Posts tonen met het label Marten Toonder senior. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marten Toonder senior. Alle posts tonen

zondag 8 december 2019

Vriendschap op Rottumeroog: Marten Toonder en Ties van Dijk



De vierde voogd Van Dijk had altijd een aantal arbeiders op zijn eiland. In de zomer wat meer dan in de winter, als er minder werk te doen was. In mei 1890 kwam de tienjarige Marten Toonder naar het eiland om eierzoeker te worden. De kleine Marten was onder arme omstandigheden in Warffum bij zijn grootouders opgegroeid. Nadat zijn grootvader in oktober 1886 onderweg naar zijn werk op Rottumeroog in een storm verdronk, moest Marten vaker uit werken dan naar school. In 1890 kon zijn grootmoeder hem niet langer voeden en besteedde ze hem uit aan de voogd. Aanvankelijk voor een half jaar, maar hij zou met een enkele korte onderbrekingen negen jaar op het eiland blijven. Van eierzoeker klom hij op tot schaapshoeder, koeienjongen en manusje van alles. Later werd hij schippersknecht op de Vijf Gebroeders.


Op het eiland leerde Marten Ties van Dijk kennen, de tweede zoon van de voogd. En de gedoodverfde vijfde voogd. Ties was van 1873, dus zes jaar ouder dan Marten. Aanvankelijk hadden de knecht en de kroonprins weinig contact. Na verloop van tijd kregen ze meer met elkaar te maken en leerden ze elkaar beter kennen en waarderen. Marten en Ties werkten samen op het eiland en later, toen Marten schippersknecht werd, op de Vijf Gebroeders. In 1894 waren ze drie weken in Delfzijl toen het schip van de voogd een tweejaarlijkse onderhoudsbeurt kreeg op de helling in het Damsterdiep. Er was tijd voor goede gesprekken. Marten vertelde Ties dat hij later op de grote vaart wilde. Ties liet Marten weten dat hij meer wilde dan zijn leven lang op het eiland blijven.

In het voorjaar van 1897 sloop Ties ‘s nachts naar de slaapzaal van de arbeiders. Hij maakte Marten wakker en vroeg om hem met de wagen naar het strand te brengen. Die nacht vluchtte Ties van het eiland, zonder medeweten van zijn vader. Hij bleef een paar dagen bij zijn zus in Warffum, vertrok naar Amsterdam en deed daar met succes toelatingsexamen voor de Rijkstekenacademie. Hij rondde de opleiding af, illustreerde verdienstelijk kinderboeken, werd tekenleraar en kunstenaar in Edam. Zijn vader bleef achter op Rottumeroog. In 1908 was er geen zoon om hem op te volgen. Ze waren al uitgezwermd over het land en hadden inmiddels goede banen aan de wal. Toen de vierde Van Dijk met pensioen ging werd hij opgevolgd door een Toxopeus.



Marten Toonder vertrok in 1899 van Rottumeroog. Na zijn militaire dienst monsterde hij aan als matroos op de grote vaart. Met veel talent, doorzettingsvermogen en ook geluk leerde hij op zijn drieëntwintigste lezen en schrijven. In 1905 haalde hij een Diploma Derde Stuurman in Delfzijl , waarna de wereld voor hem open ging. De eierzoeker van 1890 werd uiteindelijk kapitein op de grote vaart; de analfabeet kreeg twee zoons, die allebei schrijver werden. In 1954 bracht de gepensioneerde kapitein Toonder senior een boek uit over zijn eerste jaren op zee. Ties van Dijk las een recensie en nam contact met hem op. Na achtenvijftig jaar vonden ze elkaar weer. Ze correspondeerden en zochten elkaar op in Oegstgeest bij Toonder en in Eemnes bij Van Dijk. Samen haalden ze herinneringen op aan het eiland. Ties vertelde dat hij voor op zijn huizen in Edam en Eemnes gevelstenen had gemaakt “met een köb die op een paal neerstrijkt, en onze open grote boot met sprietzeil”. OOG INT SEYL. Het was een herinnering aan hun eiland.

Marten Toonder senior overleed in 1965 op vijfentachtigjarige leeftijd in Oegstgeest, Van Dijk twee jaar later in Eemnes, drieënnegentig jaar oud.

Erik de Graaf

PS: In 2015 publiceerde ik de biografie Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein bij Uitgeverij Passage in Groningen. Dit is een fragment uit mijn artikel over de voogdendynastie Van Dijk, dat alfgelopen week verscheen in Verhalen van de Eems-Dollardkust van de Stichting Verdronken Geschiedenis. 

dinsdag 1 januari 2019

Nieuwjaarsochtend op Rottumeroog


In het archief van Guitje Klaassen van Dijk, de voogd van Rottumeroog van 1865 tot 1908, vond ik een paar jaar geleden een ansichtkaart met zijn beste wensen voor het nieuwe jaar. Ook ik wens iedereen een voorspoedig 2019 en hoop “dat ik u nog dikwerf op den Nieuwjaarsdag mag schrijven”.

Eeuwenlang werd het Groningse eiland Rottumeroog in opdracht van rijk en provincie beheerd door de voogden van Rottum. Van 1738 tot 1908 beheerde en heerste de dynastie Van Dijk. Vier achtereenvolgende voogden uit één familie: vader – zoon – kleinzoon – achterkleinzoon. Tot er in 1908 geen opvolger meer was en de eerste Toxopeus aantrad.

