zondag 23 augustus 2015

Meester Roegholt in Breede


Martinus Jacobus Roegholt werd in 1849 op vierentwintigjarige leeftijd benoemd tot schoolmeester in Breede bij Warffum. De dorpsschool had op dat moment twaalf leerlingen. Meester Roegholt had een moeilijk begin. De schoolinspecteur vond het rumoerig tijdens de lessen. Hij leerde echter snel. Zes jaar later schreef de inspecteur dat meester Roegholt “een der uitmuntendsten uit mijn district” was. Dat viel op in de omgeving. Het leerlingenaantal steeg tot 62 in 1862.

Van 1885 tot 1890 bezocht Marten Toonder de school van Meester Roegholt onregelmatig. Vanaf 1887 wisselde de toen zevenjarige Marten de school af met landarbeid. Daardoor miste hij veel. Als in Breede de tafel van zeven werd geleerd trok Marten vlas. Als zijn klasgenoten leerden dat “loopen” met twee o’s werd geschreven en “hopen” met één o was Marten koeienhoeder langs de weg naar Baflo. Meester Roegholt mopperde op de boeren die Marten op hun land aan het werk zetten, maar nam de jongen als hij na maanden weer naar school kwam altijd weer apart om in ieder geval een stuk van de opgelopen achterstand in te halen.

Meester Roegholt overleed plotseling op 12 december 1894. Hij stierf in het harnas. Na een lange lesdag kreeg hij volgens de Groninger Courant van een paar dagen later last van “hevige benauwdheid”, die hem dezelfde dag nog fataal werd. De krant schreef over een groot verlies voor het dorp Breede. De meester werd naast de kerk in Breede begraven. Op een paar meter van het schoolgebouw waar hij vijfenveertig jaar les had gegeven. Het Nieuwsblad van het Noorden wijdde een kort stukje aan de stille plechtigheid. “Hij leefde om goed te doen; zijnen medemensch op allerlei wijze gelukkig te maken, was een behoefte van zijn hart geworden”, aldus een spreker op de begraafplaats van Breede.

Een paar weken na Roegholts dood besloot de gemeenteraad van Warffum de school in Breede op te heffen. In augustus 1895 stapten de laatste zeventien leerlingen over naar de openbare lagere school in de Schoolstraat in Warffum. Marten was toen inmiddels vijftien en had sinds zijn vertrek naar Rottumeroog in 1890 geen school meer van binnen gezien.

Erik de Graaf

PS: dit stuk stond eerst op mijn blog over Marten Toonder senior. Komend najaar verschijnt mijn boek over de vader van de schrijver-striptekenaar en zijn er twee exposities over zijn leven in Warffum en Breede.



dinsdag 14 juli 2015

Nieuwe blog over Marten Toonder senior


Schrijver en striptekenaar Marten Toonder (1912-2005) was de geestelijk vader van Olie B. Bommel en Tom Poes. Hij verrijkte de Nederlandse taal met uitdrukkingen als "verzin eens een list", “als je begrijpt wat ik bedoel” en “zoals mijn goede vader zei”. Hoewel Toonders wieg in Rotterdam stond zijn Toonders wortels onmiskenbaar Gronings. Zijn moeder was de dochter van peerdendokter Huizinga uit Uithuizen, terwijl zijn “goede vader” uit Warffum kwam.

Vader Marten Toonder senior (1879-1965) groeide onder zeer arme omstandigheden op in Warffum. Zijn moeder was als negentienjarige dienstbode ongewenst zwanger geworden en liet hem achter bij zijn grootouders. Zeker toen zijn opa in 1886 op het Wad verdronk zat school er niet meer voor hem in. Zijn oma maakte lange dagen als landarbeidster, terwijl de kleine Marten een paar stuivers bijdroeg door voor boeren in de buurt te werken. Op tienjarige leeftijd kwam hij als eierzoeker in vaste dienst van de voogd van Rottumeroog, waar hij zich in negen jaar opwerkte tot een gewaarde kracht.

Na zijn militaire dienst in 1899 besloot Marten Toonder senior zijn leven over een andere boeg te gooien....... (LEES ees verder op mijn nieuwe blog Marten Toonder senior - van eierzoeker tot zeekapitein. Bekijk ook de Facebookpagina over Marten Toonder senior)

Erik de Graaf

woensdag 10 juni 2015

Fred Anton Maier (1938-2015) - schaatsheld

Gisteren overleed schaatsheld Fred Anton Maier. In de winter van 1971 probeerde ik op een Vlaardingse sloot aan te klampen. Tevergeefs. Hieronder een verslag uit 2009:

Vanaf 1970 had ik een paar jaar een beroemde buurman. Na een imposante schaatsloopbaan werkte de Noorse stayer een paar jaar als sportinstructeur bij het Noorse zeemanscentrum in de Rotterdamse haven.

