donderdag 31 december 2009

Im Sturm geschieden...


Eind december 1981. Twee weken na de machtsgreep van Jaruzelsi reed ik in een Trabant door sneeuw en wind van Rostock naar Hiddensee. Met Achim zou ik oud & nieuw vieren op het Oostzee-eiland. Het was ijzig koud op Hiddensee. De verbinding met Rügen was moeizaam door de ijsgang. In ons huisje van de universiteit van Greifswald maakten we het ons gezellig. We lazen, we schreven, we voerden urenlange gesprekken over Gott-und-die-Welt: over literatuur, over politiek en veel over Polen.

Op oudejaarsavond raakten we verzeild op een feestje in de Heiderose, een vakantiekolonie van de Oost-Duitse, door de staat gestuurde, vakbond. “Vakbond - staat – Polen?” Raar idee. Voor tien mark per persoon mochten we van Karl-Heinz, de Objektleiter van de Heiderose, plaatsnemen aan de lange tafels in een rokerig feestzaaltje. Met een portret van Honecker boven de deur en al snel zes glazen bier voor de neus. Om twaalf uur werd geproost, gewenst en gezoend. Strontlazarus waren de meesten. Wij snapten er niets van, we dachten aan Polen, dat zo dichtbij was, misschien maar vijftig kilometers hemelsbreed. Twee eenzamen noemde een dronken vrouw ons, maar we voelden ons allesbehalve eenzaam. We waren goede vrienden en namen nog een keer het gedicht door dat Achim die middag in mijn nieuwe agenda had geschreven. Friedrich Schillers Antritt des neuen Jahrhunderts:

Edler Freund! Wo öffnet sich dem Frieden,
Wo der Freiheit sich ein Zufluchtsort?
Das Jahrhundert ist im Sturm geschieden,
Und das neue öffnet sich mit Mord.

Schiller schreef het bij de eeuwwisseling van de 18e naar de 19e eeuw, maar het is nog elk jaar actueel. In Schillers tijd, maar ook 28 jaar geleden in Polen en ook morgen en over tien jaar, vrees ik, waar ook ter wereld. Daarom uiterst bruikbaar als jaarafsluiting. Zeker aan het eind van een Schillerjaar, dat herdacht dat de oude Friedrich 250 jaar geleden werd geboren. En Achim? Die was deze week een jaar dood.

Erik de Graaf

zondag 27 december 2009

Erken ook Indonesiëweigeraars!


Erken de 17e augustus 1945 als onafhankelijkheidsdag van Indonesië! Daartoe riepen enkele dagen geleden schrijvers, historici en juristen de Nederlandse regering op. Ze betoogden twee verhaallijnen bijeen te willen brengen: het officiële geschiedverhaal met de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 én het verhaal van de tegenstanders van het toenmalige regeringsbeleid, die 17 augustus 1945 altijd al als politiek feit erkenden.

Het officiële verhaal is wijdverbreid. Toen, maar ook nu nog. Eind 1948 was ruim 60% van de Nederlanders was volgens opinieonderzoek van het NIPO voorstander van de Tweede Politionele Actie. Slechts 19% was tegenstander, tegen de stroom in. De tegenstanders erkenden de onafhankelijkheid van 1945 en spraken over het algemeen over Indonesië. Indië bestond voor hen niet meer.

De 120.000 Nederlandse soldaten, die in opdracht van de Nederlandse regering naar de Oost werden verscheept, heten tot op de dag van vandaag Indië-veteranen. De paar duizend die niet gingen heten Indonesiëweigeraars. Jarenlange gevangenisstraffen zaten ze uit, omdat ze 17 augustus 1945 toen in feite al respecteerden. Geïntimideerd werden ze, onder druk gezet om toch naar Indië te gaan. Velen heb ik gesproken, die zeiden: "ik was bereid de Nederlandse landsgrenzen te verdedigen, maar ik voelde er niets voor om in Indonesië tegen een onafhankelijkheidsbeweging te vechten. Of, zoals Jurrien Dubbelboer onlangs in een interview met mij in het Dagblad van het Noorden zei: "Na de bevrijding waren we in Nederland dolblij met onze heroverde vrijheid. (...) Ik kon me voorstellen dat de Indonesiërs ook eindelijk vrij en onafhankelijk wilden zijn".

Voor de erkenning van het verhaal van de tegenstanders is een eerlijke discussie noodzakelijk met keiharde waarheden. Bijvoorbeeld de erkenning door de Nederlandse regering dat de Indië-veteranen indertijd onder valse voorwendselen als dienstplichtigen een koloniale oorlog werden ingestuurd en voor niets hun levens hebben gewaagd (of zelfs gegeven). Als we die eerlijkheid hebben opgebracht is het een logisch vervolg om de duizenden weigeraars de officiële erkenning te geven waar ze al sinds een eerste reünie in 1988 vergeefs om vragen. De behoefte aan een “sorry” bestaat nog steeds. En we zijn het hen verplicht.

Erik de Graaf

vrijdag 25 december 2009

Kerstbestand van 1914


Het was een klein wonder. In 1914, in het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog, vierden Britse en Duitse soldaten met elkaar kerst in het niemandsland tussen de loopgraven. Een paar dagen lang klonken kerstliederen over en weer in plaats van artillerievuur. Het Duitse bier werd gedeeld, tabak en chocola werden geruild. Her en der werd gevoetbald.

Slechts een paar dagen duurde de vrede. Daarna ging het doden verder… De legerleidingen aan beide kanten van de loopgraven reageerden duldden in latere jaren geen spontane bestanden meer. Er werd gedreigd met zware straffen.

Sinds 2008 staat in het Noord-Franse Frelinghien een monument voor het kerstbestand van 1914. Bij de onthulling speelden Britse en Duitse soldaten een potje voetbal, net als 94 jaar daarvoor.

Erik de Graaf

woensdag 23 december 2009

Erken 17 augustus 1945 en rehabiliteer de Indonesiëweigeraars!


Regering! Erken 17 augustus 1945 als de datum van de Indonesische onafhankelijkheid!

Daartoe riepen 22 schrijvers, historici en juristen gisteren op in NRC Handelsblad.

Zestig jaar geleden, op 27 december 1949, werd de Indonesische onafhankelijkheid formeel bezegeld met de handtekening van koningin Juliana. Vier jaar eerder echter, op 17 augustus 1945, hadden Soekarno en Hatta de Republik Indonesia geproclameerd. Twee dagen na de capitulatie van Japan in de Tweede Wereldoorlog. Tot op de dag van vandaag is 17 augustus een officiële Indonesische feestdag.

De tweede en laatste zin van de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 luidde: “zaken betreffende de overdracht van de macht, enzovoort, zullen zo spoedig mogelijk en met de nodige zorg worden uitgevoerd”.
In Nederlandse ogen was Indonesië nog lang geen onafhankelijke staat, hoewel al wel het besef was gegroeid dat Indië een eigen positie moest krijgen in een soort Nederlandse Gemenebest. Eerst moest orde op zaken worden gesteld in de kolonie. Ruim 120.000 Nederlandse soldaten voerden tot eind 1949 een koloniale oorlog, die in Nederland hardnekkig politionele acties werden genoemd. Het ging tenslotte in Nederlandse ogen om een “binnenlandse kwestie”.

Nederland was in 1945 van de ene in de andere oorlog gegleden. Een belangrijke rol speelde daarin het axioma van de economische onmisbaarheid van Indië voor Nederland, maar ook de sterke overtuiging dat in Indië voor een rechtvaardige zaak werd gestreden. Alleen werd over het hoofd gezien dat het buitenland daar anders over dacht. Dat werd overduidelijk tijdens de tweede “politionele actie” in december 1948. Op 22 december 1948 kwam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voor het eerst in haar bestaan in een spoedzitting bijeen. De Nederlandse militaire acties werden unaniem veroordeeld. Het waren de Verenigde Staten die daarna duidelijk maakten dat Nederland snel tot een akkoord met Indonesië moest komen om de Amerikaanse financiële Marshallhulp niet op het spel te zetten.

De koloniale oorlog van 1945 tot 1949 was een traumatische vergissing, die na zestig jaar eindelijk eens als zodanig erkend zou moeten worden. Kenmerkend is de reactie van het ministerie van Buitenlandse Zaken op de oproep van de 22: „De daadwerkelijke soevereiniteitsoverdracht was pas op 27 december 1949; Indonesië heeft de soevereiniteit toen aanvaard. Dat is een vaststaand historisch en juridisch feit dat je niet, 60 jaar na dato, kunt veranderen”.

De angst voor de gevolgen voor erkenning zit kennelijk diep, zeker twee weken nadat de overlevenden van het bloedbad in Rawagede naar de rechter zijn gestapt. Maar er is ongetwijfeld ook angst voor de Indië-veteranen en hun nabestaanden. Erkenning van 17 augustus 1945 zou ook betekenen dat die 120.000 soldaten voor niets hun levens hebben gewaagd (en gegeven). En erkenning van 17 augustus zou tenslotte ook moeten leiden tot rehabilitatie van duizenden Indonesïeweigeraars, die jarenlang achter slot en grendel gingen.

Regering! Het is de hoogste tijd voor zo’n moedige stap! Erken de 17e augustus en rehabiliteer de Indonesiëweigeraars!

Erik de Graaf

maandag 21 december 2009

In a Glass House



Groningen is in de ban van het glazen huis. Ik denk dat ik deze week ook maar een plaatje ga aanvragen. Ik dacht aan een nummer van de vrijwel vergeten Britse rockband Gentle Giant. Iets van de fantastische LP In a Glass House lijkt me toepasselijk.

Eind 1973, ik was bijna zestien, kocht ik de nieuwe LP van Gentle Giant bij Plato op de Hoogstraat in Vlaardingen. Ongehoord, want wie Three Friends kon maken kon nooit diep wegzakken. Thuisgekomen draaide ik eerst het volumeknopje voluit, daarna zette ik de naald (ja, plaatjes draaien was nog puur handwerk) aan het begin van eerste nummer van kant A. The Runaway. Even later rende mijn moeder naar mijn kamer, omdat ze dacht dat de ruiten sneuvelden. In a Glass House begon met het geluid van brekend glas.

In mijn verstofte platencollectie vond ik vanochtend nog vijf LP’s van de vriendelijke reus. Ze zullen ook dit jaar weer niet in de Top 2000 staan. Daar zijn ze ook veel te mooi voor. Als ik deze week in de stad kom kijk ik bij Plato, nu in Groningen, wat ze op CD hebben.