Guitje van Dijk was voogd van Rottum van 1865 tot 1908, als vierde en laatste uit de familiedynastie. Met zijn gezin bewoonde hij het voogdhuis op Rottumeroog, samen met een handvol arbeiders in de winter en pakweg drie handenvol in de zomer. Het leven op het eiland was hard voor die noeste werkers. Hard werken in felle zon en striemende regen in de zomer. Harde winden, die het droge zand deden opwaaien. In de herfst en de winter werden die winden woeste stormen, die steeds opnieuw het voortbestaan van het eiland in gevaar brachten. Die stormen waren “zoo hevig dat de koppen op het water wit waayen of dat het te Rottumeroog reeds buldert in de schoorsteen”, schreef Guitje van Dijk in het schrift waarin hij de weersgesteldheden op het eiland bijna vijftig jaar minutieus bijhield.

Erger dan de harde werkdagen en het ruwe weer was het isolement van de arbeiders op het eiland. Zeker in de winter was het geen pretje om op het eiland te leven. Maand in, maand uit, zonder al te veel verzetjes. Gescheiden van de zwijgzame voogd, die met zijn gezin het betere woongedeelte van het voogdhuis bewoonde.

Een van de jaarlijkse verzetjes was op Nieuwjaarsmorgen. Traditioneel trakteerde de voogd dan op boerenjongens. Rozijnen op brandewijn. Bovendien was er voor iedereen een lange Goudse pijp. Op tafel stond een zak met een pond herenbaaitabak, waaruit iedereen vrij mocht roken. De voogd rookte normaal niet, maar maakte op nieuwjaarsdag altijd een uitzondering. Hij stopte de eerste pijp, daarna mochten zijn arbeiders toetasten. Tot aan de jongste knecht toe. De voogd vertelde op nieuwjaarsmorgen verhalen uit het familiegeheugen. Over de stormen die zijn eiland al eeuwenlang teisterden. Over gestrande schepen en verdronken zeelieden. “Tot vijf keer toe werden de glazen gevuld”, schreef de elfjarige Marten veel later over nieuwjaarsdag in 1891, “en voor mij werd de etenskamer met zijn witte muren en de rode tegelvloer steeds mooier en er kwam zelfs beweging in”. 

Erik de Graaf

PS: die elfjarige Marten was Marten Toonder, de latere vader van de striptekenaar. Zijn leven beschreef ik in "Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein" (Groningen, 2015). 

zaterdag 30 december 2017

Meestervervalser Clifford Irving


Vervalsen is niet zo'n fraaie bezigheid, maar een meestervervalser heeft wel wat in zijn mars. Vandaag werd bekend dat Clifford Irving vlak voor de kerst op 87-jarige leeftijd is overleden. Toen hij in 1968 een boek over de Hongaarse meestervervalser Elmyr de Hory schreef kwam hij op het idee om de autobiografie van Howard Hughes te schrijven. Zonder zijn medeweten. Dat ging mis.

In een ruige versie van mijn boek over Marten Toonder senior had ik een paar alinea’s aan Clifford Irving gewijd, die ik uit het uiteindelijke manuscript schrapte. Aanleiding was het hoofdstuk over Johannes Eterman, de vibrerende kunstenaar die als Terpen Tijn in de Bommelverhalen van Seniors zoon Junior onsterfelijk werd. Eterman schilderde Oude Meesters, die hij voorzien van echtheidscertificaten voor veel geld verkocht. “Geen vervalsingen”, schreef Marten Toonder junior vergoelijkend in zijn autobiografie, “maar originelen, geschilderd met verven die hij zelf gemaakt had volgens de recepten van de Ouden”.

Jan Gerhard Toonder, ook een zoon van Senior en broer van Junior, schreef in 1976 naar aanleiding van zijn ervaringen met Eterman een stuk over meestervervalsers, die hij persoonlijk had gekend. In de jaren vijftig woonde Jan Gerhard Toonder grote delen van het jaar op Ibiza. Daar leerde hij Elmyr de Hory kennen, die zelfgemaakte werken van Picasso, Matisse, Braque en Modigliani verkocht. Clifford Irving, die ook een huis op Ibiza had, vond dat wel een inspirerend verhaal en schreef in 1969 Fake! The story of Elmyr de Hori, the Greatest Forger of our time.

Het inspireerde Irving om met Richard Suskind de autobiografie van de mysterieuze Amerikaanse miljardair Howard Hughes schreef. Ze putten uit oude artikelen over het wilde leven van Hughes en de rest verzonnen ze. Een uitgever bood een miljoen dollar, nadat Irving hem op de mouw had gespeld dat Hughes aan zijn levensverhaal meewerkte. De schrijvers rekenden erop dat Hughes nooit zou reageren. De excentrieke miljardair leefde al sinds 1958 als een kluizenaar, die nergens meer op reageerde. Het bleek een misvatting. In 1972 meldde Hughes telefonisch dat hij Irving en Suskind nooit had ontmoet. Tot zijn dood in 1976 zweeg Hughes verder.

De autobiografie van Howard Hughes ging de geschiedenis in als het "beroemdste ongepubliceerde boek van de twintigste eeuw." Irving werd uiteindelijk tot tweeënhalf jaar gevangenis veroordeeld, waarvan hij er zeventien uitzat. Suskind bromde vijf maanden. In 2005 werd de zwendel van Irving verfilmd in The Hoax met Richard Gere in de hoofdrol. De film werd positief ontvangen, behalve door Irving. Hij noemde het een vervalsing van een vervalsing. 

