woensdag 5 november 2008

Waterwolf

Het boezemgemaal De Waterwolf is een fraai stukje industrieel erfgoed op het punt waar de Kommerzijlsterrijt in het Rietdiep stroomt. Vanaf 1918 “gesticht met Rijkssteun” en in 1920, op 5 november toevallig, door koningin Wilhelmina officieel in gebruik genomen.

De Waterwolf voerde overtollig water uit de provincie Groningen en de kop van Drenthe af naar de Waddenzee. “Verlaging van den waterstand brengt meerder koren in het land”, is het motto op een reusachtige steen in het gemaal. De Waterwolf was het eerste elektrisch aangedreven gemaal in Nederland, aanvankelijk beheerd door het waterschap Electra. De naam is gebleven als aanduiding voor het buurtschapje in Noordwest-Groningen.

“Ik ben de waterwolf, ik ken de strijdgevaren,
Electra is mijn meester, ik waak over zijn gebied,
Ik maal en slurp en vecht voor duizenden hectaren:
In hunne dienst zing ik mijn dreunend lied!”

In 1964 schreef ene J.M. Gaaikema dit in het Lied van de Waterwolf. Het is nog niet uitgeslurpt. Nog steeds heeft het gemaal een belangrijke functie in de waterafvoer.

Erik de Graaf

dinsdag 4 november 2008

Bye Bush! Pfff, eindelijk...

In 2007 werd president George W. Bush tijdens een persconferentie in het Witte Huis gevraagd wat zijn grootste presidentiële fout was geweest. Het bleef lang stil, er schoot hem niets te binnen.

Nou, mij wel. Oorlogen in Irak en Afghanistan, de Patriot Act, Guantánamo, Abu Ghraib … Om maar een paar “foutjes” te noemen.

Het beste aan het tijdperk van George W. Bush is dat er binnenkort een einde aan komt.

Erik de Graaf

András Hegedüs en de Russische tanks

Begin januari 1986 was ik met Zwitserse en Joegoslavische (nu: Sloveense) vrienden in Boedapest. We logeerden bij leden van de Hongaarse vredesbeweging en gingen overdag op tournee langs de Hongaarse oppositie. Zo kwamen we ook terecht bij András Hegedüs (1922-1999), een toen drieënzestigjarige regimecriticus met een steil communistisch verleden. Van 1953 tot 1955 was hij minister van Landbouw, vanaf april 1955 tot aan het begin van de Hongaarse Opstand in oktober 1956 was hij zelfs premier van de Magyar Népköztársaság, oftewel: de Hongaarse Volksrepubliek.

Hegedüs bewoonde sinds jaar en dag een oude villa in een buitenwijk van Boedapest. Tijdens een rondleiding door zijn huis vertelde hij over de jachttrofeeën in de gang, die hij met Chroesjtsjov en Ullbricht had vergaard. In zijn warme huiskamer blikte hij terug op het ingrijpendste moment uit zijn politieke loopbaan. Na terugkomst van een bezoek aan Tito in Joegoslavië in oktober 1956 bleek zijn land in opstand te zijn. In paniek werd de ambassadeur van de Sovjetunie in Boedapest, de latere Russische leider Andropov, om hulp gevraagd. Ruim twintig jaar later kon hij pas toegeven dat hij persoonlijk de hulp van de Russen had ingeroepen, nadat de nieuwe premier Imre Nagy dat had geweigerd te doen. Daarmee had Hegedüs zich verantwoordelijk gemaakt voor het bloedbad dat volgde.

Na het ineenslaan van de Hongaarse Opstand op 4 november 1956 werd Hegedüs naar Moskou geroepen. In de twee jaren die hij daar verbleef nam hij zich voor zich niet meer met politiek bezig te houden. Terug in Boedapest werd hij socioloog in plaats van socialist. Na zijn kritiek op de Russische invasie in Tsjechoslowakije in 1968 werd hij ontslagen als leider van het Sociologisch Instituut, later werd de ex-premier zelfs uit de Hongaarse Communistische Partij gezet. Vanaf de jaren zeventig werd Hegedüs ondanks alles tot de Hongaarse oppostie gerekend.

Het was een boeiend bezoek aan een stuk Hongaarse geschiedenis, opgetekend uit de mond van een hoofdrolspeler. Jammer van mijn flater toen ik vroeg wie Imre Notsj was. Ik had de naam van de Hongaarse held Imre Nagy altijd anders uitgesproken. Ik vrees dat Hegedüs me nog jaren op zijn netvlies had staan.

Erik de Graaf

maandag 3 november 2008

Indringende gevallen?

