donderdag 3 augustus 2017

Warffum Alert: zienswijze in ontwikkeling


De werkzaamheden op de NAM-locatie in Warffum worden binnenkort voortgezet. Dat valt vandaag op te maken uit een mededeling op de website van de NAM. Wanneer met de klus wordt gestart staat er niet bij. Wel dat het een vervolg is op de onderhoudswerkzaamheden in het voorjaar.

Onderhoud? Ja, dat zei de NAM in het voorjaar ook. Maandenlang zijn ze ermee bezig geweest. Er werd toen niet gerept over vervolgwerkzaamheden in het najaar. Nee, het was maar voor even en de gewoonste zaak van de wereld. Een Open Avond op de locatie werd in allerijl afgezegd, omdat de NAM vreesde dat we met teveel zouden komen. We zijn toen toch maar gegaan in een demonstratieve optocht van 350 mensen. Er was geen koffie en koek, zoals beloofd. Wel bewaking.

Begin juli verscheen er zonder enige vooraankondiging Kennisgeving Ontwerpbesluit Omgevingsvergunning Inrichting Warffum. De stukken liggen vanaf 7 juli ter inzage op het gemeentehuis van Eemsmond. Tot uiterlijk 17 augustus kan “een ieder” zienswijzen insturen. Natuurlijk weer net midden in de vakantie. In een memo van het College van B&W aan de Raad van 17 juli, naar aanleiding van een gesprek met de NAM, staat dat de “restcapaciteit” van 1 miljard kubieke meter gas in het Warffumer Gasveld binnenkort zal worden gewonnen. Leegtrekken dus.


Behalve over een Omgevingsvergunning zal de discussie binnenkort ook gaan over een nieuw Winningsplan voor Warffum, ook weer om een oud Winningsplan te vervangen. In het derde kwartaal van 2017 zal het nieuwe naar verwachting openbaar worden gemaakt. Bij nieuwe Winningsplannen organiseert het Ministerie van Economische Zaken informatieavonden. Hou de aankondiging in de gaten, zou ik zeggen.

Aan het slot van het gemeentelijke memo van het College moppert de NAM “dat er onnodige onrust is ontstaan omdat de actiegroep en de media het reguliere onderhoud aan de installaties koppelden aan een toename van aardgasproductie. Dat was nadrukkelijk niet het geval.” Slechte lezers bij de NAM. In het Dagblad van het Noorden van 20 april 2017 zeg ik namens de actiegroep Warffum Alert dat we ons er zorgen over maken dat de NAM nu ook het laatste miljard uit het Warffumer Gasveld wil pompen. We zijn niet geschift bij Warffum Alert. We snappen wel dat er niet meer uitgehaald kan worden dan er inzit.


Warffum Alert heeft een Zienswijze opgesteld, waarin de minister wordt aangeraden te stoppen met de gaswinning in Warffum (en elders). Alle onderhoud is dus eigenlijk overbodig. Ontmanteling van de locatie is voldoende. Heel binnenkort wordt de Zienswijze op de site van de Groninger Bodembeweging geplaatst. “Een ieder” kan daar dan ondertekenen. Hou het in de gaten.

Erik de Graaf 

dinsdag 1 augustus 2017

NAM eigenaar Zuidpool


Nee, het gaat hier niet over Antarctica. Onder de kop NAM eigenaar Zuidpool meldde de roemruchte Ommelander Courant vorige week dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij de in 1852 gebouwde monumentale boerderij Zuidpool aan de Streeksterweg tussen Usquert en Uithuizen heeft aangekocht. Met een net zo monumentale slingertuin er omheen. Rijksmonument sinds 1978. Een trotse herenboerderij met gracht en tuin. Cultuurhistorie, maar hopelijk geen voltooid verleden tijd.