Erik de Graaf

PS: op youtube is vanalles van Gentle Giant te zien en horen. Geniet ook even van On Reflection van de LP Free Hand (1975)

Wittigheid


Geniet er nu alvast van, je weet niet of het er eind van de week nog ligt!

Erik de Graaf

zondag 20 december 2009

De eerzame schaatser

Op 1 februari 1787 overleed de Klaas Jans uit Midhuizen onder Vierhuizen aan de oevers van de Lauwerszee. Hij was 28 jaar, vijf maanden en twee dagen oud. Klaas Jans liet een vrouw en een zoontje na. Hij werd begraven op het kerkhof van Vierhuizen.

Eind januari 1787 had Klaas Jans weer zoveel last van zijn hem al jaren kwellende breuk dat hij besloot op de schaats over het Reitdiep naar de “breukenmeester” in Groningen te rijden. De arts kon hem niet helpen. Klaas Jans schaatste terug naar Midhuizen, maar kwam koud, nat en afgepeigerd thuis bij zijn “geliefde vrouw en kroost”. Ziek ging hij vroeg naar bed, vermoedelijk met hoge koorts. Twee artsen uit de buurt konden hem niet meer helpen. Op 1 februari 1787 overleed de “eersame”schaatser thuis in zijn bed. Zijn liggende grafsteen “ter gedagtenis van de eersaame Klaas Jans” vertelt het verhaal van zijn dood:

“Toen ik nog was, zeid men van mij,
Geen sterker mensch ziet men als gij,
’t Was waarlijk soo maar merkt dat god,
Mij deed ontmoeten tot mijn lot,
Daar ‘k ’s morgens van mijn vrouw en kind,
Hoe sterk geliefd en teer bemind,
Mijn afscheid nam op schaatsen reed,
Na gruno’s stad, daar nu nieuw leed.
Mij nu weer trof doordien een breuk
Mij jaaren lank veel smart en kreuk
Heeft angebracht, vermeesterd mij,
In deeze stand waarom ik vrij,
Bij een breukmeester mij begaf,
Maar juist die man had op de pas,
Geen baat, zoodat ik doe
Mij dus beried om naar huis toe
Op schaatsen weer te rijden wou.
In zulk een stand is waare rouw
Die hyr op viel, ik kwam zoo thuis
Doornat gesweet van pijn en kruis
Bij mijn geliefde vrouw en kroost.
Direkt na ’t bed, ‘k was afgeslooft.
Terstond gehaald twee ars om raad
Vlijt angewend, maar ’t was te laad.
Want ziet, geen kruid voor mij zij kenden
Moest ik den derden dag ten enden
Mijn leeftijd zijn, dus ben ik net
Ten tijnde dag in ’t graf gezet.
Vanwaar ik weer verijsen zal
Vaarwel geliefde, looft God al.”

En nu maar wachten op het "verijsen", wat me wel toepasselijk lijkt voor een schaatser.

Erik de Graaf

zaterdag 19 december 2009

... en aan de kusten stijgt de vloed



In de herfst van 1919 bracht Kurt Pinthus zijn expressionistische gedichtenverzameling Menschheitsdämmerung (de schemering van de mensheid) uit. De inmiddels tachtigjarige bloemlezing geldt tot op de dag van vandaag als hét standaardwerk van het literaire expressionisme, maar was niet alleen in literair opzicht een hoogtepunt. Het ging van hand tot hand in het Duitsland van vlak na de Eerste Wereldoorlog en kreeg al snel een cultstatus. Het was bovendien “één felle, verwilderde, letterlijk hartverscheurende kreet om de redding der mensheid, der wereld”, aldus de Nederlandse dichter Hendrik Marsman in 1929.

Pinthus’ bloemlezing presenteerde 23 expressionistische dichters. Zes van hen maakten de publicatie niet meer mee. Vier van hen waren al in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld. Anderen maakten de gruwelen van de loopgravenoorlog van nabij mee. Wereldberoemd werd het eerste gedicht uit de bloemlezing, geschreven door Jakob von Hoddis.

Weltende

Dem Bürger fliegt vom spitzen Kopf der Hut,
In allen Lüften hallt es wie Geschrei.
Dachdecker stürzen ab und gehn entzwei
Und an den Küsten – liest man – steigt die Flut.

Der Sturm ist da, die wilden Meere hupfen
An Land, um dicke Dämme zu zerdrücken.
Die meisten Menschen haben einen Schnupfen.
Die Eisenbahnen fallen von den Brücken.

Jakob von Hoddis overleefde de Eerste Wereldoorlog, maar bracht de rest van zijn leven, totaal van de kaart, grotendeels in inrichtingen door. Vanaf 1933 leefde hij in een joodse inrichting in de buurt van Koblenz, waar vanaf 1940 alle joodse “zenuwzieken” uit het Derde Rijk centraal werden ondergebracht. In 1942 werd hij door de nazi’s vermoord, hoogstwaarschijnlijk in Sobibor. Von Hoddis’ persoonlijke einde van de wereld.

Erik de Graaf

donderdag 17 december 2009

Half Nederland plat


“Prachtig weer, hé”, voegde ik de vrouw in het voorbijgaan toe.
“Ja, heel mooi”, antwoordde ze. “Maar wat overdrijven ze toch, half Nederland ligt plat. Vroeger hadden we dit veel vaker en deed niemand moeilijk”.
“Heeft u het niet koud?”, vroeg ik.
“Nee joh. Ik heb kousen aan”.

Erik de Graaf

Wit in Warffum


Sneeuw. Veel sneeuw. Al voor half acht vertrok ik van huis. Iets vroeger dan normaal. Na een half uur was ik bijna op de helft, een kilometer of twaalf van huis. Sportdag afgelast in verband met de hevige sneeuwval, hoorde ik telefonisch. Rechtsomkeer. Nu met nog meer sneeuw. Stapvoets, met de auto dan wel, door een witte wereld. Een reis door een kerstkaart.

Erik de Graaf

dinsdag 8 december 2009

De waskracht van het socialisme...


Al bijna twintig jaar heb ik twee foto’s uit Rostock in mijn werkkamer hangen. Ik kreeg ze in eind december 1989 tijdens een bezoek aan die stad in het noorden van de DDR. Half oktober schreef ik dat ik geen idee meer had wie ze me indertijd schonk. Evenmin wie de fotograaf was. Beide foto’s (plus nog twee, die ik onlangs in mijn archiefkast vond) waren gesigneerd met “Wittenberg 1989”. Althans, zo dacht ik.

Eerdere digitale speurtochten naar de fotograaf hadden niets opgeleverd, maar een maandje geleden vroeg ik mijn oude Rostocker vriend Harald in een felicitatiemail ter gelegenheid van zijn herverkiezing als groen Bondsdaglid of hij zich ene fotograferende Wittenberg herinnerde. Het moest wel Wittenburg zijn, mailde hij terug, die kort daarvoor een fotoboek over “die friedliche, freiheitliche und demokratische REVOLUTION ROSTOCK ‘89” uitgebracht had.

Een letter verschil maakte een wereld van verschil in mijn zoektocht naar de fotograaf. Ik mailde Siegfried Wittenburg dat ik op niet te achterhalen manier in het bezit was van enkele van zijn foto’s. Hij schreef vrijwel onmiddellijk terug. Verheugd en zich verontschuldigend voor het slechte handschrift onder de foto’s. Eind 1989 was een snelle en bewegende tijd. Ik moest wel snel schrijven, meldde hij met een knipoog.

Inmiddels heb ik me een exemplaar van REVOLUTION ROSTOCK ’89 laten toesturen. Ooggetuigenverslagen met foto’s van Siegried Wittenburg. Prachtige foto’s uit een bewogen periode, waaronder de vier uit mijn trotse bezit (ik mag ze overigens houden van Siegfried). Maar niet alleen in het boek, ook op zijn website zijn prachtige platen over het leven in de DDR van eind jaren zeventig tot aan het eind in 1990 te zien. Ondere andere bovenstaande foto met het ongelooflijke ideologische contrast. Der Sieg des Sozialismus ist der Triumph des Friedens… en zijn waskracht is enorm.

Erik de Graaf

zaterdag 5 december 2009

Pakjesstress

Een student uit Amsterdam kwam er vanmiddag kort voor Groningen achter dat hij thuis zijn Sinterklaaskadootjes was vergeten. Snel had hij in Groningen nog wat kleinigheden gekocht voor hij nog noordelijker naar zijn familie treinde. In de coupé kwam hij naast een meisje te zitten dat net haar laatste inkopen had gedaan, maar... eigenlijk alleen voor zichzelf was geslaagd. Een Michael Jacksonkalender met een drukfout, waardoor een jaar plotseling 16 maanden leek te hebben. Naast haar een druk dichtend meisje op weg naar de Sinterklaasviering bij haar ouders.

Tegenover haar mijn zoon met een pak peterselie voor een surprise voor zijn moeder. Met net bij de Bruna gekocht pen en papier voor een laatste moeizaam gedicht. Iedereen is er klaar voor. Het wachten is alleen nog tot ook Eltjo klaar is. Pakjesstress.

Erik de Graaf

donderdag 3 december 2009

Bevolkingskrimp & woningbouw (2)


“Prachtige bruggen vormen verbindingen naar doodlopende straatjes in een nieuwbouwplan in Warffum. Maar de straten blijven voorlopig onbebouwd, want er worden nauwelijks kavels verkocht.“

Precies een jaar geleden, op 3 december 2008, schreef ik dit in een blog over bevolkingskrimp & woningbouw. Sindsdien is de provincie Groningen landelijk bekend geworden door de volledige stagnatie van de ontwikkeling van de Blauwe Stad (vorige maand nam de provincie een verlies van 29 miljoen op de koop toe) en dreigt het Stad-Groninger nieuwbouwproject Meerstad ook in de financiële gevarenzone te belanden.

De klad zit echter niet alleen in deze megaprojecten, ook in kleinere gemeenten stagneert de nieuwbouw. Warffum is een van de twee voorbeelden in de gemeente Eemsmond, die ik vorig jaar op 3 december beschreef. Tweeënzeventig kavels, waarop vorig jaar acht huurwoningen en vier koopwoningen in aanbouw waren. Die twaalf woningen zijn inmiddels bewoond. Zeggen en schrijven één kavel is sindsdien verkocht en bebouwd. Nog 59 kavel liggen braak, wachtend op belangstelling. Op funda.nl staan vandaag 37 woningen in Warffum te koop. Twee meer dan een jaar geleden, verder grotendeels dezelfde.

