maandag 5 juni 2017

Een Karbaat in een roman van Kundera


Minstens zestig donorkinderen had vruchtbaarheidsarts Karbaat. Dat schijnt hij tenminste zelf eens in een persoonlijk gesprek aan één van zijn donorkinderen te hebben verteld. Hij gebruikte zijn eigen zaad om de kinderwens van zijn patiënten te vervullen. Ongelooflijk. Dat verzin je toch niet.

Of toch wel? Ik had het gevoel dat ik dit verhaal lang geleden al eens gelezen had. Na enig zoeken vond ik in mijn boekenkast de roman Afscheidswals van Milan Kundera. Hij schreef het aan het begin van de jaren zeventig. In 1983 kwam de Nederlandse vertaling uit. Kundera was tenslotte booming in de jaren tachtig. Van De ondraaglijke lichtheid van het bestaan tot aan Het boek van de lach en de vergetelheid. Kundera’s boeken gingen als warme broodjes over de toonbank.

In Afscheidswals gaat het over een Karbaat in een kuuroord in Tsjechoslowakije. Dokter Skréta was gerenommeerd fertiliteitsarts met “een grote clientèle uit de hele republiek”. Zo vertelde hij het trots aan zijn vriend Jakub, die op bezoek was om afscheid te nemen. Jakub had toestemming om naar West-Europa te vertrekken (er stond tenslotte nog een IJzeren Gordijn) en wilde Skréta een door hem verstrekte zelfmoordpil terugbrengen. In de loop van een beklemmend relaas over overspel, abortus en een onbedoelde moord blijkt dat Skréta veel vrouwen in zijn kliniek van onvruchtbaarheid had genezen door zijn eigen zaad te injecteren. Hoeveel donorkinderen hij had wist hij niet, vertrouwde hij Jakub toe, maar die zag na Skréta’s bekentenis opeens tientallen jongens met uiterlijke overeenkomsten met de spermadokter. “En ze zijn allemaal broers”, volgens de arts. Skréta besprak met Jakub dat hij zelf nooit zijn vaderland zou verlaten. Hij wilde er alles aan doen om zich er thuis te voelen en “thuis voelen kun je je alleen tussen je eigen mensen”.

Kundera schreef Afscheidswals aan het begin van de jaren zeventig, niet lang na de onderdrukking van de Praagse Lente in 1968. Ik las het in de jaren tachtig als een absurde en trieste geschiedenis, te bizar voor de werkelijkheid. Inmiddels ben ik benieuwd of het boek in Karbaats boekenkast stond.

Erik de Graaf

vrijdag 26 mei 2017

De Bismarck op de Elbe bij Hamburg


In maart 1922 waren kapitein Marten Toonder senior en zijn vrouw Tine een paar dagen samen in Hamburg. Kort verlof voordat hij naar Zuid-Amerika zou vertrekken. De kinderen waren thuis. Marten junior was tien, Jan Gerhard acht. Vanuit een hotel aan de Elbe stuurden vader en moeder Toonder een prentbriefkaart van de Elbschloss Brauerei in Hamburg-Nienstedten naar huis. Onder de aanhef “lieve jongens” schreven ze hun kinderen dat ze zaten te wachten tot de Bismarck, het grootste passagiersschip ter wereld, over de Elbe voorbij zou komen.

De Bismarck werd in 1914 door de Hamburger scheepswerf van Blohm & Voss gebouwd. Als laatste van drie oceaanreuzen in opdracht van de HAPAG, de Hamburg-Amerika Pakketvaart. De Bismarck volgde op de Imperator en de Vaterland. Ronkende namen in het tijdperk van het Duitse verlangen naar Weltpolitik. Keizer Wilhelm II doopte de Bismarck in juni 1914 onbedoeld. Eigenlijk zou een kleindochter van de vernoemde rijkskanselier dat doen, maar zij gooide jammerlijk mis. De keizer greep resoluut naar de champagnefles om de romp nog net op tijd te raken. Dat was een voorwaarde voor een behouden vaart.