Dat De Hory, Irving en ook eerder ook Van Meegeren tegen de lamp liepen kwam volgens Jan Gerhard Toonder doordat ze behalve intelligent en getalenteerd ook eerzuchtig en ijdel waren. Dat was volgens hem een verschil met Eterman, die als een ware Terpen Tijn “geestelijk helemaal vrij” wilde zijn en niet door materiële rijkdom overmoedig werd. Hij bleef gewoon in zijn bovenwoninkje aan de Haagse Johan van Hoornstraat wonen.

Erik de Graaf

zaterdag 29 juli 2017

Moord op de Rotterdam Zuid-Amerika Lijn


Wie is de moordenaar? Om die vraag draait het in de detective Tim MacNab zoekt kopij, die schrijver en striptekenaar Marten Toonder (1912-2005) in 1937 op vijfentwintigjarige leeftijd schreef. Pas vier jaar later verscheen het eerste avontuur van zijn beroemde stripfiguren Ollie B. Bommel en Tom Poes in De Telegraaf.

Vijf jaar geleden werd het verhaal over Tim MacNab ontdekt in Toonders archief. Tachtig jaar nadat het geschreven werd ligt het nu eindelijk in de boekwinkel. Terecht, want het is een uiterst amusant, spannend en wervelend geschreven meesterwerkje. Talloze Bommelfans mogen in hun handen knijpen dat het boekje niet al in 1937 verscheen, want dan had Toonder zich misschien zijn leven lang aan verhalen over MacNab en kapitein Sixma gewijd en waren Bommel en Tom Poes nooit geboren.

Aan boord van het stoomschip Wega, een vrachtschip tussen Europa en Zuid-Amerika met zes hutten voor passagiers, wordt een moord gepleegd. Kapitein Sixma en de Amerikaanse journalist Tim MacNab gaan op zoek naar de dader, die zich aan boord moet bevinden. Alle passagiers komen onder het vergrootglas van de speurders te liggen. Net als je denkt te weten hoe de vork in de steel zit wordt er een tweede moord gepleegd. Op weergaloze wijze zet Toonder zijn lezers voortdurend op het verkeerde been, totdat de ware dader uiteindelijk bij een tussenstop in Las Palmas aan de politie kan worden overgeleverd.

Niet voor niets speelt het verhaal zich af op een schip naar Zuid-Amerika. Toonders vader, die in 1879 in Warffum werd geboren, bevoer tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog twintig jaar lang diezelfde route als kapitein op de Rotterdam Zuid-Amerika Lijn. In 1931 nam kapitein Marten Toonder senior zijn zoon een keer mee naar Argentinië. Junior had zijn examen gehaald en overbrugde zo de tijd tot aan zijn militaire dienst. Bovendien kon hij op volle zee goed nadenken over zijn toekomstplannen. In Argentinië besloot hij om tekenaar te worden. Senior vond “poppetjes tekenen” geen beroep, maar gaf zijn zoon een jaar de tijd om te bewijzen dat hij daarvan kon leven.

Kapitein Toonder (op de foto in tropenuniform met passagiers aan dek van zijn schip) was net als zijn zoon een creatieve geest. Op zijn zeereizen bouwde hij houten scheepsmodellen op schaal en hij vergat nooit een schildersezel mee aan boord te nemen. Hij schreef gedichten, dagboeken en brieven, terwijl hij pas op zijn drieëntwintigste had leren lezen en schrijven. Uit die brieven kon de jonge Toonder zich een goed beeld vormen van het leven aan boord. In de loop van de jaren dertig breidde de rederij het aantal passagiershutten uit om tegemoet te komen aan de vraag van joodse Europeanen, die voor Hitler naar Zuid-Amerika vluchtten. “Mijn passagiers gaan in Montevideo van boord om hun leven nog wat te verlengen”, schreef de kapitein in januari 1939 in zijn dagboek.


Zonder twijfel stond kapitein Toonder senior model voor kapitein Sixma. Kalm en bedaard overziet Sixma het slagveld op de Wega, terwijl de snelle MacNab het voortouw neemt bij het recherchewerk. De Amerikaan noemt de kapitein regelmatig “cappy” of “ouwe walrus”. Het lijken vooruitwijzingen naar Toonders stripfiguren Kappie en Kapitein Wal Rus, die later eveneens op vader Toonder waren geënt. Daarmee is Tim MacNab zoekt kopij niet alleen een “onbekende parel”, zoals detectiveschrijver Tomas Ross in het voorwoord schrijft, maar ook een vingeroefening van Toonder voor de Bommelverhalen.

Erik de Graaf

Deze recensie verscheen op vrijdag 14 juli 2017 in een licht door mijzelf ingekorte versie in het Dagblad van het Noorden.

maandag 25 april 2016

Marten Toonderwandeling door Warffum


Afgelopen zaterdag hield ik een lezing over Marten Toonder senior in het Openluchtmuseum het Hoogeland in Warffum. Het was de afsluiting van de tentoonstelling over de in 1879 in Warffum geboren vader van de striptekenaar, die door creaties als Ollie B. Bommel, Tom Poes en kapitein Wal Rus beroemd werd. De tentoonstelling is nog een weekje te bezichtigen. Wacht dus niet langer met uw bezoekje.