Als tweede voorbeeld beschreef ik vorig jaar het plan Almersma in Uithuizen. Van de 61 kavels werden twaalf koopwoningen door de Stichting Uithuizer Woningbouw (SUW) gebouwd. Keurige woningen, zo lijkt me van buitenaf, maar blijkbaar onverkoopbaar. Onlangs begreep ik dat er van de twaalf maar een paar verkocht zijn. Het overgrote deel lijkt gebouwd voor de leegstand. Dat moet een flinke strop voor de SUW zijn, want die bouwde deze koopwoningen om de herstructureringsplannen elders te kunnen financieren. Van de overblijvende 49 bouwkavels waren er vorig jaar zo’n acht verkocht. Inmiddels zijn dat er een paar meer. Op funda worden 57 woningen in Uithuizen te koop aangeboden.

Flinke stroppen dus. Niet alleen voor de corporatie, maar ook voor de gemeente Eemsmond, die jaren geleden al de hele infrastructuur aanlegde, zowel in Warffum als in Uithuizen. Inclusief waterpartijen en prachtige stenen bruggen en in Uithuizen zelfs met een heuse nepwierde. Die gemeentelijke investeringen, maar ook de grondaankopen, worden zonder kavelverkopen niet terugverdiend. Veel te lang zijn “tegen beter (kunnen) weten in” nieuwbouwplannen ontwikkeld.

Ik blijf het een beetje volgen. Tot volgend jaar op 3 december.

Erik de Graaf

woensdag 2 december 2009

Sammy



Het moet in 1966 zijn geweest dat mijn vader totaal onverwachts met een grijze koffergrammofoon thuiskwam. De nieuwe “installatie” kreeg een plekje op het dressoir in de huiskamer. De muziek deed haar intrede in Huize de Graaf.

Aanleiding was Sammy van Ramses Shaffy. Mijn moeder was onder de indruk van dat nummer en mijn vader wilde het haar cadeau doen. Maar wat had je aan een grammofoonplaatje zonder grammofoon? Het laatste geld werd dus bij elkaar gelegd voor Sammy plus koffergrammofoon. Maandenlang draaiden we ons enige singletje grijs. Sammy op de a-kant, op de achterkant 5 uur. “Het is 5 uur, het feest is geweest.” Tot er een tweede singletje bij kwam, dat ik overigens volledig verdrongen heb… van het Urker Mannenkoor.

Door onze luxe koffergrammofoon kregen we de smaak te pakken. Enkele jaren later werd een grammofoonplatenwisselaar aangeschaft, waarop je meerdere singles achterelkaar kon afdraaien. De grijze koffergrammofoon kwam toen op mijn slaapkamer. Vanaf het najaar van 1968 draaide ik daarop mijn eigen eerste singletje grijs: Hey Jude van de Beatles (met Revolution op de achterkant), dat ik ongehoord kocht, omdat het van niks op 1 van de Top 40 kwam.

Erik de Graaf

zaterdag 21 november 2009

Desolaat Eemsmond


“Leeglopende Groningse dorpen moeten worden gesloopt”, verwees de presentator van Goedemorgen Nederland gisterochtend naar het pleidooi van de economen Brakman en Van Witteloostuijn in NRC/Handelsblad van afgelopen maandag. Zij pleitten voor samenvoeging van gemeenten in krimpgebieden om het eenvoudiger te maken “hier en daar een wegkwijnend dorp of een leeglopende stad af te breken”.

Kom, dachten ze bij Goedemorgen Nederland, daar maken we een item van en ze stuurden verslaggever Bram Rekers voor een interview met burgemeester Van Beek naar de (volgens de presentator) “desolate Groningse gemeente Eemsmond.” Over naar het “het winderigste stukje Nederland”, hoorde ik de presentator zeggen.

Op de dijk bij Noordpolderzijl, de kleinste getijdenhaven van Nederland aan het officiële Werelderfgoed Waddenzee, waren de camera’s zo smal mogelijk ingesteld op de burgemeester en wat asfalt bij de Waddendijk. Van de fraaie natuurlijke omgeving geen spoor. Dat paste overduidelijk niet bij het “desolate” beeld, waarmee de verslaggever naar het noorden was gekomen. Zijn vragen moesten het beeld nog versterken.

“Goedemorgen mevrouw Van Beek, wat waait het hier zeg, in Eemsmond”.
“Nou is er een econoom, de heer Brakman, die zegt dat dit soort dorpen opgeheven moeten worden. Wat vindt u daarvan?”
“Levendig? Ik reed hier net doorheen en er is niet zoveel. Wat heb je hier dan?”
“Ik vind het hier voornamelijk alleen maar waaien”

De burgemeester had niet alleen de wind, maar ook de verslaggever tegen. Ze weerde zich kranig, maar een diepte-interview kon het in anderhalve minuut met zoveel vooroordelen niet worden. Terecht zie de burgemeester tegen de verslaggever: “kom nog eens terug en geef je ogen goed de kost”.

Erik de Graaf

PS: het interview is te zien op Goedemorgen Nederland en begint na 9.50 miniuut.

dinsdag 17 november 2009

Begroetingsgeld


Een week na de val van de Muur reisde ik naar Berlijn. Ik moest van dichtbij zien hoe de ossies het westen veroverden. Ik ontmoette mijn Oost-Berlijnse vrienden voor het eerst in West-Berlijn. In het Kuckucksei, een kroeg in de Kreuzberger Wrangelstraβe. Het waren emotionele momenten.

Het was ook vervreemdend om in Berlijn te zijn. Om duizenden Oost-Duitsers over de Oberbaumbrücke richting Kreuzberg te zien lopen. Aan het eind van de brug, net op West-Berlijnse bodem, was provisorisch een kantoor ingericht waar de gasten uit het oosten hun Begrüβungsgeld konden incasseren. Voor iedere ossie had de bondsregering honderd harde West-Duitse marken (omgerekend 50 euro) klaarliggen om de hoogste nood te lenigen.

Het Begrüβungsgeld kwam voort uit de zogenaamde Ostverträge van bondskanselier Willi Brandt met de DDR uit 1970. Die zorgden weliswaar voor iets meer reismogelijkheden (van vooral ouderen) uit het oosten naar het westen, maar die Oost-Duitsers mochten van hun regering maximaal 70 Oost-Duitse marken mee op reis nemen. De West-Duitse regering stelde voor alle Duitsers uit de DDR en de voormalige Duitse gebieden in Polen een bedrag van 30 mark (15 euro) per persoon beschikbaar, dat tweemaal per jaar in de Bondsrepubliek kon worden opgestreken. Toen de DDR het bedrag dat haar onderdanen naar het westen mochten meenemen in 1987 van 70 mark terugbracht tot 15 verhoogde West-Duitsland het Begrüβungsgeld tot 100 mark jaarlijks. In 1988 werd 260 miljoen mark uitbetaald aan Oost-Duitse reislustigen. Dat bedrag werd ook voor 1989 begroot. Door de Val van de Muur liep dat bedrag alleen al in november en december 1989 op tot naar schatting 3 á 4 miljard mark.

Erik de Graaf

zondag 15 november 2009

De romp onder Treijtels hoofd


De discussie over mijn stuk over de meeuw van Treijtel lijkt zich te concentreren op de slotzin, waarin ik me afvraag op wiens romp Eddy’s hoofd is geplaatst. Vergelijk maar met de andere plaatjes, zegt Gelkinghe, die zijn voetbalplaatjes van het seizoen 1969-1970 ook compleet zegt te hebben, maar dat niet kan bewijzen. Zijn album ligt te goed opgeborgen.

Misschien is het inderdaad zoals Egbert vermoedt de romp van Franz Hasil, de middenvelder met de kanonskogel, die Koeman in zijn beste tijden deed verbleken. Overigens lijkt Hasils hoofd ook op een leenromp te staan. Hetzelfde geldt voor Theo van Duivenbode. De overige portretten lijken me wel één geheel.

Laten we er een zoekplaatje van maken. Op wiens romp staat Treijtels hoofd?

Erik de Graaf

De meeuw van Treijtel


“Welke doelman kan het verste uitschieten?”, was lange tijd het raadsel. Het antwoord was duidelijk: Eddy Treijtel, die schiet met gemak naar Israël.

Bedoeld werd “ijzeren” Rinus Israël, die samen met Theo “de tank” Laseroms rond 1970 jarenlang het hart van de Feyenoord-verdediging vormde. Maar Eddy Treijtel stond als het om uitschieten ging inderdaad voor niets. Op 15 november 1970, vandaag 39 jaar geleden, schoot hij tijdens een uitwedstrijd tegen Sparta (1-1) een meeuw uit de lucht. Nog niet zolang geleden leidde die voltreffer tot heftige Rotterdamse discussies, omdat zowel Feyenoord als Sparta tegelijkertijd aanspraak maakte op het “originele” stoffelijke meeuwenoverschot.

Eddy Treijtel speelde jarenlang in Feyenoord 1 en heeft vijf interlands achter zijn naam. Juist voor het hoogtepunt van zijn keepersloopbaan, de Europa Cup-finale van 1970, werd hij gepasseerd. Treijtel kon geweldige wedstrijden afwisselen met lullige blunders. Dat werd ooit prachtig geïllustreerd in het kinderprogramma Oebele, met Rob de Nijs en Martin Brozius. Europees en wereldkampioen Feyenoord speelde een oefenwedstrijd tegen een Oebele-selectie. Na een paar prachtige reddingen kwam Feyenoord op achterstand, doordat een paar Oebele-fans Eddy op een strategisch moment afleidden met de vraag of hij een snoepje wilde. Ja, daar had Eddy wel trek in. Pats-boem, doelpunt.

In mijn voetbalplaatjesalbum van het seizoen 1969-1970 staat Eddy er nogal prehistorisch gefotoshopped op (zie hierboven). Ik ben benieuwd op wiens romp ze Eddy’s hoofd hebben geplakt.

Erik de Graaf

zaterdag 14 november 2009

Brandalarm


We wonen aan de noordkant van Warffum aan het einde van een doodlopende zijweg van een doodlopende straat. De laatste bocht de Katershorn in is aan de krappe kant en vooral voor grotere auto’s onneembaar. De gemeentelijke vuilniswagens bijvoorbeeld kunnen de Katershorn niet in. De bewoners van de zeven woningen in onze straat lopen elke week met hun vuilniscontainers naar de Oudendijk. Voor mij is dat een wekelijkse wandeling van zo’n 200 meter, wat ik bij gebrek aan hond overigens helemaal niet erg vind. Ook leveranciers met grotere auto’s kunnen de bocht in vaak niet maken. Regelmatig worden goederen het laatste stuk per steekwagen vervoerd.