Veel vaart zat er echter niet in tot 1922. Zes weken later brak de Eerste Wereldoorlog uit en de keizer vond zijn marinevloot even boven de passagiersschepen gaan. Het afbouwen van de Bismarck werd gestaakt. Samen met de Imperator lag het in de oorlogsjaren op betere tijden te wachten. De Vaterland lag in die jaren in New York aan de ketting. In 1917 werd het schip door de Amerikanen in beslag genomen en als Leviathan gebruikt om troepen naar Europa te verschepen. Na de Eerste Wereldoorlog werden de Imperator en de Bismarck in het kader van de herstelbetalingen aan Groot-Brittannië toegewezen. De Bismarck moest echter eerst worden afgebouwd. Het duurde nog drieënhalf jaar voordat de Bismarck Hamburg kon verlaten.

De Toonders waren op 28 maart 1922 getuigen van een gedenkwaardige uitreis. Op die eerste proefvaart liep het schip nog bijna in de Elbe vast in de modder, maar het kon uiteindelijk vlot worden getrokken. In mei 1922 vertrok de Duitse Bismarck herdoopt als Britse Majestic voor de White Star Line vanuit Southampton naar New York.

Erik de Graaf
(met dank aan Antoon Bosselaers voor de reactie op de passage over de prentbriefkaart uit mijn boek)

donderdag 18 mei 2017

Jena, DDR - 5 januari 1982


Om twee voor twaalf kreeg ik gisteravond een sms uit Berlijn. "Blase is overleden", las ik. Scheisse, dacht ik en ik sliep er onrustig van. Peter Rösch. Spitzname: Blase (op een oude foto uit 1983 in het West-Duitse Mutlangen; met rechts Roland Jahn). Hij werd 63. Veel te jong om te sterven. Moe en verdrietig redde ik me vandaag door de dag. Met warme herinneringen aan een goed mens. Ik schreef ooit een blog over zijn arrestatie in 1981 en de daaropvolgende dood van zijn vriend in de Stasi-gevangenis. Ruim vijfendertig jaar geleden leerde ik Blase in Jena kennen. Het was een gedenkwaardige avond.

Op 5 januari 1982 woonde ik in Jena, een broeinest van “staatsvijandelijke hetze” in de DDR, een discussieavond in een kerkelijke jongerengroep bij. Keine Moneten für Raketen (“geen poen voor raketten”) was het thema midden in de Koude Oorlog. Ik had blijkbaar het gevoel iets bijzonders bij te wonen. Een paar dagen later schreef ik in de trein naar huis een verslag, dat ik thuis keurig uitwerkte. Ik beschreef de discussies van die avond op twee A4’tjes en bewaarde ze keurig voor later. Tien jaar na mijn bezoek aan Jena stuurde Gerold "Hilli" Hildebrand me drie andere A4’tjes, die hij in het archief van de Stasi over dezelfde discussie had gevonden. “Tijdens de avond was ook een Hollander aanwezig”, schreef de gevreesde geheime dienst. "Von diesem war nur der Vorname Erik bekannt”.

Door Hilli’s vondst in de Stasi-archieven kon ik twee verslagen van één avond met elkaar vergelijken. In mijn verslag lees ik dat de bijeenkomst geopend werd met een praatje over de bijbelse “van-zwaarden-tot- ploegijzers”-tekst. Dominee Konstantin Stanescu leidde de verdere discussies. Hij hield zelf een korte inleiding over defensie-uitgaven van de NAVO en het Warschau Pact, geïllustreerd met Finse cijfers, die weer van Britse cijfers waren afgeleid. Het westen gaf veel meer uit bewapening dan het oosten, concludeerde Stanescu. Een lastige vergelijking, vonden anderen.

