep gedaan op de eerder geworven oorlogsvrijwilligers. De eerste bataljons vertrokken in oktober 1945.

De meeste oorlogsvrijwilligers hadden echter na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 geen enkele behoefte meer aan uitzending. Voor hen zat de Tweede Wereldoorlog er nu definitief op. Hun missie was overbodig geworden, vonden ze. Voor de Nederlandse regering lag dat anders: geschrokken van de onafhankelijkheidsverklaring van de Republik Indonesia wilde ze er zo snel mogelijk militairen heen sturen om de orde te herstellen. Van een geregeld Nederlandse leger was zo kort na de oorlog nog geen sprake, zodat de ovw'ers gestuurd werden. Vanaf oktober 1945 werden er 20.000 daadwerkelijk naar Indië verscheept. Die andere 100.000 bleven thuis. Voor de meesten had dat vermoedelijk geen consequenties, omdat ze in die eerste chaotische naoorlogse maanden nog geen con­tracten hadden getekend. Diegenen die dat al wel hadden gedaan kwamen voor de keuze 'gaan of weigeren' te staan.

Zo werd de legerleiding al in het najaar van 1945 met het verschijnsel desertie geconfron­teerd, zij het mondjes maat. Het ging nog om kleine aantallen. Hun gepleegde delict heette al wel desertie in tijd van oorlog, hoewel het verder officieel geen oorlog mocht heten. De marechaussee spoorde de deserteurs op en bracht hen naar een strafkamp in Muiderberg.

Erik de Graaf

woensdag 17 juni 2009

Een Indonesiëweigeraar in Oost-Berlijn

In 1948 liep hij bij de sluizen van IJmuiden brutaalweg van de boot af die hem als dienstplichtig soldaat naar Nederlands-Indië moest brengen. Drie jaar leefde hij illegaal, zwart werkend voor een bevriende elektricien of kranten verkopend voor de Communistische Partij Nederland (CPN). Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 werd het echter steeds lastiger als weigeraar begrip en steun te vinden.

Begin 1952 vertrok hij naar Oost-Berlijn, in de hoop in de communistische DDR politiek asiel te krijgen. Zijn partij had hem beloofd "via haar wegen" een goed woordje voor hem bij de zusterpartij te doen. Daar kwam niets van terecht. Twee jaar woonde hij op kosten van de DDR in een hotel in de Prenzlauer Strasse (zie foto vanuit zijn hotelkamer), vlakbij de Alexanderplatz. Hij beleefde belangrijke jaren in de opbouwfase van het land, maar ook de treurnis om de dood van Stalin in maart 1953 en de Opstand van 17 juni 1953. In het hele land werd die dag gestaakt tegen het communistische regime. Russische tanks moesten er aan te pas komen om de rust te herstellen.

Begin 1954 ging hij terug naar Nederland om verhaal te halen bij zijn partij. Waarom had de CPN niet gewoon iets van zich laten horen? Twee redenen waren er volgens partijsecretaris Carel van Dillen. Ten eerste was zijn stiefvader in conflict met de partij gekomen en zelfs geroyeerd. Zolang hij zich niet openlijk van zijn ouders distantieerde, kon de partij niets voor hem doen.
Ten tweede was er het wantrouwen ten opzichte van de DDR. Wie kon je in dat land vertrouwen? Wie vandaag aan de macht was kon morgen verdwenen zijn. De opstand van 17 juni 1953 was mislukt, maar stel dat de volgende opstand wel zou lukken en ze zouden hun briefje over een Nederlandse Indonesiëweigeraar vinden, verwoordde Van Dillen de paranoia van de CPN, “dat zou compromitterend zijn”. Nee, hij kon zich beter bij de militaire politie melden en hopen op een milde straf. En werd het toch vijf jaar gevangenis, dan zou hij er in ieder geval als een gestaalde communist uitkomen.

Het was duidelijk dat er geen steun van de CPN te verwachten viel. In de zomer van 1954 zocht hij een niet-communistische advocaat. Die depolitiseerde de Indonesiëweigering volledig en wist elke verwijzing naar de asielaanvraag in de DDR te vermijden. Drie maanden gevangenisstraf, luidde de uitspraak. Plus nadienen van de verzuimde militaire dienst.