Wonen deed hij met zijn gezin aan de rand van Vlaardingen, in de Vossiusstraat. Hij op nummer 20, ik ernaast op 22. Zijn zoon Sven leerde ons Noorse woorden, waarvan vooral de ‘hestebes’ (of iets dergelijks) altijd is blijven hangen. Paardenpoep was de Nederlandse vertaling. Daar had ik iets aan op latere reizen door Noorwegen.

Eén scene uit de winter van 1971 zal ik nooit vergeten. Het was ijzig koud. Met mijn schoolvrienden schaatste ik al dagen over de sloten in onze nieuwbouwwijk. In wedstrijdjes waren we Kees Verkerk, Ard Schenk of Jan Bols en we dachten dat we knalhard schaatsten. Tot het moment dat buurman Fred Anton zijn noren onderbond.

Er ging een zindering over het ijs. De Europees, wereld- en Olympisch kampioen van 1968 op een Vlaardingse sloot. Tientallen kinderen dromden rond de plek waar de schaatscrack zijn schaatsveters strikte. Eenmaal op het ijs wilden de gedroomde Ard & Keessies achter de echte Fred Anton aan, maar die sloeg onmiddellijk met speels gemak en imposante, krachtige slag een onoverbrugbaar gat met zijn achtervolgers. Nee, we waren nog lang geen schaatskampioenen in de dop. Sterker, we hadden misschien helemaal geen talent.

Erik de Graaf

dinsdag 9 juni 2015

Herta Müller en Oskar Pastior


Welke vier boeken zou u meenemen als u in een koude winternacht zou worden opgehaald voor een lang, onvrijwillig verblijf in een werkkamp of een gevangenis? Van mij vergt die vraag eerlijk gezegd te veel inlevingsvermogen.

Het overkwam de Duits-Roemeense dichter Oskar Pastior wel. In januari 1945 moest hij zijn koffer pakken, omdat hij als zeventienjarige jongen op de lijst van de Russen stond om naar een werkkamp in Stalins Sovjetunie gestuurd te worden. Als Roemeen van Duitse komaf moest hij voor “herstelbetaling” zorgen.

Onderin een oude grammofoonkist legde hij de Faust van Goethe, de Zarathustra van Nietzsche, een dunne dichtbundel van de Oostenrijkse Heimatdichter (maar ook nazi-poëet) Joseph Weinheber en een bloemlezing met gedichten uit acht eeuwen. “Geen romans, want die lees je een keer en dan nooit weer”. Bovenop de vier boeken kwam allerlei noodzakelijk gerei: van scheerkwast tot nagelschaar.

De beschrijving komt niet direct van Oskar Pastior. Ze staat in de roman Atemschaukel van Herta Müller, de Nobelprijswinnar van 2009. Dat boek is zwaar gebaseerd op Pastiors levensverhaal. In lange gesprekken vertelde hij Müller over de kou, de angst, de pijn, de honger en alle andere ellende in het werkkamp, waarin hij vijf jaar werd afgebeuld. En over zijn verborgen homosexualiteit, die hem de kop zou hebben gekost als ze bekend zou zijn geworden. Hij vertelde haar alles.

Nou ja, bijna alles. Vorig jaar, vier jaar na zijn dood in 2006, werd ontdekt dat Pastior onder de schuilnaam “Otto Stein” van 1961 tot 1968 informant voor de Roemeense geheime dienst Securitate was geweest. Nadat hij overigens in de vijf jaren daarvoor zelf intensief was bespioneerd. In 1968 hield de “samenwerking” op toen Pastior na een reis naar het westen in West-Berlijn asiel vroeg en kreeg. Dat was dus achteraf ook een vlucht uit de klauwen van de Securitate.

Herta Müller was geschokt door de ontdekking, maar voelde ook “medeleven” en “verdriet”. Pastior was kwetsbaar en chantabel als Duitser, homo, dichter en regimecriticus in Roemenë. Jammer vond Müller wel dat hij na 1968 niemand ooit iets had verteld over die zwarte bladzijde uit zijn leven.

Erik de Graaf

PS: dit stond in 2011 eerder op mijn blog. Vanavond is er een documentaire over Herta Müller op tv.

zondag 24 mei 2015

De pijp van Marten


Het wordt dof in de cabeza, het licht gaat uit”, zei Marten Toonder senior in 1965 tegen zijn jongste zoon Jan Gerhard. De dokter had hem het roken en het drinken verboden. Hij liep steeds minder goed, zijn handen waren te dik om aan zijn scheepsmodellen te knutselen of voor het opschrijven van zijn levensherinneringen. Een paar weken later kwam er om vijf uur ‘s middags een belastingambtenaar op bezoek bij de 85-jarige Senior in Oegstgeest om te vertellen dat hij een fout in zijn aangifte had gemaakt. “Nu ga ik eerst een pijp tabak opsteken”, zei hij toen de ambtenaar weg was tegen zijn huishoudster. Dat was altijd zijn manier geweest om ergernis te verdrijven.