Halverwege de avond werd ineens een asbak geleegd. Geldinzameling voor Polen, het was tenslotte kort na het verbod van Solidarnosc in december 1981. “Munten en bankbiljetten vliegen over de tafel de asbak in”, lees ik in mijn verslag. “Twee meisjes nemen op zich dat er goederen gekocht worden en dat die ook in Polen terechtkomen. GEEN GELD VOOR DE MILITAIRE DICTATUUR, wordt er geroepen”. Het werd laat. We bleven met een klein groepje achter. Ik beëindigde mijn verslag met het antwoord op een vraag aan Konstantin Stanescu of hij als dominee naar West-Duitsland zou mogen reizen. “Ja”, antwoordde hij, “maar dan moet ik gebruik maken van privileges die jullie niet hebben en dat wil ik niet.” Dat leek me consequent, een man naar mijn hart.

Maar helaas. Het Stasi-verslag dat ik tien jaar later onder ogen kreeg was geschreven door de Stasi-informant Konstantin Stanescu. De dominee dus. In het verslag gaf Stanescu aan dat hij de jongeren duidelijk wilde maken dat de oorsprong van de wapenwedloop overduidelijk in het westen lag en dat de bewapening van het Warschau Pact een noodzakelijke inhaalslag was (Nachrüstung) om de Verenigde Staten militair bij te benen. Blijkbaar was dat niet goed door zijn publiek begrepen, vond hij, want Stanescu meldde zijn kameraden teleurgesteld dat twee personen (volgens het verslag “buiten de orde om”) een protestbrief wilden schrijven, waarin ook de ontwapening van het Warschau Pact werd geëist. Eventueel zelfs eenzijdig.

Stanescu beschrijft net als ik de actie voor Polen, maar zonder sympathie. Zijn doel was het informeren van zijn bazen over staatsvijandelijke acties, zoals dat in Stasi-jargon heette. De spion berichtte dat Ute HINKELDEY (de hoofdletters zijn van Stanescu) al contacten met Polen had en de opdracht kreeg de “Hilfsaktion zu konkretisieren”. Twee jaar later leerde ik Ute opnieuw kennen. Nu in West-Berlijn, nadat ze er na eindeloze pesterijen van de Stasi mee had ingestemd de DDR met haar gezin te verlaten. Over privileges gesproken.

Erik de Graaf

zaterdag 6 mei 2017

Een glaasje prik bij meneer Van Hanegem


Morgen wordt Feyenoord kampioen, dat zit er tenminste dik in. Vandaag is het 47 jaar geleden, dat Feyenoord als eerste Nederlandse voetbalclub de Europacup voor landskampioenen won. Een herinnering met wat plaatjes uit mijn Feyenoord-plakboek uit het seizoen 1969-1970. En een tip voor twaalfjarigen die overmorgen niet van hun moeder naar de Coolsingel mogen.

Na verlenging werd de finale in Milaan met 2-1 van het Schotse Celtic Glasgow gewonnen. Doelpunt van Bengt Ove Kindvall (spreek uit: Oewe Tsjintwal). Televisiecommentator Herman Kuiphof (spreek uit: HerrMann Tsjuiphof) riep: “Hoe is het mogelijk, hoe is het mogelijk? Het was mogelijk. De Europacup I kwam voor het eerst naar Nederland. De volgende dag stonden 140.000 fans op de Rotterdamse Coolsingel voor de huldiging van de kampioenen. Bijna iedereen was er voor mijn gevoel, behalve ik. Ik mocht niet van mijn moeder. Ze vond het niet verantwoord om een jongen van twaalf naar die drukte te laten gaan. En mijn vader kwam niet op het idee om me te begeleiden op die dag van mijn leven. Veel vergelijkbare voetbaldagen zijn er sindsdien niet geweest. Toegegeven.