Het is heerlijk wonen aan de Katershorn, maar de krappe toegang baart me wel eens zorgen als ik denk aan onverhoopte calamiteiten. Wat gebeurt er bijvoorbeeld in geval van brand in een van de zeven woningen aan de Katershorn? Lukt het dan de brandweerwagen om met zwaailicht en loeiende sirene onze straat in te draaien? Die vragen stelde ik in december 2008, dus bijna een jaar geleden, in een brief aan de gemeente Eemsmond. Ik verzocht de gemeente de situatie ter plekke te bekijken en mij te garanderen dat bij calamiteiten adequaat door hulpverleners kan worden opgetreden.

Drie maanden later, op 5 maart 2009, ontving ik een gemeentelijk antwoord op mijn vragen. Uit onderzoek door de brandweer, zo schreef men mij, was gebleken “dat het voor brandweervoertuigen niet of nauwelijks mogelijk was om vanaf de Oudendijk de bocht te nemen richting de Katershorn”. Bovendien was geconstateerd “dat de bluswatervoorziening aan de Katershorn middels een brandkraan, de zogenaamde primaire bluswatervoorziening, ontbreekt (…) Door een te geringe diameter van het waterleidingnet is het niet mogelijk een brandkraan te plaatsen”.

Als oplossing opperde de gemeente in geval van brand aan de Katershorn voortaan twee blusvoertuigen te alarmeren, “teneinde te kunnen beschikken over voldoende bluswater”. De vraag hoe die dan wél de straat inkomen bleef onbeantwoord. Bovendien is een brand blussen een ding, ik hoop dat er ook een wagen met ladder tot bij de woningen kan komen om bewoners en poezen van de bovenverdieping te redden. De gemeentelijke brief van maart 2009 werd afgesloten met de verwachting “binnen redelijk korte termijn een bochtverruiming te kunnen realiseren.” Sindsdien is echter niets meer vernomen. Uit gesprekjes en e-mails met het gemeentehuis bleek me vooral dat niet duidelijk was wie hier nu verder over ging. Hopelijk verandert dat nu snel en kan men mij nog net binnen een jaar na mijn brief van 10 december 2008 duidelijkheid verschaffen.

Erik de Graaf

vrijdag 13 november 2009

Een Trabant in de Marnixstraat


Zo’n vijfentwintig jaar geleden zag ik eens een Trabant met een DDR-kenteken over de Amsterdamse Marnixstraat rijden. Achter het stuur zat een gedrongen man met bril en baardje, in wie ik de Oost-Duitse jazztrompettist Andy Altenfelder herkende. Altenfelder speelde vanaf het begin van de jaren tachtig in het Willem Breuker Kollektief.

Ik had wel eens begrepen dat hij met een officieel visum tussen Oost-Berlijn en Amsterdam reisde. Het gebeurde wel vaker dat Oost-Duitse kunstenaars met een doorlopend visum in het westen verbleven. Schrijvers, acteurs, muzikanten en beeldende kunstenaars verhuisden zo naar het westen zonder alle schepen in het oosten achter zich te hoeven verbranden. Daar stond dan wel de afdracht van een deel van de inkomsten aan de DDR tegenover.

Ik dacht altijd dat Altenfelder ook op zo’n manier in Amsterdam was terechtgekomen. Gisteravond zat ik toevallig een tafeltje naast hem in een Gronings café. Nou ja, toevallig. Ik at met mijn zoon een broodje voordat we naar het jubileumfeestje Nog lang niet jarig! van het Willem Breuker Kollektief in de Stadsschouwburg zouden gaan. En Andy at ook nog iets voor de laatste soundcheck. In het spontane gesprekje dat volgde vertelde ik over mijn herinnering aan zijn Trabant in de Marnixstraat. Inderdaad was hij een paar keer met zijn Trabant naar Amsterdam gekomen.

Maar van een doorlopend visum was bij Altenfelder geen sprake. Hij vertelde me dat hij elke keer een visum voor Nederland moest aanvragen. Soms voor twee, soms voor vier en een enkele keer voor zes weken. En in ruil voor 20% van zijn inkomsten. Weer terug in de DDR kreeg hij dan een brief, waarin stond dat hij zijn paspoort binnen 48 uur moest inleveren. Belachelijk, binnen 48 uur. “Waarom niet gewoon binnen twee dagen”, lachte hij gisteravond nog. Altenfelder kreeg zijn reisvrijheid om met Breuker op te treden. Maar als het Kollektief op een internationale tournee ging had Altenfelder als Oost-Duitser in elk West-Europees land een apart visum nodig. Dat ging meestal niet op stel en sprong. Met pretogen vertelde hij hoe hij ooit samen met iemand van een Nederlandse ambassade binnen een half uur de wachttijd voor een Italiaans visum van zes weken tot vijf minuten bekortte.

Erik de Graaf

donderdag 12 november 2009

Gaten in de Muur


Die Mauer durchlässig machen. Dat was lange tijd één bescheiden doelstelling van de oppositie in de DDR. Op 9 november 1989 was het zover. Korte tijd later kreeg ik deze foto van een vriend. Gaten in de Berlijnse Muur. Nog wel bewaakt, maar met een vrolijker gezicht…

Erik de Graaf

zaterdag 7 november 2009

Val van de Muur


Erik de Graaf (51), leraar Duits, Warffum

"Vanaf 1979 reisde ik naar de DDR om daar vrienden te ontmoeten die ik op vakantie had leren kenen. Zij dachten niet veel anders dan ik maar konden niet doen wat ze wilden doen en werden vervolgd. Later organiseerde ik ontmoetingen tussen Oost en West-Europese jongeren op Tsjechische en Hongaarse campings. We discussieerden over vrede en veiligheid, mensenrechten en het dagelijks leven in Oost en West. Tot mijn verbazing werd ik altijd tot de DDR toegelaten, hoewel ze me wel in de gaten hielden, bleek uit een Stasi-dossier. Ik volgde de politieke ontwikkelingen al maanden op de voet maar juist het hoogtepunt, de val van de Muur, ontging me omdat ik laat thuis kwam. Ik hoorde het pas de volgende ochtend op de radio. Ik ben een week later naar Berlijn gegaan. Het was er een chaos maar een vrolijke chaos. Het was heel emotioneel om mijn Oost-Duitse vrienden voor het eerst in West-Berlijn te ontmoeten. Door mijn vriendschappen met Oost-Duitsers heb ik van dichtbij onderdrukking en dictatuur meegemaakt. Een aantal vrienden is voor korte of langere tijd in de Oost-Duitse gevangenis beland. Maar ik heb ook van dichtbij gezien wat een massale beweging voor burgerrechten kan bewerken."

Uit: Dagblad van het Noorden, 7 november 2009

woensdag 4 november 2009

Diagonaal in Londen en Vlaardingen


In het drukke centrum van de wereldstad Londen steekt men sinds gisteren diagonaal over. Op het Oxford Circus zijn de stoplichten zo afgesteld dat bij groen voor de voetgangers al het andere verkeer stilstaat, zodat zowel recht als diagonaal over speciaal aangebrachte zebrapaden naar de overkant kan worden gewandeld. 5,5 miljoen euro heeft dat gekost.

In mijn hometown Vlaardingen wordt al ruim dertig jaar schuin overgestoken. Op het kruising van de Korte Hoogstraat en de Gedempte Biersloot in het aanzienlijke minder drukke Vlaardingse centrum zijn al sinds 1977 diagonale zebrapaden aangebracht. Voor aanzienlijk minder geld dan in Londen, mag ik aannemen.

De Vlaardingse goegemeente vond het indertijd het maar overdreven om letterlijk en figuurlijk uit de pas te lopen. Maar wethouder Goudriaan, ook berucht om de afbraak van historische panden projecten ten behoeve van de “vaart der volkeren”, kreeg er veel publiciteit mee en blijkt nu ineens zijn tijd ver vooruit te zijn geweest. Als jongere in een stad waar nog niet zoveel te beleven viel was het leuk 's nachts alle oversteekmogelijkheden uit te proberen.

Op Wikimapia is de bescheiden uitvoering van het Vlaardingse oversteekproject te bewonderen.

Erik de Graaf

zondag 1 november 2009

Een Indonesiëweigeraar in de DDR


Jurrien Dubbelboer (inmiddels 82) liep in juli 1948 in de sluizen van IJmuiden van het schip af dat hem als soldaat naar Indië moest brengen. Kort na de Tweede Wereldoorlog vond hij het als jonge communist vanzelfsprekend om de Nederlandse landsgrenzen als dienstplichtig soldaat te verdedigen, maar hij weigerde om in Indië tegen een onafhankelijkheidsbeweging te gaan vechten. “We waren in Nederland dolblij met onze heroverde vrijheid”, vertelde hij me pas, ruim zestig jaar later. “Ik kon me voorstellen, dat de Indonesiërs ook eindelijk vrij en onafhankelijk wilden zijn”.

Tot 1952 leefde Dubbelboer illegaal in Amsterdam. Na de Indonesische onafhankelijkheid in december 1949 werd het steeds moeilijker begrip en vooral steun te krijgen. Hij voelde er niets voor zich vrijwillig bij de politie te melden en besloot naar de DDR te reizen om daar politiek asiel aan te vragen. Twee jaar leefde hij in Oost-Berlijn om uiteindelijk teleurgesteld naar Nederland terug te keren. De DDR leek bereid de Nederlandse communist asiel te verlenen, maar wel op voorwaarde dat de Nederlandse communistische partij schriftelijk verklaarde dat Dubbelboer zuiver op de communistische graat was. En dat wilde de CPN niet meer, nadat Dubbelboers stiefvader Albert Potze en moeder Harmanna Zoet in 1952 conflict met de partij waren gekomen. De in de jaren dertig in Moskou opgeleide stalinist Potze werd in 1953 uit de CPN gezet, ironisch genoeg omdat hij in Nederland voor de Sovjetunie zou hebben gespioneerd. De binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) had het onderzoek hiernaar wegens gebrek aan bewijs gestopt, maar de CPN had Potze uit voorzorg geroyeerd. De partijleiding was doodsbang in diskrediet te raken of zelfs verboden te worden. Deze echte reden voor het royement bleef officieel geheim, ook voor Dubbelboer. Maar CPN-partijsecretaris Van Dillen liet wel doorschemeren, dat men in Oost-Europa waarschijnlijk anders over de reden zou denken als bekend werd dat Dubbelboers stiefvader voor Moskou had gespioneerd. De CPN wilde echter niets voor Dubbelboer doen, zolang hij zich niet “voor het front van de partij” openlijk van zijn stiefvader distantieerde.

