Posts tonen met het label Schaatsen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Schaatsen. Alle posts tonen

maandag 17 februari 2014

KDK, de schaatsende kuiper uit Menkeweer


Nog vier gouden Olympische medailles en de schaatswinter is voorbij. Een winter zonder krachtige slagen over het natuurijs van de Warffumermaar richting Onderdendam. Toen ik het traject twee weken geleden fietste bij negen graden Celsius en een stralend februarizonnetje kwam ik een eenzame schaatser tegen. Niet in levende lijve, maar onder zijn steen op het kerkhof van Menkeweer.

Menkeweer ligt een paar honderd meter boven Onderdendam op de weg naar Warffum. De wierde ontstond rond het begin van de jaartelling toen de eerste bewoners van het gebied droge voeten wilden. Voor het jaar 1000 waren er nog geen zeedijken en stroomde Noord-Groningen regelmatig onder water. In de Middeleeuwen werd een kerk op de wierde gebouwd. Ernaast kwamen later een weem (een pastorie annex boerderij) en een klokkenstoel (een houten stellage waarin de klok werd opgehangen). Menkeweer bleef altijd een gehucht. Op het hoogtepunt behoorden er ongeveer twintig huizen toe, die in een ruime baan rond de wierde stonden.


De kerk van Menkeweer is in 1828 afgebroken, de weem is nu alleen boerderij. Op het kerkhof werd in 1903 voor het laatst iemand begraven. De overledenen rusten voort. Adriaan Jan van Roijen (1800-1874) ligt er voornaam bij. Hij stamde uit een burgemeestersfamilie, was zelf jurist en was vanaf 1856 zes jaar Eerste Kamerlid. Kantonrechter Anthonius Beckeringh ligt er eveneens warmpjes bij. Daarachter, iets verder van het centrum van het kerkhof, ligt de kuiper en wagenmaker Kornelis Derks Kuiper (1737-1827). Op zijn grafsteen staat een kuip of ton afgebeeld. Dat was tenslotte waaraan hij zijn leven had gewijd.


Maar KDK was ook een schaatser, die nog op zijn negentigste de Provinciale Groninger Courant haalde door van Onderdendam naar Bedum te schaatsen. “Bedum den 11 Januarij”, berichtte de Courant, “Hedennamiddag is van Onderdendam alhier schaatsenrijdend aangekomen Kornelis Derks Kuiper, kuiper van beroep, te Onderdendam woonachtig, oud 90 jaren en 4 dagen”. Anderhalve maand later overleed de bejaarde schaatser. Hij rust op een fantastisch plekje.

Erik de Graaf

PS: onder het label Schaatsen vindt u meer schaatsverhalen.

donderdag 16 januari 2014

Georg Heym en zijn schaatsdood op de Wannsee


Op 17 januari 1912 schreef de Berliner Zeitung dat de 24-jarige Georg Heym, zoon van de voormalige militaire advocaat Heym uit de Königsweg in Berlijn-Charlottenburg, en de 25-jarige bankierszoon Ernst Balcke bij het schaatsen op de Wannsee waren verdronken. Twee dagen later werden de lijken geborgen en opgebaard op de "zelfmoordenaarbegraafplaats" in Berlijn-Grunewald. Zijn graf kreeg hij later toch in Charlottenburg.

Balcke zou op de schaatstocht over de Wannsee op 16 januari 1912 door het ijs zijn gezakt. Heym zou geprobeerd hebben hem te redden. Georg Heym was nog maar 24 jaar en gold bij zijn dood als veelbelovend dichter en jaren later als "poëtisch hoogtepunt" van het literaire expressionisme. Voorloper en hoogtepunt, want de bloei van zijn stroming maakte hij niet meer mee. Bijna acht jaar na Heyms dood nam Kurt Pinthus dertien van zijn gedichten op in de expressionistische gedichtenverzameling Menschheitsdämmerung. Heym was een van de zes dichters, die de publicatie van de bloemlezing al niet meer meemaakten. Vier anderen sneuvelden in de Eerste Wereldoorlog.

Heym maakte dus ook de Eerste Wereldoorlog niet mee, maar in zijn bijna apocalyptische gedichten lijkt het alsof hij alle ellende voorvoelde. Zwaarmoedigheid, levensangst en de waanzin van de metropolen voeren de boventoon in gedichten als Die Dämonen der Städte, Die Heimat der Toten en Der Krieg. Geen gezellige kost. Maar 102 jaar geleden heeft hij tenminste nog een lekker stuk geschaatst.