Twee dagen na de overwinning der overwinningen vierde ik mijn eigen feestje. Op vrijdag 8 mei 1970 fietste ik met mijn vriendje Gerco Visser vanuit Vlaardingen dwars door Schiedam en Rotterdam naar Zuid. Uiteraard zonder dat ik dat mijn moeder verteld had. Uit Topclub Feyenoord Jaarboek No. 1 van Phida Wolff had ik de adressen van mijn favoriete spelers uit mijn hoofd geleerd. Eerst reden we naar de Immanuel Kantstraat, waar mijn held van het winnende doelpunt in een flat op nummer 236 woonde. Het duurde even voor de lift beneden was om ons naar de (in mijn herinnering) zevende of achtste verdieping te brengen. Toen de liftdeur open ging stond daar niemand minder dan “Kein Geloel”-Ernst-Happel, waarvan ik al wist dat hij op nummer 348 woonde. Happel nam onze hartelijke felicitaties op karakteristieke wijze brommend in ontvangst.


Boven aangekomen belden we aan. Ove [Oewe] deed persoonlijk åpen [Zweeds voor open]. We feliciteerden hem, kregen een handtekening en vertrokken tevreden naar onze volgende held. En daar laat mijn geheugen me een beetje in de steek. In mijn herinnering woonde Van Hanegem in dezelfde flat, maar volgens mijn roemruchte Topclub Feyenoord woonde hij een paar straten verder aan de Molenvliet op nummer 76. Waarschijnlijk was ik een poosje verdoofd door de ontmoeting met de matchwinner. We zijn dus blijkbaar nog vijfhonderd meter naar de Molenvliet gefietst. 

Mijn geheugen functioneert weer vanaf het moment dat we op nummer 76 aanbelden. Truus van Hanegem opende de deur. Keurig netjes vroegen we of meneer Van Hanegem thuis was, omdat we hem wilden feliciteren met de Europa Cup. Aanvankelijk bleven we voor de deur staan, maar toen we op Truus’ vraag antwoordden dat we helemaal uit Vlaardingen waren komen fietsen moesten we binnenkomen. “Helemaal uit Vlaardingen, Willem”, riep ze door de gang. Alsof Vlaardingen achter Milaan lag. Vol respect voor onze prestatie ontving de kersverse Europees kampioen ons in zijn bescheiden huiskamer. Na een glaasje prik, een koekje, een handtekening en veel vriendelijke woorden fietsten we het hele stuk terug naar Vlaardingen. 

Erik de Graaf

PS: dit licht gewijzigde stuk plaatste ik vier jaar geleden ook al op deze blog. Andere stukken over Feyenoord vind u hier.

vrijdag 5 mei 2017

Herr Novotny in Sjeveniengen


Onderstaande tekst sprak ik uit op de Dodenherdenking op 4 mei 2017 in de Jacobikerk in Uithuizen

Toen ik twaalf was ging ik met mijn ouders en mijn jongere broertje en zusje op vakantie naar Oostenrijk. We logeerden in een rustig dorp in Karinthië, ergens in de buurt van de Wörthersee. 1970 was een goed jaar voor mij. Feyenoord had net de Europa Cup gewonnen, Mungo Jerry stond op 1 in de Top 40 en ik verheugde me erop om na de zomer eindelijk naar de middelbare school te gaan. Dat was mijn belevingswereld. En ik had zin in de vakantie.

In de Oostenrijkse boerderij vierden nog twee families vakantie. Een gezin met kinderen van mijn leeftijd uit München en een, in mijn jonge ogen, ouder echtpaar uit Gelsenkirchen. De kalende man had een rond hoofd, een snor én: hij miste een arm. Herr Novotny, zo heette hij, ontving de nieuwe vakantiegangers uit Nederland enthousiast en vertelde al na drie zinnen dat hij weleens in Nederland was geweest, in Sjeveniengen. Hij had mooie herinneringen aan zijn tijd in Nederland, vertelde hij. Pas later aan het oostfront was de oorlog een hel geworden.
Mijn vader reageerde als door een adder gebeten. Inhoudelijk weet ik niets meer over de gesprekken tussen mijn vader en Novotny, maar in mijn herinnering ligt er een zware spanning over die twee vakantieweken in Oostenrijk. Een Duitser van een bepaalde leeftijd die trots vertelde dat hij “weleens” in Nederland was geweest. Dat was onverdraaglijk.