De boerderij Zuidpool werd in 1852 gebouwd door Harm Bruins ter vervanging van zijn boerderij aan de Oudedijk. Tegelijkertijd bouwde hij iets noordelijker in de Noordpolder de boerderij Noordpool, die door een medewerker werd bewoond. Zelf ging Bruins op Zuidpool wonen. Op stand. Hoe op stand? Dertig jaar eerder, in juni 1823, wandelden de jonge schrijver Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp van Warffum naar Uithuizen. “Beide zijden van de weg waren omkranst met boerderijen, die allemaal even groot en welgelegen waren”, schreef Van Lennep in zijn Dagboek over de wandeltocht door Nederland. “Men moet ze bezocht hebben om er zich een voorstelling van te kunnen maken. – Op elk huis stonden bliksemafleiders”. 

Bliksemafleiders, ongetwijfeld kreeg Zuidpool er ook een. Overal op voorbereid. Overal op voorbereid? De laatste jaren zag ik de boerderij Zuidpool in de steigers staan als ik er in het spoor van Van Lennep en Van Hogendorp langsfietste. Aardbevingsschade. Zoveel schade dat de bewoners nu al zeker anderhalf jaar (mijn schatting) in de containers op de paardenweide naast de slingertuin wonen. Vorige week zag ik dat de steigers waren verdwenen. De anders zo verzorgde tuin toonde de eerste tekenen van verwildering. Een romantisch bankje onder een oude boom zag er verdrietig uit.


Vorige week werd bekend dat Zuidpool door de NAM is aangekocht. Een zegen voor de voormalige eigenaren, maar of het voor het pand ook gunstig uitpakt is de vraag. Het is niet de eerste monumentale boerderij die in bezit van de NAM is gekomen. Eerdere aankopen staan al een poosje leeg. In Slochteren, in Huizinge, in Stedum en nu in Usquert. Vreemd toch dat zo’n rijksmonument nu in bezit van de NAM komt. Ik zie de NAM niet onmiddellijk als verdediger van cultureel erfgoed. Of de wettelijke bescherming van rijksmonumenten gegarandeerd is bij zo’n eigenaar durf ik te betwijfelen. 

Erik de Graaf

zaterdag 29 juli 2017

Moord op de Rotterdam Zuid-Amerika Lijn


Wie is de moordenaar? Om die vraag draait het in de detective Tim MacNab zoekt kopij, die schrijver en striptekenaar Marten Toonder (1912-2005) in 1937 op vijfentwintigjarige leeftijd schreef. Pas vier jaar later verscheen het eerste avontuur van zijn beroemde stripfiguren Ollie B. Bommel en Tom Poes in De Telegraaf.

Vijf jaar geleden werd het verhaal over Tim MacNab ontdekt in Toonders archief. Tachtig jaar nadat het geschreven werd ligt het nu eindelijk in de boekwinkel. Terecht, want het is een uiterst amusant, spannend en wervelend geschreven meesterwerkje. Talloze Bommelfans mogen in hun handen knijpen dat het boekje niet al in 1937 verscheen, want dan had Toonder zich misschien zijn leven lang aan verhalen over MacNab en kapitein Sixma gewijd en waren Bommel en Tom Poes nooit geboren.

Aan boord van het stoomschip Wega, een vrachtschip tussen Europa en Zuid-Amerika met zes hutten voor passagiers, wordt een moord gepleegd. Kapitein Sixma en de Amerikaanse journalist Tim MacNab gaan op zoek naar de dader, die zich aan boord moet bevinden. Alle passagiers komen onder het vergrootglas van de speurders te liggen. Net als je denkt te weten hoe de vork in de steel zit wordt er een tweede moord gepleegd. Op weergaloze wijze zet Toonder zijn lezers voortdurend op het verkeerde been, totdat de ware dader uiteindelijk bij een tussenstop in Las Palmas aan de politie kan worden overgeleverd.

Niet voor niets speelt het verhaal zich af op een schip naar Zuid-Amerika. Toonders vader, die in 1879 in Warffum werd geboren, bevoer tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog twintig jaar lang diezelfde route als kapitein op de Rotterdam Zuid-Amerika Lijn. In 1931 nam kapitein Marten Toonder senior zijn zoon een keer mee naar Argentinië. Junior had zijn examen gehaald en overbrugde zo de tijd tot aan zijn militaire dienst. Bovendien kon hij op volle zee goed nadenken over zijn toekomstplannen. In Argentinië besloot hij om tekenaar te worden. Senior vond “poppetjes tekenen” geen beroep, maar gaf zijn zoon een jaar de tijd om te bewijzen dat hij daarvan kon leven.