Na twee jaar keerde Dubbelboer terug uit de DDR, omdat zijn zaak daar uitzichtloos leek. In 1954 meldde hij zich alsnog bij de politie, kreeg hij een milde gevangenisstraf plus nadiening van de verzuimde militaire dienstplicht. Daarna kostte het hem grote moeite werk te vinden. Regelmatig was hij bijna aangenomen, maar voorkwam de lange arm van de BVD dat op het laatste moment. In de jaren zestig verhuisde hij terug naar Groningen, waar hij eindelijk een baan kreeg bij de motorenfabriek Brons in Appingedam.

Erik de Graaf

Op zaterdag 31 oktober verscheen een lang artikel, dat ik over Jurrien Dubbelboer schreef, in het Dagblad van het Noorden. Met foto’s, die hij in de jaren vijftig in Oost-Berlijn maakte. Eerder verscheen een vergelijkbaar artikel in het Duitse tijdschrift Horch und Guck.

zaterdag 31 oktober 2009

Door mijn schuld verloren


Je komt nog eens ergens als vader van een C-pupil. Vanochtend stond Meedhuizen uit op het programma. Zo’n 35 kilometer oostwaarts van de thuisbasis Warffum. Een zware uitwedstrijd voor de geelzwarten uit Warffum, die helaas met 6-4 verloren ging.

Een verdiende overwinning voor Meedhuizen, gefeliciteerd, maar misschien was het wel mijn schuld. Bij de tegenpartij speelden drie van mijn leerlingen, die extra gemotiveerd leken om hun leraar Duits met een nederlaag naar huis te sturen. Bij de 1-0 stak de rechtsback triomfantelijk haar tong naar me uit.

Erik de Graaf

vrijdag 30 oktober 2009

De val van de Muur op de Alexanderplatz


Vorige week heb ik een paar dagen Berliner Luft geademd. Aanleiding om te gaan was de expositie over de val van de Berlijnse Muur op de Alexanderplatz, die al in mei van dit jaar werd geopend. Samengesteld is de expositie door de Robert Havemann Gesellschaft, die sinds 1989 een indrukwekkend archief over de oppositie en burgerbeweging in de DDR heeft opgebouwd.

Ik heb de Havemann Gesellschaft sinds haar oprichting van redelijk nabij gevolgd. Ze kwam voort uit de Umweltbibliothek, die al halverwege de jaren tachtig onder de vleugels van de kerk in Oost-Berlijn ontstond. De medewerkers verzamelden informatie over milieu, vrede & mensenrechten in een tijd dat dat in de DDR absoluut niet op prijs werd gesteld. In november 1987 leidde dat tot een inval van de Stasi in het kantoor van de Umweltbibliothek in de Oost-Berlijnse Zionskirche. Er werd materiaal in beslag genomen en medewerkers werden gearresteerd. Onder druk van protesten in de DDR, maar vooral daarbuiten in het westen, werden de arrestanten al na een paar dagen vrijgelaten. Voor het eerst bleek de Stasi niet onoverwinnelijk. Het gaf de tegenstanders van het regime moed en kracht.

Na 1989 verhuisde de Umweltbibliothek naar een ruimte buiten de kerk. De kerkelijke bescherming was niet meer nodig sinds de val van het DDR-regime. In hetzelfde gebouw in de Schliemannstraβe werd aan eerste archiefvorming gedaan. Eerst door het Matthias Domaschk Archiv, genoemd naar de jonge activist uit Jena, die in 1981 in een Stasi-gevangenis om het leven kwam. Later door de Robert Havemann Gesellschaft, genoemd naar de dissident die in 1982 na jarenlang huisarrest stierf. Een deel van het archief bestaat uit door oppositieleden ter beschikking gestelde kopieën van Stasi-dossiers.

De expositie op de Alexanderplatz in hartje Berlijn is indrukwekkend. Ze geeft een prachtig beeld van het leven achter de Berlijnse Muur, van de oppositie in de DDR en van de subculturen. Maar ook de internationale ontwikkelingen en gevolgen van de bouw én de val van de Muur worden mooi in beeld gebracht: van de opkomst van Solidarnosc in Polen, de perestroika van Gorbatsjov tot de massale vlucht van Oost-Duitsers via de West-Duitse ambassades in Praag en Boedapest naar Oostenrijk en West-Duitsland. Op een koude en natte oktoberdag in 2009 zag ik mensen vorige week urenlang vol aandacht langs de informatieborden schuifelen. Sinds mei hebben al ruim een miljoen mensen de expositie bekeken. Reden voor het Berlijnse stadsbestuur om de Open Air Exposition met een jaar te verlengen. Berlijn is nu nog meer “eine Reise wert”.

Erik de Graaf

donderdag 29 oktober 2009

De Partij heeft duizend ogen!


Om een uur of half elf kwamen we aan in Praag, vroeg genoeg om de ons aanbevolen jazzclub aan de Moldau nog voor sluitingstijd te bereiken. Het was donker, koud en vochtig in de stad. Het centrum lag er verlaten bij en hing vol zwarte vlaggen in verband met het overlijden van Sovjet-leider Konstantin Tsjernenko vier dagen eerder. En er was geen kroeg open, ook niet onze jazzclub, waar we volgens een Oost-Berlijnse vriend altijd wel iemand zouden ontmoeten die ons onderdak wilde verlenen. Met officiële rouw op de begrafenisdag en een vervroegd sluitingsuur hadden we geen rekening gehouden. "Valt er eindelijk iets te vieren, sluiten de kroegen", bromde Uwe.

We doolden door het centrum, speurend naar een plek waar we nog konden overnachten, maar naarmate het later werd daalden onze kansen. Tegen enen stonden we weer voor het station. Op een bankje in de hal hebben we de lange nacht zitten dommelen, veelvuldig gestoord door Tsjechische agenten, die onze paspoorten en een verklaring voor ons gedrag eisten. Al vroeg kwam de stad tot leven. In een kiosk op het Wenceslausplein verdreven we onze slaap met koffie en broodjes. Daarna pas kon ons lange weekend Praag beginnen.

Het was een onbeduidend voorval en ik zou het allang zijn vergeten als het niet mijn herinnering was geroepen door één bladzijde uit een ruim driehonderd pagina's dik dossier, waarin de Stasi van 1985 tot 1987 contacten tussen een aantal onafhankelijk denkende Oost- en West-Europese jongeren in kaart bracht met het doel ze verder te verhinderen. "Gemeinsame Reise eines DDR-Bürgers mit einem niederländischen Bürger" luidde de prozaïsche kop boven die ene pagina, waarop majoor Schreiber van de paspoortcontrole-eenheid in Bad Schandau eind maart 1985 verslag deed aan zijn meerdere in de Bezirksverwaltung für Staatssicherheit Dresden Abteilung VI (citaat, vertaald door EdG):

"Op 13.03.85, om 21 uur reisde de DDR-burger Bastian, Uwe, met de D-379 via de Grenzübergangstelle (GüST) Bad Schandau naar Tsjechoslowakije uit", aldus de majoor in zijn stijve Stasi-jargon. "De burger gaf bij de paspoortcontrole aan dat hij voor twee dagen als toerist naar Praag reisde. Bij inlichtingen van de burger over reisdoel en reisduur mengde de in dezelfde coupé meereizende Nederlandse burger De Graaf, Erik, zich in het gesprek en zei letterlijk: misschien gaan we ook vier dagen naar Praag. (...) Volgens Tsjechisch visum wil de burger voor vier dagen als toerist naar Tsjechoslowakije reizen. Door de Tsjechische paspoortcontrole werd bij de burger een hotelboeking voor twee personen voor drie nachten in hotel Racek vastgesteld. Beide burgers reisden alleen in de coupé und machten einen ungepflegten und unsauberen äusserlichen Eindruck. Als bagage voerde de DDR-burger een plunjezak met levensmiddelen en schone was en de Nederlandse burger een koffer met wasgoed mee".

Op die dertiende maart 1985 waren Bastl en ik aan het eind van de middag met twee hoofden vol Charta 77-adressen van Oost-Berlijn naar Praag vertrokken. Op zoek naar jonge, kritische Tsjechen die in de zomer op een Boheemse camping met Oost- en West-Duitse en Nederlandse jongeren van gedachten wilden wisselen over oorlog en vrede, mensenrechten, milieu en het dagelijks leven in Oost en West. In een grenzeloos optimisme de Stasi om de tuin te kunnen leiden hadden we van tevoren afgesproken in de trein te doen alsof we elkaar niet kenden. Liever las ik dan zelfs nog de partijkrant Neues Deutschland met het laatste nieuws over de dood van de 'onvolprezen Sovjet-leider' en zijn snelle opvolging door Michail Gorbatsjov.

Bijna vijfentwintig jaar na dato weten we zeker dat het door majoor Schreiber beschreven gesprek niet is gevoerd. Zoals ik ook beslist geen koffer bij me had en onze herinneringen aan de doorwaakte nacht geen reserveringen voor hotel Racek aannemelijk maakten. Om over ons uiterlijk maar te zwijgen, dat was sowieso een kwestie van smaak. Die grijsgroene uniformen stonden ook bepaald niet charmant. "Soldaten sehen sich alle gleich, lebendig und als Leich", zong Wolf Biermann. Blijft echter de vraag hoe men wist dat we wel degelijk samen naar Praag reisden. Speelden we zo slecht toneel (wat goed mogelijk is)? Of was men aan de grens al op de hoogte van onze 'gemeinsame' komst?

Enkele maanden later opende Oberfeldwebel Klick (het schijnt zijn echte naam en geen schuilnaam te zijn) van de Abteilung XX van de Berlijnse Stasi ondanks al onze voorzichtigheid een dossier, nadat een informant had bericht dat Bastian met vrienden werkte aan een discussiestuk voor een bijeenkomst van 'Oost-Duitse vredesactivisten met alternatieve groepen uit het buitenland'. Kort daarop werd ook Schreibers onjuiste, maar toch zo doeltreffende pagina aan Klicks dossier toegevoegd.