Mijn vader was zeven toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, mijn moeder bijna vijf. Ze groeiden op onder de rook van Rotterdam. Op 14 mei 1940 was dat zelfs letterlijk het geval. Het bombardement op Rotterdam behoorde tot hun vroegste jeugdherinneringen. Vaak hadden me ze al verteld hoe ze in de verte de rookwolken boven Rotterdam zagen optrekken. Een onuitwisbare herinnering.

Oorlogsverhalen. Mijn ouders vertelden ze vaak. Vooral over de hongerwinter, aan het eind van de oorlog. Over het vriendje van mijn vader, dat wormen at. Of over mijn tante Sien, die lange voettochten maakte naar familie op het platteland, maar de meegekregen aardappelen op de terugweg bij een controle bij een NSB’er moest inleveren. Die hongerwinter zat diep. “Als een Duitser ‘bitte’ zegt moet je antwoorden dat we die we al genoeg hebben gevreten in de oorlog”, leerde mijn vader mij onderweg door Duitsland. Hij doelde op de suikerbieten in de hongerwinter.
Verhalen, verhalen, verhalen. De Tweede Wereldoorlog (en elke andere oorlog) is niet alleen een dik boek over harde wereldgeschiedenis, maar ook een vat vol dagelijkse, persoonlijke verhalen. Verhalen maken de mens. Misschien ben ik door al die verhalen historicus geworden. En docent Duits.

Afschuwelijke verhalen vertelden mijn ouders, maar we kennen ze helaas veel gruwelijker. Als Warffumer staat me altijd het verhaal van Benjamin Broekema voor de geest. Hij werkte op het land bij Harrenstein op de boerderij Groot Hoysum richting Den Andel toen hij de oproep kreeg om hij zich te melden om naar het doorgangskamp in Westerbork te gaan. Harrenstein zei nog tegen hem dat hij beter kon onderduiken, maar uit angst voor de gevolgen voor zijn gezin meldde hij zich toch bij het station. Hij verbleef maar kort in Westerbork. Op 15 juli 1942 zat Broekema in de eerste trein, die vanuit Westerbork naar Auschwitz vertrok. Daar werd hij een maand later, op 17 augustus 1942, vermoord. Drie maanden later waren zijn moeder Reina, zijn vrouw Sara en zijn dochters Reina en Rachelina aan de beurt. Op het monument in Kamp Westerbork herinnert een door buurman Kuilder gemaakte familiefoto aan hen.


Of denk aan de Knorringa’s uit Uithuizen. In juli 1942 werd de veehandelaar Sally Maurits Knorringa uit de Schoolstraat met zijn zoons Carel van 20 en Betto van 18 opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Vier maanden later moest ook Geertje Knorringa naar Westerbork. Mocht, vond ze zelf, want ze verheugde zich erop haar man en haar jongens daar weer te zien. In het kamp zag ze haar man Sally en haar zoon Betto terug. Niemand wist op dat moment dat Carel Knorringa al drie maanden eerder in Auschwitz was vermoord.
In oktober 1942 was de tweeëntachtigjarige Johanna Knorringa-Van Zuiden in Westerbork overleden, ruim een half jaar later overleed haar 88-jarige echtgenoot Comprecht in het doorgangskamp. Sally en Geertje Knorringa werden in 1943 naar Auschwitz gedeporteerd, hun zoon Betto naar Sobibor. Ze kwamen geen van allen terug en worden, met de overige slachtoffers uit Uithuizen, herdacht op het monument buiten deze kerk.

De joodse journalist Philip Mechanicus maakte een tweede monument voor opa Comprecht Knorringa. In zijn dagboek beschreef Mechanicus het overlijden van zijn barakgenoot Knorringa:
“Het dodenmasker weerspiegelde een reine, gave, goede mensenziel. Zo oud als hij was, was hij de Benjamin van de barak geweest. Deze keer geen koud cynisme, dat de onafgebroken opeenvolging van doodsgevallen in de toeschouwers wakker roept, maar spontane deernis. De lieveling van allen was heengegaan”.

