dinsdag 16 oktober 2018

Rare jongens, die Romeinen


Die verrekte Plinius de Oudere toch. In het jaar 47 voer de schrijver en historicus met een Romeinse vloot via Utrecht (dat toen Trajectum heette) en het Flevomeer naar het Waddengebied om de opstandige bevolking een lesje te leren. Hij was onthutst door wat hij er aantrof. Grauw en grijs in vele tinten. In een land dat nauwelijks van zee te onderscheiden was woonde “een niet te benijden volk” op zelf opgeworpen heuvels. Bij vloed leken de bewoners op zeevaarders op volle zee, vond Plinius, maar bij eb zagen ze er uit als schipbreukelingen op hun eilandjes. Hij vond het maar een treurige toestand en dacht dat de bewoners als slaven in het Romeinse Rijk een beter leven zouden hebben.

Bijna twintig eeuwen bepaalde het grauwe verhaal van Plinius het beeld van het vroege leven in het Noord-Nederlandse kustgebied. Toch moet er meer zijn geweest, want wat Plinius niet zag was dat het terpen- en wierdenlandschap in Friesland en Groningen met dertig - tot veertigduizend inwoners het dichtstbevolkte gebied van Noordwest-Europa was. De bewoners wachtten in hun woonheuvels niet lijdzaam op betere tijden, vertelde de archeoloog Mans Schepers vorige week op een symposium over terpen en wierden, maar zorgden ervoor dat ze goed konden leven in het gebied. Ze hielden hun woningen altijd tussen vijftig en honderd centimeter boven het hoogste waterniveau om droge voeten te houden. Zo ontstonden uiteindelijk vijfhonderd kleine, middelgrote en grote wierden in Groningen, duizend terpen in Friesland en zelfs zevenduizend wurten of warften in het Noord-Duitse kustgebied. De bewoners deden aan veeteelt en landbouw op de vruchtbare kweldergronden, raapten meeuweneieren en vingen vissen, vogels en robben. Uit archeologische vondsten is inmiddels gebleken dat ook de ruilhandel belangrijk was. Zelfs met de Romeinen, al wilden die dat blijkbaar niet weten. Het viel dus wel mee met de bittere armoede. Plinius bekeek de bewoners van het noorden vanaf zijn schip door zijn “azuurblauwe, decadente Romeinse bril”. Rare jongens, die Romeinen.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de bronzen plaquette met een voorstelling van de wierde van Rottum, ontworpen door Willem van Wijnen. De hele serie leest u op Op verkenning door Het Hogeland.

vrijdag 5 oktober 2018

Groninger geest


“Ik ging in Warffum op de HBS, geboren en getogen in Valom, Hefswal, Uithuizermeeden”, schreef dr. ir. J. van Veen uit Den Haag in april 1955 aan Marten Toonder senior in Oegstgeest. Van Veen bedankte de gepensioneerde kapitein voor het schrijven van zijn boek Klei en zout water. “U ging varen”, schreef de waterstaatsingenieur in 1955 aan Toonder, “ik wilde de Wadden inpolderen, maar het werd meer het zuidwesten – ook klei en zout water”. Van Veen dankte de kapitein voor “veel goeds en waardevols: de Groninger geest”.

De kapitein beschreef in zijn boek hoe hij in 1899 als analfabete twintigjarige jongen van het Hogeland naar Rotterdam vertrok om matroos op de grote vaart te worden. “Pas op, de klei zuigt je de grond in”, herinnerde hij zich de waarschuwing van een vriend, die net als zovele Groningers voor een beter bestaan naar Amerika emigreerde. Toonder koos liever het zoute water. Hij bevoer de wereldzeeën, leerde lezen en schrijven en werkte zich op tot zeekapitein.