Na afloop van de lezing wandelde ik met mijn toehoorders langs plekken uit het leven van Marten Toonder senior in zijn geboortedorp Warffum. In de haven las ik uit mijn boek voor hoe de eenentwintigjarige matroos Toonder in 1901 op een schip uit Nederlands-Indië tijdens een malaria-aanval koortsig droomde van de weg van het station in Warffum naar het huisje van zijn grootmoeder aan de Westervalge. Ook werd stilgestaan bij Toonders geboortehuis aan de Pastorieweg, bij het armenhuis van de Hervormde Kerk, waar blinde Aaltje Zaagman op de kleine Marten paste als zijn grootmoeder op het land werkte, en bij de begraafplaats, waar de graven van Toonders moeder, stiefvader en grootouders bezocht werden. 


De lezing met wandeling trok geïnteresseerden uit het hele land, van Warffum tot Leiden en Rotterdam. Onder andere twee tekenaressen uit de Toonder Studio in de jaren vijftig, die Toonder senior nog kenden van zijn commissariaat bij de Studio van zijn zoon. Ook waren een achterkleinzoon en een betachterkleindochter van Toonder senior aanwezig.

De tentoonstelling in het Openluchtmuseum in Warffum duurt nog tot en met zondag 1 mei a.s. Mijn boek Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein is uitverkocht, maar over enkele weken verschijnt een tweede druk. 

Erik de Graaf

donderdag 7 april 2016

Marten Toonder senior in Delfzijl


In 1890 verhuisde Marten Toonder (senior, omdat het om de vader van de schrijver/tekenaar gaat) naar het eiland Rottumeroog.  Zijn grootmoeder was blij dat de Voogd van Rottum hem wilde aanstellen als eierzoeker en later als schaapsjongen. Thuis in Warffum kon ze hem van armoede niet het voedsel bieden dat een tienjarige jongen nodig had.

Jaarlijks steeg Marten een stukje in de hiërarchie van het eiland. In mei 1894 werd hij derde schippersknecht op de Vijf Gebroeders, het schip van de voogd. De promotie tot schippersknecht verruimde Martens horizon. Hij zat niet meer bijna het hele jaar op het eiland, maar kwam door zijn taken op het schip vaker in Noordpolderzijl en bij zijn grootmoeder in Warffum. In 1894 moest hij als kok zelfs drie weken mee naar Delfzijl, waar het schip van de voogd een tweejaarlijkse opknapbeurt kreeg.

De tocht er naartoe was Martens eerste keer op volle zee. Onderweg droomde hij bij het passeren van grote zeilschepen dat hij zelf op zo’n schip voer. In de loop van de middag bereikte de Vijf Gebroeders de sluis van Delfzijl, waar ze door het lage water pas de volgende dag doorheen konden om de scheepswerf aan het Damsterdiep te bereiken.


Onlangs vond ik een map met tekeningen van Ties van Dijk, de zoon en beoogde opvolger van de voogd van Rottumeroog. Hij maakte de tekeningen tijdens zijn jarenlange verblijf op het eiland, totdat hij in 1897 zonder medeweten van zijn vader en met hulp van Marten van het eiland vluchtte om in Amsterdam naar de Rijks Tekenacademie te gaan. Ook Ties was die drie weken in Delfzijl. Hij maakte een unieke tekening van Delfzijl vanaf de werf op het Damsterdiep. Een paar weken geleden maakte ik een foto van hoe het er daar nu uitziet. Het is wel veranderd.

Erik de Graaf

PS: meer over de carrière van Marten leest u in mijn boek  Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein (Uitgeverij Passage, Groningen 2015). Over Ties van Dijk kunt u meer lezen in mijn artikel “Ties van Dijk. Hoe de beoogde voogd van Rottumeroog kunstenaar werd”, in Stad & Lande. Cultuurhistorisch Tijdschrift (jaargang 25, nr. 1 – 2016) pp. 18-22. 

zondag 13 december 2015

"In leven zeekapitein"- twee halen, één betalen


Klaas van der Molen uit Usquert was een van Toonders zeevaders. Zo noemde hij dat zelf. Na zijn vertrek van Rottumeroog voer Marten een poosje als matroos op de Concordia van kapitein Van der Molen over de Oostzee. Tot aan zijn militaire dienst.

Begin 1899 verkocht Van der Molen zijn schip voor goed geld aan een dorpsgenoot. Toonder meldde hij zich daarna in Den Helder bij de marine. De 49-jarige, ongehuwde, maar inmiddels gefortuneerde kapitein ging aan de wal wonen. In Warffum bij zijn zuster Hindertje in Warffum, veel later in Usquert bij zijn broer Bernard, net als hij kapitein op de kustvaart.


Toen de Vereeniging tot Bevordering van Welvaart in Warffum, een voorloper van ‘t Nut, in 1902 een zwem- en badinrichting voor de jeugd opende in een kleiafgraving bij de nieuwe spoorlijn naar Roodeschool werd Van der Molen als badmeester aangesteld. Hij had tenslotte als oud-kapitein ervaring met water. Bovendien had hij als rentenier tijd genoeg. Een aantal jaren leerde Van der Molen de Warffumer jeugd zwemmen zonder zelf ooit te water te gaan.