Ik ben van na de oorlog, maar vertel de verhalen weer verder aan volgende generaties. Aan mijn kinderen, maar ook op mijn werk op een school in Appingedam. Een paar jaar geleden heb ik een project voor de brugklassen opgezet over de Tweede Wereldoorlog. Een paar weken geleden werd het voor de derde keer werd uitgevoerd. Het was de bedoeling om de leerlingen erachter te laten komen wat zich in de oorlogsjaren in hun eigen woonomgeving had afgespeeld. Dus van Termunten tot Roodeschool en van Ten Post tot Delfzijl. Het was voor de derde keer een bijzondere ervaring.

We begonnen de projectweek in de Molenberg in Delfzijl met het toneelstuk Issy en Sophius, gespeeld door de Groningse theatergroep De Steeg. Het stuk ging over twee joodse broers uit Winsum, die in de oorlogsjaren wreed uit hun normale leven met voetbal, kattenkwaad en verliefdheden werden gerukt, doordat ze verplicht een Jodenster moesten dragen, van de gewone school in Winsum werden geweerd en uiteindelijk met hun ouders naar Auschwitz werden gedeporteerd. Wie daar naar links moest ging naar de gaskamer, wie naar rechts mocht moest werken. De familie uit Winsum overleefde de oorlog niet. De dertienjarige Michel schreef een dag na het theaterbezoek in een recensie:
“Op het eind kwamen de foto’s van de familie uit het decor tevoorschijn. Het hele publiek werd hierdoor erg stil. Het was erg indrukwekkend”.


In de volgende dagen fietsten de leerlingen langs oorlogsmonumenten en -herinneringen in Appingedam, Holwierde en Delfzijl, bezochten ze een synagoge, gingen ze op excursie naar Westerbork en vroegen ze in hun familie en eigen woonomgeving naar oorlogsverhalen. Een leerling uit Eenum, die van tevoren zeker wist dat er in zijn dorp niets was gebeurd, had aan het eind van de week drie Eenumer oorlogsverhalen opgerakeld, een ander kwam met foto’s uit de oorlog op school en weer een ander met een brief van het Rode Kruis over een veroordeling van zijn overgrootvader in het Duitse Duisburg. Honderdzestig leerlingen presenteerden hun bevindingen aan het eind van de week in een tentoonstelling in de kantine, die bezocht werd door ouders. Ik was onder de indruk van de beleving en van het resultaat. In feite hadden ze nieuwe verhalen ontdekt.

Niet voor niets zijn de persoonlijke verhalen hét thema van de 4-mei-herdenkingen van dit jaar. Verhalen houden het verleden levend. Zolang de verhalen verteld worden en namen van de slachtoffers genoemd, blijven ze in de herinnering. En met die herinneringen in ons hoofd kunnen we de slachtoffers van oorlog en onderdrukking herdenken. Verhalen -  herinneringen – herdenkingen. Ze helpen ons om de barbarij uit de oorlogsjaren niet te vergeten, maar ook om het onrecht van onze eigen tijd te herkennen, te bestrijden en te voorkomen. Ook dat lijkt me een plicht aan hen, die we vandaag herdenken.