Erik de Graaf

PS: ik schrijf momenteel een artikel over deze Indonesiëweigeraar, dat na de zomer zal verschijnen.

zaterdag 13 juni 2009

Bankenbosch

Gedetineerden en gevangenispersoneel voeren gezamenlijk actie tegen de sluiting van de Penitentiaire Inrichting Bankenbosch in 2012. De vorige ontslagronde is nog niet achter de rug en nu krijgen we dit weer, las ik vanochtend in de krant. Ontslagrondes zullen overigens meer de zorg van de cipiers dan van de boeven zijn.

Bankenbosch staat bekend als een unieke inrichting in de Drentse bossen. In een brief van de gedetineerdencommissie, die gisteren in het Dagblad van het Noorden stond, staat dat het op het eerste gezicht op een vakantiekamp lijkt, maar dat die schijn toch bedriegt. Onder strenge voorwaarden wordt op menselijke wijze aan een terugkeer in de samenleving gewerkt. “Bankenbosch geeft eigenwaarde”, stond boven de protestbrief aan staatssecretaris Albayrak.

In september 1948 werd Bankenbosch geopend om het cellentekort op te lossen, dat werd veroorzaakt door een enorme stroom aan Indonesiëweigeraars. Bankenbosch was vanaf het begin een open inrichting met bouwland, vee en werkplaatsen voor de productie van kleding, meubelen en brood. Het werk was gevarieerd en de weigeraars hadden veel mogelijkheden voor gemeenschappelijke activiteiten. Vorig jaar beschreef ik al enkele goede en en slechte herinneringen van de toenmalige bewoners van het kamp.

Het karakter van Bankenbosch is misschien niet zo veranderd, denk ik als ik de verhalen van de gedetineerden van toen en nu lees. Het uiterlijk wel, zoals te zien is op de tekening van Indonesiëweigeraar Bill Goddijn uit 1949 (hierboven) en een eigen foto van 2006 (hieronder).

Erik de Graaf

dinsdag 16 september 2008

"... ende vreest niet. Roffel is met U!" Gevangenis Bankenbosch (1948-2008)

Tussen 1946 en 1949 verscheepte Nederland zo’n 120.000 militairen naar Nederlands-Indië om door militair ingrijpen de rust en de orde in het overzeese gebiedsdeel te herstellen. In dezelfde periode was ook sprake van een dienstweigergolf in Nederland. Duizenden dienstplichtigen verdomden het naar Indië te gaan om tegen de Indonesische vrijheidsstrijders te vechten. De strijd tegen de Duitsers in eigen land lag nog te vers in het geheugen. Vierduizend Indonesiëweigeraars werden in die jaren tot fikse gevangenisstraffen veroordeeld, die ze in verschillende militaire en niet-militaire gevangenis moesten uitzitten.

Het hoge aantal dienstweigeraars zorgde voor een hoge druk op de bestaande gevangenissen. Om die te verlichten wordt op 16 september 1948 het kamp Bankenbosch bij het Drentse Veenhuizen als speciaal interneringskamp voor Indonesiëweigeraars geopend. Bankenbosch was een open inrichting met bouwland, vee en werkplaatsen voor de productie van kleding, meubelen en brood. Het werk was gevarieerd en de weigeraars hadden veel mogelijkheden voor gemeenschappelijke activiteiten.

Ondanks hun gevangenschap en veel moeilijke momenten bewaren veel Indonesiëweigeraars goede herinneringen aan hun periode in Bankenbosch. “Het was er een stuk vrijer dan in Fort Spijkerboor”, herinnerde een Zaanse weigeraar zich vijftig jaar na dato. “Je had in Bankenbosch een ontzettend goed verenigingsleven. Je had er een voetbalclub, een handbalclub, een schaakvereniging, een damvereniging, een zangvereniging, noem maar op. Wandelverenigingen hadden we er zelfs. Dan wandelden we buiten de gevangenis.” De kunstenaar Bill Goddijn maakte er prachtige tekeningen, zoals die hierboven van de poort van Bankenbosch met het cynische commentaar: "... ende vreest niet, Roffel is met U!". Roffel was de gevangenisdirecteur.