Johan van Veen werd in 1893 geboren als derde zoon van een boer. Hij ging naar de polderschool in Valom, vervolgens naar de Franse School in Uithuizen en daarna naar de driejarige HBS in Warffum. Dagelijks reisde hij met zijn vrienden naar school. Hij blonk uit en genoot van de lessen. Directeur Smit van de HBS zag zijn talent en adviseerde om door te leren. Van Veen kreeg alle gelegenheid om te studeren, want als derde zoon kon zijn vader hem niet op de boerderij gebruiken. Teveel opvolgers versnipperden het boerenland. Van Veen ging in Delft studeren, werd waterstaatsingenieur en na de Watersnoodramp van 1953 de “Vader van het Deltaplan”. In 1959 overleed hij onderweg naar een vergadering over zijn volgende geesteskind, de Eemshaven.

Het begon allemaal op school in Valom, in Uithuizen en in Warffum. Als ik de schooljeugd tegenwoordig ’s ochtends naar school zie fietsen ben ik benieuwd waartoe hun “Groninger geest” het uiteindelijk zal brengen.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde scholieren op de fiets naar school. Deze maand viert het Hogeland College in Warffum, Uithuizen en Wehe den Hoorn het feit dat 150 jaar geleden de Hogere Burgerschool werd opgericht. De andere 44 afleveringen in de serie leest u op hethogeland.blogspot.nl 

zondag 30 september 2018

Eemshavenweg


We verkennen dit jaar de grenzen van Het Hogeland. Otto met zijn fototoestel, ik met pen en papier. Reitdiep, Lauwersmeer en Wad. Veel water. Vanaf Rottumeroog loopt de gemeentegrens naar de oostkant van de Eemshaven. Daar gaat hij aan wal en verandert hij in asfalt. Terug naar de stad volgt de grens grofweg de Eemshavenweg.

In 1972 besloot de provincie Groningen de Eemshavenweg aan te leggen om de gloednieuwe Eemshaven te ontsluiten. De verwachtingen van het nieuwe havengebied waren enorm. De verwachte verkeerstromen eisten nieuwe wegen. Grommende machines legden eerst het noordelijkste deel tussen Roodeschool en de haven aan. Vervolgens werd de Eemshavenweg stukje voor stukje uitgebreid vanuit Groningen. Het asfaltlint volgde grotendeels de voormalige Maarvliet, de middeleeuwse grens tussen Hunsingo en Fivelingo. Dezelfde lijn volgt volgend jaar de oostgrens van de gemeente Het Hogeland. Met een paar uitzonderingen. Middelstum en Huizinge zijn bij een vorige herindeling per ongeluk bij Fivelingo terechtgekomen.

In 1977 werd het traject van Zuidwolde tot de afslag Sint-Annen afgerond. De afrit Huizinge volgde, Garsthuizen, Zijldijk en in 1979 bereikte de Eemshavenweg Roodeschool. Noord-Groningen was weer een stukje dichter bij de stad gekomen, schreef het Nieuwsblad van het Noorden. Moesten de bewoners vroeger vanuit Uithuizen vijfendertig kilometer via Winsum naar Groningen reizen, nu waren ze ineens over de snelle Eemshavensweg in vijfentwintig kilometer in de stad. Niet alleen de Eemshaven was ontsloten, andersom was ook de stad makkelijker bereikbaar vanuit het noorden. Toch was niet iedereen tevreden. Door de nieuwe weg nam het verkeer door dorpen als Eppenhuizen, Zandeweer en Doodstil naar Uithuizen flink toe. Inwoners van Oldenzijl protesteerden toen er een plan ontstond voor een nieuwe weg vanaf de afrit Garsthuizen naar Uithuizen, dwars door het land tussen Oldenzijl en Eppenhuizen door. Het groene hart van Groningen werd door wegen in stukken gehakt, vonden ze. Die weg langs Oldenzijl ging uiteindelijk niet door, maar jaren later werd er wel een andere variant van Garsthuizen naar Uithuizen aangelegd om de tussenliggende dorpen te ontzien.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de Eemshavenweg in het ochtendgloren vanaf het viaduct aan de Dijkumerweg bij Oldenzijl. Lees de hele serie Op verkenning door Het Hogeland