Erik de Graaf

dinsdag 2 mei 2017

Mijn jeugd - een gedicht van kapitein Marten Toonder senior


Op de honderdste geboortedag van de striptekenaar Marten Toonder, vandaag vijf jaar geleden, begon ik aan wat anderhalf jaar geleden uitmondde in een biografie van zijn vader met de titel Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein. Vader Toonder werd in 1879 in Warffum geboren en overleed in 1965 in Leiden. In het archief van de Toonders vond ik een paar jaar geleden drie versies van een gedicht dat de vader na de geboorte van zijn zoon schreef. Eén handgeschreven op een groot vel papier, één handgeschreven in een schrift en één getypt. Het was geen groots gedicht van de man die nog geen tien jaar kon lezen en schrijven. Het is wel aangrijpend, vol emotie, weemoed en trots. Marten Toonder senior, eerste stuurman op de Phecda van de rederij Van Nievelt Goudriaan & Co, blikte terug op zijn eigen bikkelharde jeugd in Warffum en op Rottumeroog en sprak de hoop uit dat zijn zoon Marten later op een zonniger jeugd kon terugkijken. 

Mijn jeugd

Wanneer ik soms alleen ben, met gedachten zoo vrij
Vaak denk ik aan vroegere tijd
Aan mijn jeugd vol ontbeering, en toch wordt hij vaak
Nu ik man ben in stilte benijd
Ik zie nog die duinen, zij verheffen hun kruinen
Zoo statig, met mos groen begroeid
Met hun heuvels en dalen, waar ik liep te dwalen
Vol dartelheid, nimmer vermoeid

Steeds toonloos en rustig klonk de golfslag der zee
Zij zong dan voor mij steeds haar lied
Soms krulden zij hun kruinen en beukten de duinen
Door mij van hun toppen bespied
Als des avonds de zon vaak, reeds neigde ter kimme
Dan liep ik nog barvoets aan ‘t strand
En tuurde over ‘t water, en dacht hoe ik later
Zou varen naar ieder vreemd land

Mijn kleeding was schamel, want Moeder ontbrak
Met haar liefde, door mij nooit gekend
Ik ontving geen liefkoozing, en hoe klein ik nog was
Toch werd ik door niemand bemind
Wel dacht ik eens na, als ik maatjes soms hoorde
Over schoolgaan en over het vak
Waar zij voor wilden leeren, en verder studeeren
Naar hun keuze, wat zelve toch sprak
Dan gevoelde ik dat het leven mij niet was gegeven
Als aan hun die steeds vroolijk vol lust
In hun hoofdje geen zorgen, en iederen morgen
Door Moeder lief wakker gekust

Dan had ik behoefte, aan steun en aan liefde
En voelde dan ‘t doornige pad
Vond zoo vroeg mij misdeeld dan, en de wereld zoo koud
Als ik zag wat een ander bezat

Doch de lieve natuur, en mijn vrije omgeving
Waren niet als het menschdom zoo wreed
Zij waren mijn vrienden en verstootten mij niet
Zij verzachtten mijn kinderlijk leed;
Door een ieder miskend, dat werd mij een prikkel
Het staalde mijn moed en mijn wil.
Gedaan was mijn leed, ik gevoelde mij sterk
Al was mijn omgeving steeds kil.

De zee, mijn vriendin, zij wenkte van verre
Zij fluisterde stiltjes en zacht
Kom luister naar mij, ik maak u tot man
Al wordt gij door ieder veracht
Ik ging haar bevaren, en zij hield steeds haar woord
Van knaap maakte zij mij een man
Zij leerde mij vlijt, gehoorzaamheid, trouw
Zoo goed als een vader dit kan.

Nu echter is het leed en ontbeering geleden
En word ik niet meer als vroeger misacht
‘k Sta thans op één lijn met velen van vroeger
Die het leven meer geluk had gebracht.
Ja mijn leed is geleden, ik heb liefde gevonden
Twee oogjes reeds kijken mij aan

Zij vragen deemoedig, om niet zoo als vader
Alleen op de wereld te staan
Goddank heeft de Schepper, mij die liefde gegeven
Mij de plicht ingeprent om met vreugd
Tot een man hem te maken, met een ferm karakter
Met een vroolijke zonnige jeugd
Als vergoeding hiervoor slechts, vraag ik achting en liefde
In latere dagen mijn vreugd
Zal zijn dat mijn zoon, als hij man is kan zeggen
Ik had toch een zonnige jeugd!

Marten Toonder senior (1912)