Het lijkt een onschuldig en zelfs lachwekkend verslag, maar samen met andere verslagen en verklaringen van de informanten werd toch een tamelijk volledig beeld van onze activiteiten gevormd met de nadrukkelijke bedoeling bewijzen te verkrijgen van overtredingen van de DDR-wet (waaronder landesverräterische Nachrichtenübermittlung en staatsfeindliche Hetze). Ikzelf heb daarbij weinig risico gelopen, hoewel aantoonbaar is getracht ook mij in de Stasi-val te lokken. Uit angst voor een verslechtering van de relatie met Nederland zou ik hoogstwaarschijnlijk na een spannende namiddag (of maand?) naar het Westen zijn uitgewezen, zoals gebruikelijk. Mijn Oost-Berlijnse vrienden waren echter wel aan de willekeur van het systeem overgeleverd, zoals bladzijde na bladzijde uit het dossier blijkt. "Die Partei hat tausend Augen”, schreef Bertolt Brecht ooit met bewondering over de Oost-Duitse SED. Bijna 200 kilometer Stasi-archief geven hem schrikbarend gelijk.

Erik de Graaf

zondag 18 oktober 2009

De val van Honecker

Op 18 oktober 1989 trad Erich Honecker “op eigen verzoek” af als Generalsekretär van de communistische partij in de DDR, de SED. De hoogste functie van het land werd overgenomen door Egon Krenz. De 52-jarige Krenz was al jarenlang de gedoodverfde opvolger van Honecker en had zich warm gelopen als leider van de Freie Deutsche Jugend, de jongerenafdeling van de SED.

Het Centraal Comité hoopte door deze machtswisseling partij en land uit een penibele situatie te redden. Tevergeefs, er was geen redden meer aan voor de grijze partijleiders. Om “het eeuwig lachende gebit” (zoals Wolf Biermann de nieuwe leider in de krant van de volgende dag noemde) als nieuwe verlosser naar voren te schuiven getuigde van paniekvoetbal. Krenz had geen greintje vertrouwen bij de demonstrerende bevolking. Nog nooit gehad, maar zeker niet nadat hij vier maanden eerder de Chinese, gewelddadige “oplossing” op het Plein van de Hemelse Vrede had bejubeld. De mensen wisten dus wat ze van de jarenlange lakei van Honecker konden verwachten.

Krenz was kansloos en werd vooral bespot door “zijn” Oost-Duitse volk. “Egon Krenz – keine Lizenz”, riepen tienduizenden demonstranten in Oost-Berlijn. Overal in de DDR werd de draak gestoken met de “nieuwe leider”, zoals duidelijk te zien is op bovenstaande foto van een demonstratie in het noorden van de DDR, vermoedelijk in Rostock. Ik kreeg de foto in december 1989 tijdens een bezoek aan Rostock. Ik weet niet meer van wie. Wittenberg '89 staat eronder, waarschijnlijk een verwijzing naar de fotograaf.

Erik de Graaf

Sta wandelaar...

Sta wandelaar
En lees,
Wiens overschot
Hier zij,
En denk eraan
Dit lot
Treft vroeg of
laat ook mij.

Grafschrift te Leermens

zaterdag 17 oktober 2009

Nico de Pater: Indonesiëweigeraar

Vanaf zijn arrestatie in 1949 tot aan zijn vrijlating in 1952 zat Indonesiëweigeraar Nico de Pater in diverse gevangenissen. In een ervan stelde de gevangenisdirecteur zich aan hem voor:
“Mijn naam is Pastoor. Ik ben hier de directeur.”
“Mijn naam is De Pater”
, antwoordde Nico.
Het kostte hem bijna extra straf, omdat de directeur dacht dat hij in de maling werd genomen.

Nico kon het een kleine halve eeuw later nog met een schaterlach vertellen. Om weer snel tot de serieuze kern van de zaak terug te keren. In 1948 weigerde hij als soldaat naar Indonesië te vertrekken. Na een onderduikperiode meldde hij zich in juli 1949 vrijwillig bij de politie. Hij behoorde tot de harde kern van communistische weigeraars, die moedig en principieel bleef volharden. Ook als hij in het Depot voor Nazending in Schoonhoven onder zware intimiderende druk werd gezet om alsnog in de Oost te gaan vechten. Er werd met 15 jaar gevangenisstraf gedreigd. Zo’n honderd weigeraars vertrokken alsnog, Nico bleef slechts met enkele tientallen achter.

In november 1949 werd Nico de Pater tot drie jaar gevangenis veroordeeld. Tegen de militaire dienst had hij geen enkel bezwaar, betoogde Nico tijdens de zitting. Wel tegen de dienst in Indonesië. “Tegen fascisten had ik willen vechten. Niet tegen Indonesiërs”, kopte de CPN-krant De Waarheid in november 1949. Opvallend, want veel steun durfde de CPN de weigeraars in die tijd niet meer de geven uit angst om in het heetst van de Koude Oorlog te worden verboden.

Nico kwam eerst in Fort Spijkerboor in Noord-Holland terecht, waar tijdelijke “opvang” voor de aanzwellende stroom Indonesiëweigeraars was gerealiseerd. Na een solidariteitsdemonstratie van de communistische jongerenorganisatie ANJV op de dijk bij Spijkerboor, werden Nico en zijn kameraad Wil van Kempen als vermeende aanstichters van de demonstratie bestraft met eenzame opsluiting in de gevangenis van Utrecht, terwijl de andere weigeraars hun straf in het “milde” Bankenbosch in Veenhuizen mochten uitzitten. Later werden Nico en Wil naar Alkmaar en naar Vught overgebracht, vanwaar ze gelijktijdig werden vrijgelaten op 24 juli 1952. De Waarheid schreef later op die dag over “een ware zegetocht door het land”. In een open auto werden ze van Vught via Tilburg, Rotterdam en Den Haag naar Amsterdam vervoerd, waar ze in Hotel Krasnapolsky als helden van de CPN feestelijk werden verwelkomd.

Vele jaren later ontmoette ik Nico binnen de GroenLinkse afdeling in Eemsmond. Samen waren we fractiemedewerker. Nico stond nog steeds voor rechtvaardigheid en was voorzitter van de Cliëntenraad van Sociale Zaken. Nog even principieel, maar wel veel verzoeningsgezinder. In discussies over het koloniale verleden, ook op tv, probeerde hij een brug te slaan naar de veteranen. Waren we niet allemaal slachtoffer van Drees en Beel, of we nu wel of niet naar Indonesië zijn geweest?

Vandaag zou Nico 82 zijn geworden als hij niet tien jaar geleden, vijf dagen voor zijn 72-ste, zou zijn overleden. Kort voor zijn dood gaf hij me een stapeltje kopieën van documenten en berichten over zijn weigering.

Erik de Graaf

zaterdag 10 oktober 2009

Koninklijke reisfoto’s

De “kernleden“ van de koninklijke familie kunnen om veiligheidsredenen moeilijk met Easy Jet of Transavia naar hun vakantiebestemming vliegen. Ze zijn tenslotte “het-klokje-rond” koninklijk. Dat ze op “onze” kosten reizen is dus in zekere zin een logische consequentie van de monarchie.

Dan snap ik alleen niet dat ze niet 24 uur per dag gefotografeerd mogen worden en dat de vrije nieuwsgaring voor hen niet geldt. Elke vakantiefoto is tenslotte in dezelfde zekere zin een nieuwsfoto. Dat moet dan toch voor hun de logische consequentie van hun vooraanstaande koninklijke positie zijn?

De monarchie blijft toch een vat vol tegenstellingen. Laten we iets beters invoeren.

Erik de Graaf

donderdag 8 oktober 2009

Duits in Roemenië – Nobelprijs voor Herta Müller

Half september 1980. Ik loop door de stad. Heb net inkopen gedaan. Appels, druiven en brood zitten in mijn tas. Een flesje yoghurt en twee eieren in mijn jaszak. Om de hoek is een bushalte. Lijn 23 stopt niet ver van de camping, weet ik. Toch loop ik verder. Door een parkje waar een oud bloemenvrouwtje met een laatste bosje staat. Daar zal ik haar maar even vanaf helpen, denk ik, betaal en loop verder met de bloemen. Ik steek de straat over. Naast me loopt een jonge vrouw. Ze kijkt me onderzoekend aan. Als ik terugkijk kijkt ze weer voor zich. Drie keer betrap ik haar. De derde keer hou ik haar de bloemen voor.

“Bitte”, zeg ik, “für dich!”
“Dank je wel”, begint een spraakwaterval in het Duits. “Wat leuk. Ik krijg nooit bloemen. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Hoe weet je eigenlijk dat ik Duits spreek?”
“Ik had net zo goed ‘please’ kunnen zeggen”, antwoord ik.
Dan gaat de spraakwaterval verder. Annemarie Schunn is toneelspeelster bij het Duitse Theater van Hermannstadt, de Duitse benaming voor Sibiu. Daarom moet ze zo overdreven articuleren, zegt ze. Ze is niet Roemeens, maar Duits van oorsprong, Saksisch. Overmorgen heeft ze premiere. Als ik dan nog in Sibiu ben moet ik komen kijken, vindt ze. Van harte uitgenodigd, maar ik weet nog niet of ik dan al verder gereisd ben.

Ze geeft me een peer en we nemen afscheid. Misschien tot woensdag bij de premiere. Ik ga verder naar de camping. Een stukje met de bus en nog een stukje lopend. Het laatste eindje snij ik af door een bos. Ik kom bij een sloot, neem een aanloop en spring eroverheen. Dat ging net goed, alleen jammer dat ik de eieren in mijn jaszak was vergeten.

Twee dagen later was ik toch bij de premiere. Waar het stuk over ging weet ik niet meer, maar de verhalen die ik op het feestje erna hoorde over de onderdrukking van de Duitse minderheid in het Roemenië van Ceausescu staan me nog helder voor de geest. Een paar jaar later kwam de eerste roman van Herta Müller in West-Berlijn uit bij Rotbuch Verlag. Ik was onmiddellijk gegrepen door haar schrijfstijl en door de thematiek. Goede keus om haar de Nobelprijs voor de Literatuur te geven.

Erik de Graaf

woensdag 7 oktober 2009

A4 met Vaart voor behoud polderlandschap

In 1976 zette een motie van Tweede Kamerlid Voortman (PvdA) de bouw van de rijksweg 19 tussen Schiedam en Delft stop. De critici van de bouw haalden een nipte meerderheid dankzij een kamerlid dat per ongeluk vóór- en niet volgens zijn fractielijn tegenstemde.

Een foutje met jarenlange gevolgen. Al 33 jaar houdt de rijksweg, tegenwoordig A-4 genaamd, vanuit de Beneluxtunnel naar het noorden abrupt op bij Schiedam. Het prachtige polderlandschap van Midden-Delfland bleef daardoor behouden. Rond 1980 fietste ik er honderden keren doorheen op weg naar mijn studie in Delft.
De asfaltering bleek altijd weer op bezwaren te stuiten en zonder de wegenplannen zou het gebied waarschijnlijk allang vol met woningen zijn gebouwd. Als het aan minister Eurlings ligt is het binnenkort afgelopen met de rust in de polder. Hij heeft zich met milieuminister Cramer (partijgenote van de Voortman van 1976) ten doel gesteld de A4 zo spoedig mogelijk door te trekken van Schiedam naar Delft. In een diepe open betonnen bak krijgt het blik de vrije doorgang.