zaterdag 22 september 2018

Het schoonschrift van Gesina


Een paar jaar geleden werkte ik me een weg door een stapel schriften van Klaas Guitje van Dijk en zijn zoon Guitje Klaassen, twee opeenvolgende voogden van het eiland Rottumeroog tussen 1834 en 1908.  Ze schreven over het planten van helmgras op het eiland, over de strandvonderij en over het houden van schapen. Ook vond ik een stapel schoolschriften van de kinderen van de laatste voogd Van Dijk. In het Schoonschrift van dochter Gesina las ik brieven, opstellen en keurig netjes overgeschreven volksverhalen en gedichten. Steeds één pagina lang en meestal zonder eind. Zo ook Wie is de koning?

Toen koning Frits, in burgerdracht,
Eens met zijn groten ging ter jacht,
Was hij een eind vooruitgegaan,
En trof een snuggere landman aan – verbeeld je!

“Mijnheer!” - zoo sprak deze – “wees zo goed,
En zeg mij wie van gindse stoet
Is koning Frits? U kent misschien
De vorst; - ik zou hem graag eens zien”- wel zeker!

“Dat kan geschieden, goede man”,
Was Frederiks antwoord. “Volg mij dan.
Wij gaan erheen, dan merkt gij gewis.
Al spoedig wie de koning is” – natuurlijk!

Je kent toch wel de vaste wet,
Dat iedereen de hoed afzet
In ’s Vorsten tegenwoordigheid,
Uit eerbied voor zijn Majesteit?” - wel zeker!

Hier stopt het door Gesina overgeschreven gedicht. De clou hield ze voor zichzelf. Het was tenslotte een schrijfoefening. Bij het Meertens Instituut vond ik de afloop. Het was een mop over de Pruisische koning Friedrich II uit de achttiende eeuw. Samen met de boer wandelde Frits naar de jagers, ging het gedicht verder. Behalve Frits nam iedereen zijn hoed af. De boer wist niet waar hij kijken moest. De laatste niet door Gesina opgeschreven regels luidden: 

Als Frits zich tot de boer nu wendt en vraagt of
Hij de vorst al kent, is het antwoord
Van de snuggere Hein:
Een van ons beiden moet het zijn!

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde "schoonschrift in helmgras". Bekijk de hele serie Op verkenning door Het Hogeland.

vrijdag 21 september 2018

Goodbye Middag-Humsterland


De brug bij Garnwerd is open. Leunend op mijn fietsstuur sta ik te wachten tot hij weer sluit. Ondertussen staar ik naar de andere oever. Volgend jaar wordt het Reitdiep weer een grensrivier tussen twee gemeenten, bedenk ik. Net als vóór 1990, toen Garnwerd, Feerwerd en Ezinge bij de gemeente Winsum werden gevoegd.

Niet iedereen vond die samenvoeging logisch. De andere kant van het Reitdiep hoorde van oudsher bij het Westerkwartier, vond men. Bovendien werd Middag-Humsterland, de strook van Garnwerd tot voorbij Niehove, nu over twee gemeenten verdeeld: Middag kwam bij Winsum en Humsterland met Saaksum, Oldehove en Niehove bij Zuidhorn. Dat deed geen recht aan het verleden. In tweeënhalfduizend jaar hadden de bewoners het gebied met eigen handen ontwikkeld tot het oudste cultuurlandschap van Europa. Soms met hulp van de zee, soms dwars tegen de zee in. Wierden, dijken en sluizen maakten het land bewoonbaar. En schitterend mooi. De ontstaansgeschiedenis is nog steeds goed aan het landschap af te lezen. In 2005 werd het unieke karakter beloond met de status Nationaal Landschap. Inmiddels is Middag-Humsterland zelfs genomineerd als Werelderfgoed van de Verenigde Naties.