Kapitein Toonder (op de foto in tropenuniform met passagiers aan dek van zijn schip) was net als zijn zoon een creatieve geest. Op zijn zeereizen bouwde hij houten scheepsmodellen op schaal en hij vergat nooit een schildersezel mee aan boord te nemen. Hij schreef gedichten, dagboeken en brieven, terwijl hij pas op zijn drieëntwintigste had leren lezen en schrijven. Uit die brieven kon de jonge Toonder zich een goed beeld vormen van het leven aan boord. In de loop van de jaren dertig breidde de rederij het aantal passagiershutten uit om tegemoet te komen aan de vraag van joodse Europeanen, die voor Hitler naar Zuid-Amerika vluchtten. “Mijn passagiers gaan in Montevideo van boord om hun leven nog wat te verlengen”, schreef de kapitein in januari 1939 in zijn dagboek.


Zonder twijfel stond kapitein Toonder senior model voor kapitein Sixma. Kalm en bedaard overziet Sixma het slagveld op de Wega, terwijl de snelle MacNab het voortouw neemt bij het recherchewerk. De Amerikaan noemt de kapitein regelmatig “cappy” of “ouwe walrus”. Het lijken vooruitwijzingen naar Toonders stripfiguren Kappie en Kapitein Wal Rus, die later eveneens op vader Toonder waren geënt. Daarmee is Tim MacNab zoekt kopij niet alleen een “onbekende parel”, zoals detectiveschrijver Tomas Ross in het voorwoord schrijft, maar ook een vingeroefening van Toonder voor de Bommelverhalen.

Erik de Graaf

Deze recensie verscheen op vrijdag 14 juli 2017 in een licht door mijzelf ingekorte versie in het Dagblad van het Noorden.

maandag 5 juni 2017

Een Karbaat in een roman van Kundera


Minstens zestig donorkinderen had vruchtbaarheidsarts Karbaat. Dat schijnt hij tenminste zelf eens in een persoonlijk gesprek aan één van zijn donorkinderen te hebben verteld. Hij gebruikte zijn eigen zaad om de kinderwens van zijn patiënten te vervullen. Ongelooflijk. Dat verzin je toch niet.

Of toch wel? Ik had het gevoel dat ik dit verhaal lang geleden al eens gelezen had. Na enig zoeken vond ik in mijn boekenkast de roman Afscheidswals van Milan Kundera. Hij schreef het aan het begin van de jaren zeventig. In 1983 kwam de Nederlandse vertaling uit. Kundera was tenslotte booming in de jaren tachtig. Van De ondraaglijke lichtheid van het bestaan tot aan Het boek van de lach en de vergetelheid. Kundera’s boeken gingen als warme broodjes over de toonbank.

In Afscheidswals gaat het over een Karbaat in een kuuroord in Tsjechoslowakije. Dokter Skréta was gerenommeerd fertiliteitsarts met “een grote clientèle uit de hele republiek”. Zo vertelde hij het trots aan zijn vriend Jakub, die op bezoek was om afscheid te nemen. Jakub had toestemming om naar West-Europa te vertrekken (er stond tenslotte nog een IJzeren Gordijn) en wilde Skréta een door hem verstrekte zelfmoordpil terugbrengen. In de loop van een beklemmend relaas over overspel, abortus en een onbedoelde moord blijkt dat Skréta veel vrouwen in zijn kliniek van onvruchtbaarheid had genezen door zijn eigen zaad te injecteren. Hoeveel donorkinderen hij had wist hij niet, vertrouwde hij Jakub toe, maar die zag na Skréta’s bekentenis opeens tientallen jongens met uiterlijke overeenkomsten met de spermadokter. “En ze zijn allemaal broers”, volgens de arts. Skréta besprak met Jakub dat hij zelf nooit zijn vaderland zou verlaten. Hij wilde er alles aan doen om zich er thuis te voelen en “thuis voelen kun je je alleen tussen je eigen mensen”.