Erik de Graaf

PS: in 2014 besteed ik maandelijks aandacht aan twee van de 23 dichters uit Menschheitsdämmerung.

maandag 18 januari 2010

Heya Keessie - eindelijk een handtekening

Na bijna veertig jaar heb ik eindelijk een handtekening van Kees Verkerk. Vanaf 1970 woonde ik in Vlaardingen een paar jaar naast de Noorse superstayer Fred Anton Maier. In de Vossiusstraat. Hij op nummer 20, ik ernaast op 22. Hij werkte als sportleraar op het Noorse zeemanscentrum in Rotterdam. Voor mij als jongen van een jaar of veertien was dat een sensatie, vooral als hij een enkele keer in de winter zijn schaatsen onderbond. Vorig jaar heb ik daar een stukje over geschreven.

Lang heb ik de zomerse dag in 1971 of 1972 vervloekt dat ik naar school was gegaan. Achteraf had ik veel liever een keer gespijbeld. Toen ik aan het eind van de middag thuiskwam vertelde mijn vader dat er beroemde schaatsers bij onze buren op bezoek waren geweest. Een deel van de Noorse schaatsploeg. Dag Fornaes, Sten Stensen en nog een paar. Ook Kees Verkerk was van de partij geweest. Hij had zijn Mercedes voor onze garagedeur gezet, waardoor mijn vader niet weg kon. Hij vertelde me dat hij een poosje met hem had staan praten. Zonder een handtekening voor zijn oudste zoon te vragen. Hoe was het mogelijk? Ik heb dat lang heel erg gevonden.

Twee weken geleden stuurde ik een mailtje naar de Noorse camping van Kees Verkerk. Ik vroeg hem of hij zich nog iets kon herinneren van dat bezoek aan Fred Anton Maier in Vlaardingen. Ik vroeg hem verder of hij me aan het adres van mijn oude buurman kon helpen. Ik zou hem graag wat vragen stellen over zijn periode in Vlaardingen.

Vanmiddag trotseerde de postbode de laatste gladheid (dat leek me symbolisch!) om Verkerks antwoord te bezorgen. In een enveloppe zat een ansichtkaart van zijn Noorse camping. “Groeten van”, schreef hij op de voorkant. Met een originele handtekening. Ik spaar ze niet meer zo dan toen ik 14 was, maar toch…. Hartstikke leuk. Op de achterkant stond het telefoonnummer van mijn oude buurman Fred Anton Maier. Ik zal hem binnenkort eens bellen.

Erik de Graaf

zondag 3 januari 2010

IJsmoppen in de hongerwinter

Zeeuwse bloem, basterdsuiker, margarine, kaneel en anijs. Het zijn de ingrediënten van de Vlaardingse ijsmoppen, keiharde koekjes die al sinds halverwege de 19e eeuw ’s winters de trofee vormden voor alle schaatsers, die over de vaart naar Vlaardingen waren geschaatst.

Stadsgeneesheer Van Meegen beschreef al in 1872 dat schaatsers met ijsmoppen terug naar Gouda reden. Vanuit Gouda en het Westland was Vlaardingen een geliefd schaatsdoel. Op de Hoogstraat kochten de winterse sporters dan een zakje ijsmoppen bij de plaatselijke bakker. Die bakker van de Hoogstraat heeft die traditie onlangs in een prachtig plaatjesboek ondergebracht.

886 ijsmoppendagen waren er sinds 1902, althans volgens een ruwe schatting van bakker Hazenberg. Vijf dagen in 1902, drie in 1908, maar liefst 60 in 1909 en 62 in 1912. Daarna zijn het er nooit meer zoveel geweest in één jaar. Alleen de strenge winter van 1963 kwam nog in de buurt.

Het ijsmoppenboek tekent vele prachtige anekdotes op. De winter van 1944 op 1945 was bijvoorbeeld een strenge. De vorst zette kort voor de kerst in en duurde tot eind januari 1945. Het was hongerwinter. Er kwamen weinig schaatsers voor ijsmoppen bij de bakker op de Hoogstraat. Toch noemt het boek acht vriendinnen uit Poeldijk, die in januari 1945 op de schaats om ijsmoppen kwamen. In het boek staat een prachtige foto van de dames in wintersjas en rok. De houten schaatsen in de hand. Klaar voor de terugweg.

De laatste keer dat ik zelf over de Vlaardingse Vaart schaatste moet in 1981 zijn geweest. Op woensdag 17 december haalden ruim 2000 schaatsers ijsmoppen op, documenteert bakker Hazenberg. Ze waren lekker.