Toen jaren geleden de discussie over nieuwe herindelingen losbarstte ontstond de wens om Middag en Humsterland bestuurlijk te herenigen. Om de mening van de bewoners te peilen werd in november 2016 een volksraadpleging georganiseerd. Iedereen boven de achttien in het gebied kreeg drie vragen voorgelegd. Driekwart van de respondenten vond dat Middag-Humsterland weer in één gemeente moest komen, bij voorkeur in de nieuwe gemeente Westerkwartier. Zelfs in Garnwerd, dat door de afstand het meest op Winsum gericht is, koos een kleine meerderheid daarvoor. En zo geschiedt het dus, vanaf januari.

Werden alle grensconflicten maar zo soepel opgelost. Luisteren, overleggen en toegeven. De wereld zou er anders uitzien. Nadat twee schepen de brug bij Garnwerd gepasseerd waren kon ik mijn weg vervolgen. Via Aduarderzijl en de Allersmaborg fietste ik naar Ezinge om via Oldehove, Niehove bij Elektra de grensrivier Reitdiep weer over te steken. Goodbye Middag-Humsterland, tot ziens. Terug naar Het Hogeland.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de brug over het Reitdiep bij Garnwerd. Lees de hele serie Op verkenning door Het Hogeland.

donderdag 13 september 2018

Het brood des levens


Bij het station van Roodeschool werd zaterdag een veganistisch ontbijt geserveerd. Uit protest tegen plannen voor een megastal met vijftigduizend kippen aan de rand van het dorp. Ik had thuis al veganistisch ontbeten (de kaas was op), maar een cracker met “eiersalade” van tofu ging er nog wel in. Daarna fietste ik de laatste kilometers naar ’t Nijkerkje in Oosteinde, waar een tentoonstelling te zien was over de dagelijkse kost door de eeuwen heen. Van “zoepenbrij en bonenklont” tot magnetronmaaltijden. En van de moestuin tot aan de voedselindustrie. Ook op ons bord is in de loop van de tijd veel veranderd.

Oosteinde is het meest oostelijke deel van Roodeschool. Vijf boerderijen en wat arbeidershuisjes stonden er vroeger nogal verspreid, totdat de bouw van het nieuwe kerkje er na 1846 voor zorgde dat er langzaam maar zeker een dorpskern ontstond. Met een bakkerij, een slager, een smederij en natuurlijk ook een paar cafés. Voor een groenteboer was er te weinig klandizie in Oosteinde. Veel dorpelingen verbouwden hun groenten op eigen grond. Ze hielden kippen voor de eieren en een varken of een geit voor de slacht. Het menu werd bepaald door de opbrengst van de moestuin. Aardappelen, bonen, knollen, kolen en bieten. Apart of in een stamppot. Op zondag was het feest rond 1900: aardappelen met mosterdstip en rijst met bruine suiker als toetje.

De tentoonstelling in ’t Nijkerkje gaf een boeiend beeld van de eetgewoonten door de eeuwen heen in Noord-Groningen. “Ik ben het brood des levens” las ik als toepasselijke Bijbeltekst in een gebrandschilderd raam. Schuin tegenover de kerk aan de Radsweg had de negenentachtigjarige Evert Kooi het hooi en de bonen op ouderwetse ruiters achter zijn huis te drogen gehangen. Zo ging dat vroeger, vertelde hij me toen ik ze van dichtbij mocht bewonderen. Het voelde als een korte reis naar een ver verleden. Naar de tijd dat de kippen nog vrij over het erf liepen en een eiersalade nog een eiersalade kon zijn.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde Evert Kooi achter zijn huis bij de drogende bonen op ouderwetse ruiters. Andere afleveringen in onze serie kunt u zien op Op verkenning door Het Hogeland