Milieudefensie vraagt zich af of het nieuwe stuk A4 de verkeersproblemen niet vergroot in plaats van verlicht. De actiegroep A4 met Vaart probeert buiten de discussie over autoverkeer te blijven en richt zich vooral op behoud van het unieke open polderlandschap. “Wij zijn niet voor of tegen aanleg van de weg”, schrijft de actiegroep op haar website vol plannen, “maar wel 100% voor het behoud van het landschap!” Ze heeft een plan ontwikkeld om van het gehele tracé een tunnel te maken met daar bovenop een recreatieve vaart. Volgens de initiatiefnemers kan hun variant voor hetzelfde geld en binnen dezelfde tijd worden gerealiseerd als de bak van Eurlings. Bovendien wordt het landschap van Midden-Delfland niet geschonden, maar juist verrijkt met een vaart.

Erik de Graaf

zaterdag 3 oktober 2009

Dag van de Duitse Eenheid

Negentien jaar geleden is het vandaag dat Oost- en West-Duitsland op 3 oktober 1990 formeel éénwerden. Sindsdien heeft Duitsland er een vrije nationale feestdag bij, de Tag der deutschen Einheit, waarop het in de Nederlandse grensplaatsen nu al traditioneel druk is met Duitse dagjesmensen van net over de grens.

Een week of twee vóór de definitieve eenwording fietste ik tien dagen door de zich opheffende DDR. Door de oostelijke Harz naar Thüringen, onderweg overnachtend in de tent, een pensionnetje of in het zieltogende FDGB-vakbondshuis Rosa Luxemburg tussen Elend en Schierke. Bij toeval was ik vermoedelijk de eerste Nederlander die sinds 1959 weer op de top van de 1141 meter hoge Brocken stond. En de eerste burger überhaupt die dat op de fiets deed. Dertig jaar lang was de Brocken een militaire vesting van het sovjetleger op de grens van oost en west geweest en de afluisterpost voor de Oost-Duitse geheime dienst Stasi. Op de dag dat ik langsfietste werd hij weer voor het publiek geopend.

Tijdens mijn laatste bezoek aan de real existierende DDR was de aftakeling dagelijks zichtbaar. De letters DDR brokkelden van het bord voor het kantoor van de Kulturbund en de eerste DDR-relikwieën kwamen in de uitverkoop. De ondergang was onvermijdelijk, gelukkig.

Erik de Graaf

zondag 27 september 2009

Doof in de politiek

Sommige politici lijken doof en ook nog eens blind voor de maatschappelijke problemen van het moment. In het Oostenrijkse parlement zit sinds afgelopen zomer in de Groene fractie een gehoorloze vrouw, die juist in gebarentaal haar statements heel duidelijk weet te maken.

Helene Jarmer verloor haar gehoor op tweejarige leeftijd door een auto-ongeluk. Dat plaatste haar overigens op één lijn met haar ouders, die al doof waren. Zo werd de gebarentaal haar moedertaal. De geschreven en lipgelezen taal was voor haar een moeizaam bestudeerde vreemde taal, waarin ze wél haar academische studie moest volgen en carriere moest maken. Ze was jarenlang voorzitter van een Oostenrijkse bond voor doven en slechthorenden en docent voor onderwijs aan gehoorlozen aan de universiteit van Wenen.

Sinds juli is Helene Jarmer lid van de Groenen in het Oostenrijkse parlement. In haar maiden speech gaf ze een college over en in gebarentaal, dat door een doventolk vertaald werd. “Tot nu was het zo dat doven alles moesten doen om door de horenden begrepen te worden”, gebaarde Jammer. “Nu moeten de collega-parlementariërs eraan werken, dat ze ook met mij kunnen communiceren”. Haar indrukwekkende speech is te zien op youtube.

Erik de Graaf

zaterdag 26 september 2009

Hey Sowjet

In april 1969 reed een Russische militaire kolonne door het zuiden van de DDR oostwaarts. De sovjetmilitairen keerden terug uit Tsjechoslowakije, waar ze in augustus 1968 de Praagse Lente met grof militair geweld hadden neergeslagen. In het plaatsje Schneeberg in het Erzgebirge werden studenten door de communistische partij gemobiliseerd om de Russische soldaten met bloemen en gejuich te verwelkomen.

Sommigen voelden daar niets voor. In de ogen van zeven vrienden hadden de Russen zojuist de hoop op een humaner socialisme de kop ingedrukt. Ze beklommen de Russische tanks zonder bloemen om de soldaten ter verantwoording te roepen. De actie leek met een sisser af te lopen, maar negen maanden later, in januari 1970, werden ze alsnog gearresteerd. Op verdenking van “staatsvijandelijke groepsvorming” en “staatsvijandelijke hetze”.

In het Stasi-verslag van weer een jaar later (april 1971) lees ik nu hoe de vork volgens de openbare aanklager in de steel zat. Onder leiding van Uli Schaarschmidt (19 jaar toen hij gearresteerd werd) luisterden de “staatsvijanden” regelmatig naar de West-Duitse radio, lazen ze boeken van afvallige communisten als Ernst Bloch en Wolfgang Leonhard en legden ze gedichten van gevierde dichters als Kurt Tucholsky en Bertolt Brecht opzettelijk verkeerd uit. Doel van de “Groep-Schaarschmidt” was volgens de Stasi te komen tot een “Reformsozialismus”, naar het voorbeeld van de Tsjechische contra-revolutionairen van 1968. De activiteiten vonden volgens de Stasi vooral plaats na de “hulpmaatregelen van de broederlanden in Praag in 1968” (voor als u niet gelooft wat u leest: bedoeld wordt het militaire ingrijpen door de Russen).

De vrienden kregen fikse gevangenisstraffen. Schaarschmidt kreeg vijf jaar en zes maanden aan de broek, maar kwam in 1972 onverwachts vrij in ruil voor in West-Duitsland gearresteerde DDR-spionnen. Om de liefde koos hij ervoor in Oost-Duitsland te worden vrijgelaten. Net als zijn vriendin overigens, die drie jaar vastzat. Jarenlang werkte Schaarschmidt als elektricien voor een minimuminkomen. In 1980 verhuisde hij naar Oost-Berlijn, waar het beter toeven was dan in het oerstalinistische zuiden van de DDR. Na de val van de Muur in 1989 verhuisde hij naar München, waar hij tegenwoordig als kunstenaar leeft. In de afgelopen jaren heeft hij ook tekeningen gemaakt van episoden uit zijn leven, waaronder deze van de actie op de Russische tank met de titel Hey Sowjet. In het retrospectief van Schaarschmidt kunt u er meer bekijken.

Erik de Graaf

zondag 13 september 2009

Berlage in Usquert

Usquert was in de eerste helft van de twintigste eeuw relatief een van de rijkste gemeenten van Nederland. Wassenaar, Bloemendaal en het Gooi verbleekten erbij. De enorme rijkdom was echter beperkt tot een kleine elite van grote herenboeren. Tegelijkertijd had de socialistische SDAP, de vooroorlogse voorloper van de PvdA, tot ver na de Tweede Wereldoorlog de absolute meerderheid in de gemeenteraad.

Rijk en vooruitstrevend. In april 1929 besloot de gemeenteraad van Usquert tot de bouw van een nieuw gemeentehuis. Hendrik Petrus Berlage, volgens de burgemeester “Neerlands grootsten bouwmeester van den tegenwoordigen tijd”, kreeg de opdracht een modern gebouw te ontwerpen. Het is Berlages enige gemeentehuis. Toen hij tijdens de bouw vanuit Amsterdam kwam kijken vond hij zijn creatie schril afsteken bij de rentenierswoningen van de herenboeren in het dorp. Reden om er een extra torentje op te bouwen, waarvoor de financiers aanvankelijk de kosten niet wilden betalen. De gemeenteraad deed echter niet moeilijk over de extra uitgaven, ook al had Berlage aangeboden het eventueel dan zelf maar te bekostigen.

In januari 1930 werd het gemeentehuis feestelijk ingewijd. In de hal voor de raadszaal wordt de raadsleden alle wijsheid gewenst:

"Heil ’t nieuwe huis! USQUERT’s gemeentenaren tot vreugd, waar raadszaal hunnen daad vereent. Vermoge hij dan, tot bloei van de gemeent, steeds nieuwe kracht tot wijzen raad te garen."

Tot de gemeentelijke herindeling van 1990 heeft het Berlagehuis als gemeentehuis gediend. Vandaag was het in zijn volle glorie te bewonderen op de Open Monumentendag.

Erik de Graaf

donderdag 10 september 2009

Bericht van Freek

Freek de Jonge is pas 65 geworden. Geen moment voor rust, maar juist voor een tournee over zijn roots en zijn jeugd in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw. Vorige week startte de tour langs de plaatsen van zijn jeugd in het Groningse Winsum, een kleine tien kilometer van het dorp Westernieland waar hij in 1944 in de pastorie (zie foto) werd geboren.

Tien dagen geleden ontving ik ’s avonds laat een e-mail van Freek de Jonge. Of ik hem in verband met een optreden in Winsum in het aanstaande weekend wilde bellen of mailen om een paar vragen over zijn geboortestreek te beantwoorden. Verbaasd over hoe hij daarvoor bij mij terechtkwam belde ik aan het eind van de volgende middag het opgegeven o6-nummer. Een voornaamgenoot meldde me dat ik zou worden teruggebeld als ik mijn naam en telefoonnummer zou inspreken. Later op de avond kreeg ik iemand uit Zutphen aan de lijn, die echter niets over Freeks nostalgische tour wist. Verkeerd nummer. Ik begon te vermoeden dat ik in de maling genomen was, maar mailde toch nog even dat ik altijd bereid was iets over Noord-Groningen te vertellen.

Eergisteren, drie dagen na Freeks laatste Winsumer optreden, ontving ik een reactie:

“beste erik

het lot heeft beslist
jammer
zoals vaak
de opnames zijn voorbij
wie weet ooit

bedankt en groet

freek de jonge”

Ter voorbereiding van zijn rondgang langs kleine theaters wilde Freek gesprekken met (ex-) streekgenoten voeren. Leuk dat hij daarvoor blijkbaar bij mij terechtkwam. Jammer dat we elkaar niet gesproken hebben. Ik had hem misschien behulpzaam kunnen zijn, maar zou hem ook gevraagd hebben iets te doen voor zijn mogelijke opvolgers bij de Jeugdtheaterschool Wonderboom in Noord-Groningen. Wie weet toch, ooit!