Erik de Graaf

zondag 20 december 2009

De eerzame schaatser

Op 1 februari 1787 overleed de Klaas Jans uit Midhuizen onder Vierhuizen aan de oevers van de Lauwerszee. Hij was 28 jaar, vijf maanden en twee dagen oud. Klaas Jans liet een vrouw en een zoontje na. Hij werd begraven op het kerkhof van Vierhuizen.

Eind januari 1787 had Klaas Jans weer zoveel last van zijn hem al jaren kwellende breuk dat hij besloot op de schaats over het Reitdiep naar de “breukenmeester” in Groningen te rijden. De arts kon hem niet helpen. Klaas Jans schaatste terug naar Midhuizen, maar kwam koud, nat en afgepeigerd thuis bij zijn “geliefde vrouw en kroost”. Ziek ging hij vroeg naar bed, vermoedelijk met hoge koorts. Twee artsen uit de buurt konden hem niet meer helpen. Op 1 februari 1787 overleed de “eersame”schaatser thuis in zijn bed. Zijn liggende grafsteen “ter gedagtenis van de eersaame Klaas Jans” vertelt het verhaal van zijn dood:

“Toen ik nog was, zeid men van mij,
Geen sterker mensch ziet men als gij,
’t Was waarlijk soo maar merkt dat god,
Mij deed ontmoeten tot mijn lot,
Daar ‘k ’s morgens van mijn vrouw en kind,
Hoe sterk geliefd en teer bemind,
Mijn afscheid nam op schaatsen reed,
Na gruno’s stad, daar nu nieuw leed.
Mij nu weer trof doordien een breuk
Mij jaaren lank veel smart en kreuk
Heeft angebracht, vermeesterd mij,
In deeze stand waarom ik vrij,
Bij een breukmeester mij begaf,
Maar juist die man had op de pas,
Geen baat, zoodat ik doe
Mij dus beried om naar huis toe
Op schaatsen weer te rijden wou.
In zulk een stand is waare rouw
Die hyr op viel, ik kwam zoo thuis
Doornat gesweet van pijn en kruis
Bij mijn geliefde vrouw en kroost.
Direkt na ’t bed, ‘k was afgeslooft.
Terstond gehaald twee ars om raad
Vlijt angewend, maar ’t was te laad.
Want ziet, geen kruid voor mij zij kenden
Moest ik den derden dag ten enden
Mijn leeftijd zijn, dus ben ik net
Ten tijnde dag in ’t graf gezet.
Vanwaar ik weer verijsen zal
Vaarwel geliefde, looft God al.”

En nu maar wachten op het "verijsen", wat me wel toepasselijk lijkt voor een schaatser.

Erik de Graaf

woensdag 7 januari 2009

Fred Anton Maier

Vanaf 1970 had ik een paar jaar een beroemde buurman. Na een imposante schaatsloopbaan werkte de Noorse stayer een paar jaar als sportinstructeur bij het Noorse zeemanscentrum in de Rotterdamse haven.

Wonen deed hij met zijn gezin aan de rand van Vlaardingen, in de Vossiusstraat. Hij op nummer 20, ik ernaast op 22. Zijn zoon Sven leerde ons Noorse woorden, waarvan vooral de ‘hestebes’ (of iets dergelijks) altijd is blijven hangen. Paardenpoep was de Nederlandse vertaling. Daar had ik iets aan op latere reizen door Noorwegen.

Eén scene uit de winter van 1971 zal ik nooit vergeten. Het was ijzig koud. Met mijn schoolvrienden schaatste ik al dagen over de sloten in onze nieuwbouwwijk. In wedstrijdjes waren we Kees Verkerk, Ard Schenk of Jan Bols en we dachten dat we knalhard schaatsten. Tot het moment dat buurman Fred Anton zijn noren onderbond.

Er ging een zindering over het ijs. De Europees, wereld- en Olympisch kampioen van 1968 op een Vlaardingse sloot. Tientallen kinderen dromden rond de plek waar de schaatscrack zijn schaatsveters strikte. Eenmaal op het ijs wilden de gedroomde Ard & Keessies achter de echte Fred Anton aan, maar die sloeg onmiddellijk met speels gemak en imposante, krachtige slag een onoverbrugbaar gat met zijn achtervolgers. Nee, we waren nog lang geen schaatskampioenen in de dop. Sterker, we hadden misschien helemaal geen talent.

Erik de Graaf