Door beleggingen in Duitse en Russische aandelen verloor Van der Molen na de Eerste Wereldoorlog zijn kapitaal. De laatste jaren van zijn leven keerde de armoede terug. Hij bleef nog lang bij zijn zus in Warffum wonen en verhuisde later naar Usquert. In februari 1937 overleed Klaas van der Molen op 86-jarige leeftijd. Sindsdien ligt hij op de begraafplaats van Usquert. Naast Bernard, onder identieke stenen alsof er in de jaren dertig een actie “twee halen, één betalen” gold.  Een anker met daaronder de tekst: “In leven zeekapitein”. Alleen de persoonlijke gegevens verschillen.

Erik de Graaf

Met info in Erik de Graaf, Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein (Uitgeverij Passage, Groningen 2015).

maandag 16 november 2015

16 november 1879


Op zondag 16 november  1879 werd er een kind geboren in Puma’s Kamer in de Pastorieweg in Warffum. De plaatselijke vroedvrouw Dorothea Kamminga assisteerde bij de bevalling. In het geboorteregister van de gemeente Warffum is te lezen dat de vroedvrouw twee dagen later zelf aangifte deed. Ze verklaarde op het gemeentehuis ‘dat op den zestienden der maand November des jaars duizend achthonderd negen en zeventig, des namiddags te vier uur, te Warffum, binnen deze gemeente, een kind is geboren van het mannelijk geslacht, aan hetwelk de voornaam van Marten gegeven zal worden.’ De vader was onbekend. Twee dagen na de bevalling keerde de moeder terug naar haar werkboerderij, haar zoon achterlatend bij haar ouders.

Ruim vier jaar later kreeg Marten een nieuwe achternaam doordat zijn moeder op 5 juni 1884 met Eisse Toonder uit Warffum trouwde. ‘Zo verklaarden ons de verloofden bij dezen voor het hunne te erkennen een kind van het manlijke geslacht genaamd Marten, waarvan de geboorteacte mede hierbij is overlegd.’ De geboorteakte van Marten was er voor de gelegenheid bijgehaald om de erkenning erop aan te tekenen. Uit de kantlijn van de geboorteakte uit 1879 blijkt dat dat is vergeten. Pas in oktober 1897 maakte burgemeester Bijlsma van Warffum die fout goed door persoonlijk toe te voegen dat Marten dertien jaar eerder als wettige zoon van het echtpaar was erkend. Door een oproep tot militaire dienst was gebleken dat er iets niet in de haak was.

Overigens betekende de erkenning door Eisse Toonder niet dat  Marten bij het gezin introk. Hij bleef bij zijn grootouders in Warffum wonen, terwijl de Toonders naar Stitswerd verhuisden.

Erik de Graaf

PS: lees meer hierover in Erik de Graaf, "Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein" (Uitgeverij Passage, Groningen 2015)

zondag 23 augustus 2015

Meester Roegholt in Breede


Martinus Jacobus Roegholt werd in 1849 op vierentwintigjarige leeftijd benoemd tot schoolmeester in Breede bij Warffum. De dorpsschool had op dat moment twaalf leerlingen. Meester Roegholt had een moeilijk begin. De schoolinspecteur vond het rumoerig tijdens de lessen. Hij leerde echter snel. Zes jaar later schreef de inspecteur dat meester Roegholt “een der uitmuntendsten uit mijn district” was. Dat viel op in de omgeving. Het leerlingenaantal steeg tot 62 in 1862.

Van 1885 tot 1890 bezocht Marten Toonder de school van Meester Roegholt onregelmatig. Vanaf 1887 wisselde de toen zevenjarige Marten de school af met landarbeid. Daardoor miste hij veel. Als in Breede de tafel van zeven werd geleerd trok Marten vlas. Als zijn klasgenoten leerden dat “loopen” met twee o’s werd geschreven en “hopen” met één o was Marten koeienhoeder langs de weg naar Baflo. Meester Roegholt mopperde op de boeren die Marten op hun land aan het werk zetten, maar nam de jongen als hij na maanden weer naar school kwam altijd weer apart om in ieder geval een stuk van de opgelopen achterstand in te halen.

Meester Roegholt overleed plotseling op 12 december 1894. Hij stierf in het harnas. Na een lange lesdag kreeg hij volgens de Groninger Courant van een paar dagen later last van “hevige benauwdheid”, die hem dezelfde dag nog fataal werd. De krant schreef over een groot verlies voor het dorp Breede. De meester werd naast de kerk in Breede begraven. Op een paar meter van het schoolgebouw waar hij vijfenveertig jaar les had gegeven. Het Nieuwsblad van het Noorden wijdde een kort stukje aan de stille plechtigheid. “Hij leefde om goed te doen; zijnen medemensch op allerlei wijze gelukkig te maken, was een behoefte van zijn hart geworden”, aldus een spreker op de begraafplaats van Breede.

Een paar weken na Roegholts dood besloot de gemeenteraad van Warffum de school in Breede op te heffen. In augustus 1895 stapten de laatste zeventien leerlingen over naar de openbare lagere school in de Schoolstraat in Warffum. Marten was toen inmiddels vijftien en had sinds zijn vertrek naar Rottumeroog in 1890 geen school meer van binnen gezien.