Kundera schreef Afscheidswals aan het begin van de jaren zeventig, niet lang na de onderdrukking van de Praagse Lente in 1968. Ik las het in de jaren tachtig als een absurde en trieste geschiedenis, te bizar voor de werkelijkheid. Inmiddels ben ik benieuwd of het boek in Karbaats boekenkast stond.

Erik de Graaf

vrijdag 26 mei 2017

De Bismarck op de Elbe bij Hamburg


In maart 1922 waren kapitein Marten Toonder senior en zijn vrouw Tine een paar dagen samen in Hamburg. Kort verlof voordat hij naar Zuid-Amerika zou vertrekken. De kinderen waren thuis. Marten junior was tien, Jan Gerhard acht. Vanuit een hotel aan de Elbe stuurden vader en moeder Toonder een prentbriefkaart van de Elbschloss Brauerei in Hamburg-Nienstedten naar huis. Onder de aanhef “lieve jongens” schreven ze hun kinderen dat ze zaten te wachten tot de Bismarck, het grootste passagiersschip ter wereld, over de Elbe voorbij zou komen.

De Bismarck werd in 1914 door de Hamburger scheepswerf van Blohm & Voss gebouwd. Als laatste van drie oceaanreuzen in opdracht van de HAPAG, de Hamburg-Amerika Pakketvaart. De Bismarck volgde op de Imperator en de Vaterland. Ronkende namen in het tijdperk van het Duitse verlangen naar Weltpolitik. Keizer Wilhelm II doopte de Bismarck in juni 1914 onbedoeld. Eigenlijk zou een kleindochter van de vernoemde rijkskanselier dat doen, maar zij gooide jammerlijk mis. De keizer greep resoluut naar de champagnefles om de romp nog net op tijd te raken. Dat was een voorwaarde voor een behouden vaart.


Veel vaart zat er echter niet in tot 1922. Zes weken later brak de Eerste Wereldoorlog uit en de keizer vond zijn marinevloot even boven de passagiersschepen gaan. Het afbouwen van de Bismarck werd gestaakt. Samen met de Imperator lag het in de oorlogsjaren op betere tijden te wachten. De Vaterland lag in die jaren in New York aan de ketting. In 1917 werd het schip door de Amerikanen in beslag genomen en als Leviathan gebruikt om troepen naar Europa te verschepen. Na de Eerste Wereldoorlog werden de Imperator en de Bismarck in het kader van de herstelbetalingen aan Groot-Brittannië toegewezen. De Bismarck moest echter eerst worden afgebouwd. Het duurde nog drieënhalf jaar voordat de Bismarck Hamburg kon verlaten.

De Toonders waren op 28 maart 1922 getuigen van een gedenkwaardige uitreis. Op die eerste proefvaart liep het schip nog bijna in de Elbe vast in de modder, maar het kon uiteindelijk vlot worden getrokken. In mei 1922 vertrok de Duitse Bismarck herdoopt als Britse Majestic voor de White Star Line vanuit Southampton naar New York.

Erik de Graaf
(met dank aan Antoon Bosselaers voor de reactie op de passage over de prentbriefkaart uit mijn boek)

donderdag 18 mei 2017

Jena, DDR - 5 januari 1982


Om twee voor twaalf kreeg ik gisteravond een sms uit Berlijn. "Blase is overleden", las ik. Scheisse, dacht ik en ik sliep er onrustig van. Peter Rösch. Spitzname: Blase (op een oude foto uit 1983 in het West-Duitse Mutlangen; met rechts Roland Jahn). Hij werd 63. Veel te jong om te sterven. Moe en verdrietig redde ik me vandaag door de dag. Met warme herinneringen aan een goed mens. Ik schreef ooit een blog over zijn arrestatie in 1981 en de daaropvolgende dood van zijn vriend in de Stasi-gevangenis. Ruim vijfendertig jaar geleden leerde ik Blase in Jena kennen. Het was een gedenkwaardige avond.