Of hij de rook nog geproefd heeft weet niemand. “Wij hopen van wel”, schreef Jan Gerhard in 1975 in De dronken kanarie, “want dan kan hij ook zonder wrok gestorven zijn. Hij viel toen voorover en is niet meer uit zijn coma bijgekomen”.

“Doe geen moeite meer voor mij. Het is afgelopen”, zei Marten Toonder senior in mei 1965 tegen zijn oudste zoon Marten. Junior wilde zijn vader later dat jaar meeverhuizen naar Ierland, herinnerde de zoon zich in 1996 in zijn autobiografie. In de logeerkamer in Oegstgeest haalde Senior een doos met honderden of duizenden bankbiljetten achter een gordijntje vandaan. Het was het geld waarmee de zoon eerder een lening van zijn vader had afbetaald. Hij wilde het teruggeven. Junior regelde dat iemand van een bank bij zijn vader langs zou gaan om bankrekening voor hem te openen. De volgende dag kwam de man van de Boerenleenbank, maar Senior vond dat het naar de Twentse Bank moest. Toen de bankman weg was greep hij naar zijn pijp om zijn ergernis weg te blazen. Hij viel voorover en kwam niet meer uit zijn coma.


Op maandag 24 mei 1965 overleed kapitein Marten Toonder senior op 85-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Leiden. Hij was in november 1879 geboren in Warffum, waar hij in grote armoede opgroeide. Van ongeletterd op zijn tweeëntwintigste werkte hij zich op tot kapitein op de grote vaart, commissaris bij de Toonder Studio en schrijver van zijn levensherinneringen. De foto hierboven toont Senior in 1956 in het haventje van Noordpolderzijl met uitzicht op Rottumeroog. Seniors zoons Marten en Jan Gerhard beschreven de dood van hun vader net even verschillend in hun autobiografisch werk. Twee dagen na Seniors dood verscheen een kort bericht in de Nieuwe Rotterdamse Courant, de NRC.

Erik de Graaf

PS: Sinds 2012 doe ik onderzoek naar het leven van mijn dorpsgenoot Marten Toonder senior. In oktober a.s. verschijnt een boek over zijn leven. Tegelijkertijd wordt er een tentoonstelling geopend in het Openluchtmuseum Het Hoogeland in Warffum.

donderdag 21 mei 2015

Børge Ring over Toonder senior


Als striptekenaar werkte Børge Ring  voor Disney, Toonder en Spielberg.  In 1985 won hij een Oscar voor zijn animatiefilm Anna & Bella. Toch kwam hij in 1946 als muzikant naar Nederland.  Als bassist in het jazzkwartet van Svend Asmussen speelde hij een maand lang in de Amsterdamse bioscoop City Theater. Hij ontmoette er Marten Toonder, die hem uitnodigde op zijn tekenfilmafdeling te komen werken.  “Ja-uh, graag”, antwoordde Børge, “maar ik moet eerst even naar huis om het behoorlijk te leren”.

Terug in Denemarken leerde hij het vak bij Nordisk Film. In 1952 keerde hij terug naar Amsterdam om tot 1973 in de Toonder Studio’s te werken. In de jaren vijftig was de gepensioneerde kapitein Toonder senior commissaris in het bedrijf van zijn zoon. Van dichtbij maakte hij Seniors bezoekjes vanuit Oegstgeest aan Amsterdam mee. Gisteravond bezocht ik Ring in zijn verbouwde boerderij aan de Maas in het Brabantse Overlangel.

“Toonder senior was een oude man, die steeds hetzelfde verhaal herhaalde”, vertelde Ring me vriendelijk. Hij werkte met twee andere Denen op de tekenfilmafdeling. “Good day, gentlemen”, was steevast Seniors begroeting in zeemans-Engels. Vervolgens vertelde hij opnieuw het verhaal dat hij ooit als jong zeeman met een Deens meisje in een park op een bankje zat. Plotseling stond ze op en zei in het Deens: “Ik ga nu naar huis, ik ben bang voor mijn vader”.

Mooi verhaal, mooi bezoek ook aan de 94-jarige maestro Ring. Toen ik op het punt stond te vertrekken gebaarde hij me nog even naderbij te komen. “Ze zeggen weleens dat ik in interviews mensen lens praat”. Dat viel alles mee.

Erik de Graaf


PS: Børge Ring beschreef zijn leven prachtig in: "Een weergaloos leven in muziek en tekenfilm. Autobiografie” (vertaald uit het Deens; Leens, 2015)