Erik de Graaf

PS: dit stuk stond eerst op mijn blog over Marten Toonder senior. Komend najaar verschijnt mijn boek over de vader van de schrijver-striptekenaar en zijn er twee exposities over zijn leven in Warffum en Breede.



dinsdag 14 juli 2015

Nieuwe blog over Marten Toonder senior


Schrijver en striptekenaar Marten Toonder (1912-2005) was de geestelijk vader van Olie B. Bommel en Tom Poes. Hij verrijkte de Nederlandse taal met uitdrukkingen als "verzin eens een list", “als je begrijpt wat ik bedoel” en “zoals mijn goede vader zei”. Hoewel Toonders wieg in Rotterdam stond zijn Toonders wortels onmiskenbaar Gronings. Zijn moeder was de dochter van peerdendokter Huizinga uit Uithuizen, terwijl zijn “goede vader” uit Warffum kwam.

Vader Marten Toonder senior (1879-1965) groeide onder zeer arme omstandigheden op in Warffum. Zijn moeder was als negentienjarige dienstbode ongewenst zwanger geworden en liet hem achter bij zijn grootouders. Zeker toen zijn opa in 1886 op het Wad verdronk zat school er niet meer voor hem in. Zijn oma maakte lange dagen als landarbeidster, terwijl de kleine Marten een paar stuivers bijdroeg door voor boeren in de buurt te werken. Op tienjarige leeftijd kwam hij als eierzoeker in vaste dienst van de voogd van Rottumeroog, waar hij zich in negen jaar opwerkte tot een gewaarde kracht.

Na zijn militaire dienst in 1899 besloot Marten Toonder senior zijn leven over een andere boeg te gooien....... (LEES ees verder op mijn nieuwe blog Marten Toonder senior - van eierzoeker tot zeekapitein. Bekijk ook de Facebookpagina over Marten Toonder senior)

Erik de Graaf

zondag 24 mei 2015

De pijp van Marten


Het wordt dof in de cabeza, het licht gaat uit”, zei Marten Toonder senior in 1965 tegen zijn jongste zoon Jan Gerhard. De dokter had hem het roken en het drinken verboden. Hij liep steeds minder goed, zijn handen waren te dik om aan zijn scheepsmodellen te knutselen of voor het opschrijven van zijn levensherinneringen. Een paar weken later kwam er om vijf uur ‘s middags een belastingambtenaar op bezoek bij de 85-jarige Senior in Oegstgeest om te vertellen dat hij een fout in zijn aangifte had gemaakt. “Nu ga ik eerst een pijp tabak opsteken”, zei hij toen de ambtenaar weg was tegen zijn huishoudster. Dat was altijd zijn manier geweest om ergernis te verdrijven.

Of hij de rook nog geproefd heeft weet niemand. “Wij hopen van wel”, schreef Jan Gerhard in 1975 in De dronken kanarie, “want dan kan hij ook zonder wrok gestorven zijn. Hij viel toen voorover en is niet meer uit zijn coma bijgekomen”.

“Doe geen moeite meer voor mij. Het is afgelopen”, zei Marten Toonder senior in mei 1965 tegen zijn oudste zoon Marten. Junior wilde zijn vader later dat jaar meeverhuizen naar Ierland, herinnerde de zoon zich in 1996 in zijn autobiografie. In de logeerkamer in Oegstgeest haalde Senior een doos met honderden of duizenden bankbiljetten achter een gordijntje vandaan. Het was het geld waarmee de zoon eerder een lening van zijn vader had afbetaald. Hij wilde het teruggeven. Junior regelde dat iemand van een bank bij zijn vader langs zou gaan om bankrekening voor hem te openen. De volgende dag kwam de man van de Boerenleenbank, maar Senior vond dat het naar de Twentse Bank moest. Toen de bankman weg was greep hij naar zijn pijp om zijn ergernis weg te blazen. Hij viel voorover en kwam niet meer uit zijn coma.


Op maandag 24 mei 1965 overleed kapitein Marten Toonder senior op 85-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Leiden. Hij was in november 1879 geboren in Warffum, waar hij in grote armoede opgroeide. Van ongeletterd op zijn tweeëntwintigste werkte hij zich op tot kapitein op de grote vaart, commissaris bij de Toonder Studio en schrijver van zijn levensherinneringen. De foto hierboven toont Senior in 1956 in het haventje van Noordpolderzijl met uitzicht op Rottumeroog. Seniors zoons Marten en Jan Gerhard beschreven de dood van hun vader net even verschillend in hun autobiografisch werk. Twee dagen na Seniors dood verscheen een kort bericht in de Nieuwe Rotterdamse Courant, de NRC.

Erik de Graaf

PS: Sinds 2012 doe ik onderzoek naar het leven van mijn dorpsgenoot Marten Toonder senior. In oktober a.s. verschijnt een boek over zijn leven. Tegelijkertijd wordt er een tentoonstelling geopend in het Openluchtmuseum Het Hoogeland in Warffum.

donderdag 21 mei 2015

Børge Ring over Toonder senior


Als striptekenaar werkte Børge Ring  voor Disney, Toonder en Spielberg.  In 1985 won hij een Oscar voor zijn animatiefilm Anna & Bella. Toch kwam hij in 1946 als muzikant naar Nederland.  Als bassist in het jazzkwartet van Svend Asmussen speelde hij een maand lang in de Amsterdamse bioscoop City Theater. Hij ontmoette er Marten Toonder, die hem uitnodigde op zijn tekenfilmafdeling te komen werken.  “Ja-uh, graag”, antwoordde Børge, “maar ik moet eerst even naar huis om het behoorlijk te leren”.