Op 5 januari 1982 woonde ik in Jena, een broeinest van “staatsvijandelijke hetze” in de DDR, een discussieavond in een kerkelijke jongerengroep bij. Keine Moneten für Raketen (“geen poen voor raketten”) was het thema midden in de Koude Oorlog. Ik had blijkbaar het gevoel iets bijzonders bij te wonen. Een paar dagen later schreef ik in de trein naar huis een verslag, dat ik thuis keurig uitwerkte. Ik beschreef de discussies van die avond op twee A4’tjes en bewaarde ze keurig voor later. Tien jaar na mijn bezoek aan Jena stuurde Gerold "Hilli" Hildebrand me drie andere A4’tjes, die hij in het archief van de Stasi over dezelfde discussie had gevonden. “Tijdens de avond was ook een Hollander aanwezig”, schreef de gevreesde geheime dienst. "Von diesem war nur der Vorname Erik bekannt”.

Door Hilli’s vondst in de Stasi-archieven kon ik twee verslagen van één avond met elkaar vergelijken. In mijn verslag lees ik dat de bijeenkomst geopend werd met een praatje over de bijbelse “van-zwaarden-tot- ploegijzers”-tekst. Dominee Konstantin Stanescu leidde de verdere discussies. Hij hield zelf een korte inleiding over defensie-uitgaven van de NAVO en het Warschau Pact, geïllustreerd met Finse cijfers, die weer van Britse cijfers waren afgeleid. Het westen gaf veel meer uit bewapening dan het oosten, concludeerde Stanescu. Een lastige vergelijking, vonden anderen.

Halverwege de avond werd ineens een asbak geleegd. Geldinzameling voor Polen, het was tenslotte kort na het verbod van Solidarnosc in december 1981. “Munten en bankbiljetten vliegen over de tafel de asbak in”, lees ik in mijn verslag. “Twee meisjes nemen op zich dat er goederen gekocht worden en dat die ook in Polen terechtkomen. GEEN GELD VOOR DE MILITAIRE DICTATUUR, wordt er geroepen”. Het werd laat. We bleven met een klein groepje achter. Ik beëindigde mijn verslag met het antwoord op een vraag aan Konstantin Stanescu of hij als dominee naar West-Duitsland zou mogen reizen. “Ja”, antwoordde hij, “maar dan moet ik gebruik maken van privileges die jullie niet hebben en dat wil ik niet.” Dat leek me consequent, een man naar mijn hart.

Maar helaas. Het Stasi-verslag dat ik tien jaar later onder ogen kreeg was geschreven door de Stasi-informant Konstantin Stanescu. De dominee dus. In het verslag gaf Stanescu aan dat hij de jongeren duidelijk wilde maken dat de oorsprong van de wapenwedloop overduidelijk in het westen lag en dat de bewapening van het Warschau Pact een noodzakelijke inhaalslag was (Nachrüstung) om de Verenigde Staten militair bij te benen. Blijkbaar was dat niet goed door zijn publiek begrepen, vond hij, want Stanescu meldde zijn kameraden teleurgesteld dat twee personen (volgens het verslag “buiten de orde om”) een protestbrief wilden schrijven, waarin ook de ontwapening van het Warschau Pact werd geëist. Eventueel zelfs eenzijdig.

Stanescu beschrijft net als ik de actie voor Polen, maar zonder sympathie. Zijn doel was het informeren van zijn bazen over staatsvijandelijke acties, zoals dat in Stasi-jargon heette. De spion berichtte dat Ute HINKELDEY (de hoofdletters zijn van Stanescu) al contacten met Polen had en de opdracht kreeg de “Hilfsaktion zu konkretisieren”. Twee jaar later leerde ik Ute opnieuw kennen. Nu in West-Berlijn, nadat ze er na eindeloze pesterijen van de Stasi mee had ingestemd de DDR met haar gezin te verlaten. Over privileges gesproken.

Erik de Graaf