In Veenhuizen kwamen de weigeraars vaak in contact met Duitse oorlogsmisdadigers. Dat kwam keihard aan, omdat de Tweede Wereldoorlog juist een belangrijke rol speelde in de motivatie van veel weigeraars om niet naar Indië te gaan. Sommigen hadden al in de oorlog ondergedoken of gevangen gezeten wegens het ontduiken van de arbeidsdienst in Duitsland of wegens verzetsactiviteiten. Dat ze hun straf vaak in dezelfde gevangenissen moesten uitzitten als de SS'ers en hun Nederlandse handlangers was wrang. Vaak hadden de weigeraars zelfs het gevoel dat ze werden achtergesteld bij de oorlogsmisdadigers. De Groningse communist Joop van Zanten (in de jaren zeventig Gronings wethouder in het linkse college met Wallage en Max van den Berg), die in de oorlog tot aan zijn nek in de verzetsactiviteiten zat, vertelde me jaren geleden dat hij in 1950 voor een medische behandeling met een bus naar Groningen ging. “Ik moest in mijn boevenpak, de SS’ers mochten netjes in burgerkloffie”. In Groningen vroeg Van Zanten iemand zijn vrouw te halen. Ze mochten echter nauwelijks met elkaar praten, terwijl de NSB’ers ‘s middags zelf de stad in konden. Als ze om zes uur maar weer bij de bus waren.

Door het afnemende aantal Indonesiëweigeraars werd Bankenbosch op 25 juli 1951 voor die categorie delinquenten gesloten. De laatste weigeraars werden overgeplaatst naar de gevangenis in het voormalige Duitse concentratiekamp Vught. Dat was volgens veel ooggetuigen weer een stuk minder prettig dan op het Drentse land. Jarenlang heeft Bankenbosch daarna dienst gedaan als gevangenis voor alcomobilisten. De laatste jaren is het "gewoon" een zwaar bewaakte Penitentiaire Inrichting, zoals de foto hieronder toont.

Erik de Graaf

dinsdag 15 april 2008

Indonesiëweigeraars in Veenhuizen


Veenhuizen staat de laatste maanden volop in de belangstelling. Eerst door de publicatie van Het pauperparadijs van Suzanna Jansen, later toen de gemeente Noordenveld bekendmaakte een plekje op de Werelderfgoedlijst te willen voor het Drentse gevangenisdorp.

Een paar weken geleden kreeg ik het bericht dat Adriaan "Bill" Goddijn op 82-jarige leeftijd was overleden. Bill had Veenhuizen op een andere manier leren kennen, namelijk als gevangenenkamp voor Indonesiëweigeraars. Militairen die wel de eigen landsgrenzen wilden verdedigen, maar het verdomden de Nederlandse orde overzee te herstellen. Om de vele weigeraars onder te brengen werd in september 1948 het kamp Bankenbosch in gebruik genomen. Bankenbosch was een open inrichting, die behoorde tot de gevangenis in Veenhuizen. Bankenbosch had bouwland en vee en werkplaatsen voor de productie van kleding, meubelen en brood. Het werk was gevarieerd en er waren veel mogelijkheden voor gemeenschappelijke activiteiten.

Ondanks hun gevangenschap en veel moeilijke momenten bewaren veel Indonesiëweigeraars goede herinneringen aan hun periode in Bankenbosch. Er was een uitgebreid verenigingsleven. Een voetbalclub bijvoorbeeld, die zelfs uitwedstrijden speelde. En een wandelvereniging, die in de wijde omgeving wandelde. De Indonesiëweigeraars in Bankenbosch vormden één grote familie, vertelde Bill me vorig jaar nog. “De weigering heeft me 3,5 jaar van mijn leven gekost, maar het was toch geen verspilde tijd. Ik was redacteur van een eigen kampblad De Schakel, ik heb veel getekend en geschilderd en ik was regisseur van de toneelvereniging in Bankenbosch.” Bill legde het leven van Veenhuizen vast in cartoons: van plattegronden tot het avondeten. "Ende vreest niet, Roffel is met U!" Roffel was de directeur van Bankenbosch.

Bill Goddijn werd in 1950 overgeplaatst naar de koepel in Haarlem. Hij was opstandig. Daaraan had hij ook zijn bijnaam Bill te danken. "Als je mijn naam niet weet noem je me maar Bill", had hij kort na zijn aankomst in Bankenbosch een officier toegebeten. Voor zijn collega-weigeraars bleef hij sindsdien (en tot op de dag van vandaag) Bill heten. In 1951 was door de onafhankelijkheid van Indonesië de grootste stroom Indonesiëweigeraars verwerkt. Bankenbosch werd in juli van dat jaar voor die categorie delinquenten gesloten. De toen nog in Bankenbosch verblijvende weigeraars werden overgeplaatst naar de gevangenis in het voormalige Duitse concentratiekamp Vught. Er zijn steeds minder weigeraars die er nog over kunnen vertellen.

Erik de Graaf