Terug in Denemarken leerde hij het vak bij Nordisk Film. In 1952 keerde hij terug naar Amsterdam om tot 1973 in de Toonder Studio’s te werken. In de jaren vijftig was de gepensioneerde kapitein Toonder senior commissaris in het bedrijf van zijn zoon. Van dichtbij maakte hij Seniors bezoekjes vanuit Oegstgeest aan Amsterdam mee. Gisteravond bezocht ik Ring in zijn verbouwde boerderij aan de Maas in het Brabantse Overlangel.

“Toonder senior was een oude man, die steeds hetzelfde verhaal herhaalde”, vertelde Ring me vriendelijk. Hij werkte met twee andere Denen op de tekenfilmafdeling. “Good day, gentlemen”, was steevast Seniors begroeting in zeemans-Engels. Vervolgens vertelde hij opnieuw het verhaal dat hij ooit als jong zeeman met een Deens meisje in een park op een bankje zat. Plotseling stond ze op en zei in het Deens: “Ik ga nu naar huis, ik ben bang voor mijn vader”.

Mooi verhaal, mooi bezoek ook aan de 94-jarige maestro Ring. Toen ik op het punt stond te vertrekken gebaarde hij me nog even naderbij te komen. “Ze zeggen weleens dat ik in interviews mensen lens praat”. Dat viel alles mee.

Erik de Graaf


PS: Børge Ring beschreef zijn leven prachtig in: "Een weergaloos leven in muziek en tekenfilm. Autobiografie” (vertaald uit het Deens; Leens, 2015)

zondag 17 mei 2015

Marten Toonder senior op de Lawoe


Op donderdag 17 mei 1900 monsterde de twintigjarige Marten Toonder (later de vader van de striptekenaar) aan als matroos op de S.S. Lawoe van de Rotterdamse Lloyd. Het was pure mazzel dat hij door zo’n gerenommeerde rederij werd aangenomen. In zijn Groningse pension aan Schiedamsedijk in Rotterdam hadden ze niet veel vertrouwen in zijn plan om naar de Lloyd te solliciteren. “Da’s ja veel te deftig, man”, zei de kastelein. “Daar nemen ze ons soort niet”.

Onderweg naar de Lloyd vroeg Marten zich af of hij toch niet te overmoedig was. Hij was in feite nog steeds de “Groningse boerenpummel”, vond hij, die nog maar een paar maanden eerder van Warffum naar Rotterdam was getrokken om werk te vinden op de grote vaart.

“Hé daar!”
Toen Marten Toonder het terrein van de Rotterdamse Lloyd betrad hoorde hij een bekende, rauwe stem bulderen. Het herinnerde hem onmiddellijk aan het “Ingerukt – márrrs!” van bij de marine. Het was de stem van opperschipper Broeier, die een jaar eerder een flinke bijdrage leverde aan het trauma dat hij aan zijn militaire diensttijd had overgehouden. De schipper wiens commandogebulk hem in tot zijn nachtmerries achtervolgde was nu portier bij de Rotterdamse Lloyd.

“Jawel, schipper”, antwoordde Marten.
En op Broeiers verbaasde vraag of ze elkaar dan kenden zei hij:
“Milicien Toonder, stamboeknummer 614, lichting negenennegentig, schipper”.

De schipper had niet aan zijn pensioen kunnen wennen, vertelde hij, maar had gelukkig als portier bij de Lloyd kunnen beginnen. “Lui van de marine stonden hier goed aangeschreven”, zei hij. De nietsontziende houwdegen van een jaar eerder leek ineens blij om de ex-milicien weer te zien. Toonder vroeg of hij een kansje maakte bij de Lloyd. Even later kreeg hij op voorspraak van opperschipper Broeier een baan als matroos op de S.S. Lawoe voor een reis naar Nederlands-Indië. Voor tweeëndertig gulden in de maand. Twee dagen later was het vertrek.

De reis werd bepalend voor Toonders verdere leven. Zijn nieuwe eeuw was begonnen. 

Erik de Graaf

zaterdag 25 april 2015

Wie is de koning?


Allergisch snotterde ik vanochtend door negentiende en vroeg-twintigste eeuws stof. Ik werkte me een weg door de schriften van Klaas Guitje en zijn zoon Guitje Klaassen van Dijk, twee opeenvolgende voogden van Rottumeroog en Rottumerplaat tussen 1834 en 1908. Aanteekeningen over het planten van helmgras, over de standvonderij, over het houden van schapen op het eiland en over vele zaken meer.

In een niet gecatalogiseerde doos vond ik een stapel schoolschriften van de kinderen van de laatste voogd Van Dijk. Het Algebraschrift van Klaas (geboren in 1870), het meetkundeschrift van Evert (*1879), over de Duitsche Litteratur van Auke (* 1885) en een hele stapel meer. Allemaal aangeschaft bij boekhandel J. Kat in Warffum.
               