Erik de Graaf

zaterdag 5 september 2009

Noordpolderzijl

Voor het eerst sinds tientallen jaren lag vandaag de voltallige UQ-vloot in de haven van Noordpolderzijl. Althans de vijf vissersschepen uit Usquert die nog in de vaart zijn. Aanleiding was de presentatie van een lees- en kijkboek over de geschiedenis van Noordpolderzijl, de thuishaven van vissers en robbenjagers.

Noordpolderzijl is de kleinste zeehaven van Nederland, gelegen in Noord-Groningen. Net boven Usquert, een kwartiertje fietsen vanuit Warffum. Het ontstond door de bouw van een spuisluis na de inpoldering van de Noordpolder in 1814. Het is een unieke plek aan het Wad, met uitzicht op de onbewoonde eilanden Rottumerplaat en Rottumeroog. Op iets grotere afstand zie je het Duitse toeristeneiland Borkum liggen. Wie Noordpolderzijl eenmaal kent gaat er van tijd tot tijd even de kop boven de dijk steken. En daarna wat drinken in het voormalige sluishuis.
Dat Noordpolderzijl een unieke plek is wordt alleen al bewezen door het feit dat het is afgebeeld op prachtige oude schoolplaten. Tot vandaag kende ik de schoolplaat Het Groninger Wad van B. Bueninck uit 1914 de Wolters Uitgeversmaatschappij (bovenste afbeelding). Ook kende ik de schoolplaat Landbouw in de Noordpolder uit 1916 (onderste afbeelding), die staande op de dijk bij Noordpolderzijl landinwaarts blikt. In het fraaie nieuwe boek over Noordpolderzijl zag ik vandaag een nog vroegere schoolplaat van het Groninger Wad uit 1886, waarvan ik helaas verder nog geen afbeelding heb. De middelste afbeelding is van vanmiddag tussen de buiten door.

Erik de Graaf

donderdag 3 september 2009

De stille stad en de koopzondag

De discussie over de koopzondag woedt weer. Ik heb niet veel tegen de principiële argumenten vóór de koopzondag, die ook door René Kerkwijk in stelling worden gebracht. Toch blijf ik een ding jammer vinden, namelijk dat het steeds lastiger wordt om van "de stille stad" te genieten. Wanneer kun je nog ronddwalen in het centrum van een grote stad zonder de inkopende mensenmassa's en zonder de wijd geopende winkeldeuren waaruit de "verkoopbevorderende" muziek klinkt, die mij eerlijk gezegd altijd al voordat ik een broek of schoenen in de juiste maat heb gevonden de winkel doet uitvluchten. Onthaasten is ook belangrijk, daar is iedereen het wel over eens, maar het wordt lastig daarvoor een moment te vinden in een historische stadscentrum. Jammer!

Erik de Graaf

woensdag 2 september 2009

Arbeidsstress

De vakantie is voorbij. Het onderwijs is weer in volle gang, vorige week ben ik weer begonnen. Dat is weer wennen, maar ook leuk. Alleen glipt de tijd in de drukke beginperiode door de vingers. Van de week vond ik een briefje aan mijn vrouw, toen vriendin, uit het blijkbaar net zo drukke 1982. Het is nu weer even van toepassing, maar het komt ook weer goed.

Hoi,
‘k ben gaan rennen
rennen – rannte - gerannt
sterk werkwoord

Zullen we om half zeven eten?
essen – aβ – gegessen
sterk werkwoord

Liefs van Erik

PS: als P. bellt (=blaft), zeg dan dat ik leip van ‘m word

Erik de Graaf

zaterdag 29 augustus 2009

REKRUTERING VAN EEN METAFOOR

Vorige week schreef ik hoe de "dissidente" Oost-Duitse dichter Sascha Anderson in 1985 een literaire solidariteitsverklaring voor een Nederlandse totaalweigeraar in de Amsterdamse Bijlmerbajes schreef. Zes jaar jaar later bleek dat hij tientallen jaren voor de Stasi had gewerkt. Hieronder volgt de licht aangepaste Nederlandse vertaling van 25 jaar geleden. Het is even taai, maar wel interessant in het licht van het Koude Oorlogsdenken:

REKRUTERING VAN EEN METAFOOR

onder de titel DE OORLOG VAN GISTEREN IS HET DRAMA VAN VANDAAG heb ik voor het westberlijnse stadstijdschrift zitty een langer artikel over acht mei geschreven. een datum, die vooral in westduitsland-1985 een conflict aanduidt, dat door het geklets van de partijen ommuurd is. zoals elke andere, een datum in de dossierkasten van de gedenkdagpolitici.

dan hoor ik plotseling over pieter van reenen, waarschijnlijk geen uniek geval, maar tenminste een echt mens, en het treft me meer dan het gejammer van de officiële organen over een raket meer of minder in het andere kamp. maar het andere schijnt een vacuüm in de eigen buik te zijn. houden we ons misschien aan het andere vast, alleen om niet te imploderen. rust en orde in de militaire opstelling, justitia in dienst van politiekfysieke reacties.

ik leef in de ddr, en ik zou in nederland niemand met mijn conflicten belasten, als niet pieter van reenen, de kwestie pieter van reenen, een component van mijn problematiek zou zijn. ik zelf ben nog nooit in nederland geweest, en wat ik over dit land weet, heb ik uit de cultuur. bijvoorbeeld het poetry international festival in rotterdam, met zijn fantastische functie, te vertalen, de poëzie van een vreemde taal in de poëzie van een andere taal, van vele andere. dit festival is voor mij een metafoor geworden voor nederland. Misschien dat de wens meer de vader van de gedachte was, maar ik heb deze metafoor tot nu toe steeds op het beeld van de hele maatschappij overgedragen. holland is voor mij een creatieve “tussen”ruimte, een leefbare differentie.

nu dus, op deze plaats, hoor ik over pieter van reenen, en het wordt me duidelijk hoe zich deze differentie, die ik liever dan elk duitsland op het ogenblik, heimat wilde noemen, in de patstelling van de vervlechtingen in een niemandsland verandert, omdat het gewoonweg niet in staat lijkt, zich buiten het familiegraf der systemen te houden. en zo wordt de kwestie pieter van reenen tot katalysator voor het selectieve ageren van duitse rechters, die de utopie van een “nagekomen” generatie smoren in de van macht gemaakte vergulden cellen van haar paranoïa. en daar wordt de kwestie pieter van reenen de zwarte metafoor voor het zelfbesef van een natie, dat in het systeemdenken haar identiteit verliest. een direct gevolg van het bekend worden van de kwestie pieter van reenen in de ddr zou zijn, dat de autoriteiten tegen hen die hier weigeren zeggen: zolang het westen zijn weigeraars opsluit, moeten wij het ook doen.

ik echter vat juist nu elke weigering op als, zoals ik zei, productieve tussenruimte. in deze zin vertaalt pieter van reenen met zijn beslissing de militaire dienst te weigeren, hollands zelfbewustzijn, en de justitie bewijst slechts haar functioneren als rader in het mechanisme van het duits-duitse volkstuintje.

s. anderson 9.4.85

donderdag 27 augustus 2009

De laatste tyfoon: de kwestie-Graa Boomsma

Eind mei 1994 diende voor de rechtbank in Groningen de zaak-Boomsma. De schrijver Graa Boomsma had in maart 1992 in het Nieuwsblad van het Noorden een vergelijking getrokken tussen de daden van de Nederlandse soldaten in Indonesië tussen 1945 en 1950 en de SS-praktijken uit de Tweede Wereldoorlog. Citaat:

"Kort na de oorlog schreven de communisten: 'Maak van onze jongens geen SS'ers'. Ik denk dat dat weerspiegelt wat er aan de hand was. Ze waren geen SS'ers, nee, ook al konden ze door de dingen die ze deden er wel degelijk mee vergeleken worden. Maar ze werden ertoe gedreven. Schoten ze niet, dan liepen ze de kans door een meerdere te worden neergeschoten. 'Befehl ist Befehl', de ondergeschiktheid is de ziel van de militaire dienst."

Oud-Indiëstrijder Lodewijk Buma voelde zich door deze passage in zijn eer en goede naam aangetast. Reden voor hem om Boomsma en de interviewende journalist wegens smaad aan te klagen. Hij werd uiteindelijk vrijgesproken, omdat de rechter in Boomsma’s uitlatingen geen belediging van bepaalde, concrete personen kon zien. Bovendien stonden de omstreden opmerkingen volgens de rechter niet op zichzelf, maar vervulden ze een functie in de context van het kranteninterview en Boomsma’s roman De laatste tyfoon. Aldus de rechter.

De begin 1992 verschenen roman De laatste tyfoon ging over de zoektocht van een zoon naar het Indische oorlogsverleden van zijn vader. Het verhaal was gebaseerd op autobiografische gegevens van de schrijver, want Boomsma's vader was één van de 120.000 in de jaren 1945-1949 naar de Oost verscheepte Nederlandse soldaten. Na dit basisgegeven moest de schrijver al snel op de fictie overstappen, want zoals zoveel oud-Indiëstrijders had ook Boomsma senior thuis weinig over zijn Indië-ervaringen losgelaten. Boomsma wilde met zijn pen “een gaatje wrikken in de muur van het verleden”.

De ik-persoon, de zoon, presenteert zich in het verhaal als historisch onderzoeker in archieven en op locatie in Indonesië. De roman beschrijft het verloop van de bittere strijd, die door de Nederlanders nogal verhullend “politionele acties” werd genoemd en door de Indonesiërs “onafhankelijkheidsoorlog”. Boomsma beschreef helder dat in die situatie door beide partijen gruweldaden zijn gepleegd. Net als in het interview in het Nieuwsblad wordt ook in de roman regelmatig naar de Tweede Wereldoorlog verwezen. De verloofde van de vader in de roman herkende bij een voorlichtingsbijeenkomst in een Nederlandse kolonel een Duitse soldaat met de twee bliksemschichten op de helm. Haar verloofde had in de Tweede Wereldoorlog een illegaal blaadje rondgebracht, de 'Typhoon' , en was daardoor in het concentratiekamp Amersfoort terechtgekomen. Kortom: de ene oorlog was afgelopen, de volgende kon beginnen. Van het Europese strijdtoneel ging het naar de Oost.

Erik de Graaf