Wat zijn indringende gevallen, vroeg ik me af toen ik voor dit Antwerpse rolluik stond. “Zich op onbescheiden wijze toegang bezorgend”, staat onder indringend in mijn Van Dale. Onder geval (o.; -len; gevalletje) staan elf betekenissen. Van "iets dat iemand overkomt" en "vreemd, niet geheel definieerbaar voorwerp" tot "geslachtsdeel" en "denigrerende aanduiding van een persoon".

Hoe mag ik deze indringende gevallen opvatten? Of is ergens een spatie weggevallen?

Erik de Graaf

zondag 2 november 2008

"Dat je grote bek in Siberië dichtvriest"

De 96-jarige Duitser Erwin Jöris ervoer de regimes van Hitler en Stalin aan den lijve. In 1933 werd hij door de nazi’s opgepakt en pas in 1955 weer door de sovjets uit de Goelag ontslagen. “De ene dictatuur was bruin, de andere rood, maar verder merkte ik nauwelijks verschil.”

Drie weken na de Rijksdagbrand in februari 1933 werd de jonge Berlijnse communist door de nazi’s gearresteerd. Een jaar later werd hij uit het concentratiekamp Sonnenburg ontslagen op voorwaarde dat hij zich niet weer met het communistisch verzet zou bemoeien. Desondanks vertrok hij in 1934 in opdracht van de communistische partij naar Moskou, waar hij al spoedig uit de gratie raakte. In augustus 1937 werd hij door de Russen opgepakt en na anderhalf jaar Ljubjanka (de beruchte KGB-gevangenis in Moskou) bij Brest-Litovsk aan Nazi-Duitsland uitgeleverd. Na enkele maanden in Duitse gevangenschap werd hij vrijgelaten. Opnieuw onder een voorwaarde: nu dat hij bij de Wehrmacht zou dienen. Na vijf jaar oorlog kwam hij begin 1945 in Russische krijgsgevangenschap, maar al in september kon hij naar Berlijn terugkeren. Naar zijn ouders in de Russische bezettingszone.

In 1949 vroeg zijn zwager hem mee te verhuizen naar Düsseldorf. “Dat heb ik toen niet gedaan”, zei hij me twee jaar geleden. “Dat was een blunder. De communisten waren nog niet klaar met me. In 1950 werd ik opnieuw gearresteerd.” Beschuldigd van spionage en verraad werd Jöris veroordeeld tot 25 jaar werkkamp. “Dat je grote bek in Siberië mag dichtvriezen”, voegde de Russische militaire rechter fijntjes aan de veroordeling toe. Hij kwam als dwangarbeider in het uiterste noorden van de Sovjetunie terecht. Met honderdduizenden dwangarbeiders, waaronder 10.000 politieke gevangenen uit de DDR, werd hij daar in kolenmijnen tewerkgesteld. “Eerst moesten we bij 40 tot 50 graden vorst een koelhuis bouwen. Later mocht ik in een kolenmijn werken, waar de temperatuur in ieder geval een stuk draaglijker was”.

Na Stalins dood in maart 1953 werd het regime in de werkkampen milder. Eind 1955 keerde Jöris terug naar Oost-Berlijn. Met zijn vrouw besloot hij de DDR onmiddellijk te verlaten.

Erik de Graaf

zaterdag 1 november 2008

Cultuurcrisis

Een enkele keer pak ik op het Groninger hoofdstation een gratis dagblad voor in de trein. Gisteren was dat De Pers (gratis, maar niet goedkoop), met op de voorpagina een bericht over een eerste bijeenkomst in Zeist van de zelfhulpgroep van Icesave-slachtoffers.

Alles boven een ton aan spaargeld zijn ze in no time kwijtgeraakt door het faillissement van hun bank en doordat minister Bos maar tot de honderdduizend garandeert. “Dat maakt hen naar eigen zeggen de enige échte slachtoffers van de kredietcrisis”, las ik verbaasd. Ze moesten zich schamen. Het is lullig genoeg en ik benijd de Icesave-slachtoffers niet, maar een beetje relativeringsvermogen zou ik wel op prijs stellen.

“Ik weet niet of het nog zin heeft om verder te leven”, wordt een Icesave-spaarder geciteerd. Kom op, zeg! Als je twee ton in IJsland had geparkeerd krijg je er volgens mij in ieder geval één van Bos terug. Daar zou ik een héle tijd leuke dingen van kunnen doen. Dit soort dramatische reacties bewijzen wat mij betreft dat de financiële crisis voor een belangrijk deel cultuurcrisis is.

Erik de Graaf