In het Schoonschrift van Gesina van Dijk (*1898), de dochter uit de tweede leg van Guitje Klaassen, las ik brieven, opstellen, twee coupletten uit het Wilhelmus en keurig netjes overgeschreven volksverhalen en gedichten. Steeds één pagina lang, dus meestal zonder eind. Zo ook het in prachtig regelmatig handschrift overgeschreven Wie is de koning?:

Toen koning Frits, in burgerdracht,
Eens met zijn grooten ging ter jacht,
Was hij een eind vooruitgegaan,
En trof een snugg’ren landman aan –
Verbeeld je!

“Mijnheer!” - zoo sprak deze – “wees zoo goed,
En zeg mij wie van gindschen stoet
Is koning Frits? U kent misschien
Den vorst; - ik zou hem graag eens zien”-
Wel zeker!

“Dat kan geschieden, goede man”,
Was Frederiks antwoord. “Volg mij dan.
Wij gaan erheen, dan merkt gij wis.
Al spoedig wie de koning is”.
Natuurlijk!

Je kent toch wel de vaste wet,
Dat iedereen den hoed afzet
In ’s Vorsten tegenwoordigheid,
Uit eerbied voor zijn Majesteit?” -
Wel zeker!

Hier blijft de kopieerpoging van rond 1910 onvoltooid. De clou hield Gesina van Dijk voor zichzelf in haar Schoonschrift. Het was tenslotte een schrijfoefening. In de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut vind ik het slot van het gedicht. Het blijkt een mop uit de anekdotentraditie over de Pruisische koning Friedrich II, der alte Fritz, uit de achttiende eeuw. Samen met de boer wandelde Frits terug naar de jagerstoet. Behalve Frits nam iedereen zijn hoed af. De boer wist niet waar hij kijken moest. De laatste niet door Gesina opgeschreven regels luiden: 

Als Frits zich tot de boer nu wendt en vraagt of
Hij de vorst al kent, is het antwoord 
Van de snuggere Hein: 
Een van ons beiden moet het zijn!

Erik de Graaf

donderdag 1 januari 2015

Nieuwjaarsochtend op Rottumeroog


In het archief van Guitje Klaassen van Dijk, de voogd van Rottumeroog van 1865 tot 1908, vond ik pas een ansichtkaart met zijn beste wensen voor het nieuwe jaar. Ook ik wens iedereen een voorspoedig 2015 en hoop “dat ik u nog dikwerf op den Nieuwjaarsdag mag schrijven”.

Eeuwenlang werd het Groningse eiland Rottumeroog in opdracht van rijk en provincie beheerd door de voogden van Rottum. Van 1738 tot 1908 beheerde en heerste de dynastie Van Dijk. Vier achtereenvolgende voogden uit één familie: vader – zoon – kleinzoon – achterkleinzoon. Tot er in 1908 geen opvolger meer was en de eerste Toxopeus aantrad.

Guitje van Dijk was voogd van Rottum van 1865 tot 1908, als vierde en laatste uit de familiedynastie. Met zijn gezin bewoonde hij het voogdhuis op Rottumeroog, samen met een handvol arbeiders in de winter en pakweg drie handenvol in de zomer. Het leven op het eiland was hard voor die noeste werkers. Hard werken in felle zon en striemende regen in de zomer. Harde winden, die het droge zand deden opwaaien. In de herfst en de winter werden die winden woeste stormen, die steeds opnieuw het voortbestaan van het eiland in gevaar brachten. Die stormen waren “zoo hevig dat de koppen op het water wit waayen of dat het te Rottumeroog reeds buldert in de schoorsteen”, schreef Guitje van Dijk in het schrift waarin hij de weersgesteldheden op het eiland bijna vijftig jaar minutieus bijhield.

Erger dan de harde werkdagen en het ruwe weer was het isolement van de arbeiders op het eiland. Zeker in de winter was het geen pretje om op het eiland te leven. Maand in, maand uit, zonder al te veel verzetjes. Gescheiden van de zwijgzame voogd, die met zijn gezin het betere woongedeelte van het voogdhuis bewoonde.

Een van de jaarlijkse verzetjes was op nieuwjaarsmorgen. Traditioneel trakteerde de voogd dan op boerenjongens. Rozijnen op brandewijn. Bovendien was er voor iedereen een lange Goudse pijp. Op tafel stond een zak met een pond herenbaaitabak, waaruit iedereen vrij mocht roken. De voogd rookte normaal niet, maar maakte op nieuwjaarsdag altijd een uitzondering. Hij stopte de eerste pijp, daarna mochten zijn arbeiders toetasten. Tot aan de jongste knecht toe. De voogd vertelde op nieuwjaarsmorgen verhalen uit het familiegeheugen. Over de stormen die zijn eiland al eeuwenlang teisterden. Over gestrande schepen en verdronken zeelieden. “Tot vijf keer toe werden de glazen gevuld”, schreef de kleine Marten veel later over nieuwjaarsdag in 1891, “en voor mij werd de etenskamer met zijn witte muren en de rode tegelvloer steeds mooier en er kwam zelfs beweging in”.

De kleine Marten uit Warffum was toen net elf jaar oud. Hij werkte sinds mei 1890 als eierzoeker en schapenjong voor de voogd. Uit pure armoede, omdat zijn grootmoeder geen eten meer voor hem had. Pas in 1899 verliet hij het eiland voor de militaire dienst. Daarna monsterde hij in Rotterdam aan als matroos op de grote vaart. Van vrijwel analfabeet op zijn twintigste werkte hij zich op tot kapitein op de grote vaart.

Erik de Graaf