dinsdag 29 november 2016

De crash van United in 1958


Al jarenlang staat op Old Trafford, het stadion van Manchester United, de klok stil op 15.04 uur. Dat tijdstip verwijst naar het moment dat op 6 februari 1958 op het vliegveld van München een vliegtuig met de selectie van de Engelse voetbalclub verongelukte. Acht spelers en drie begeleiders van het elftal stierven op de terugweg van een Europa Cup-wedstrijd in Belgrado. Een aantal Mancunians, waaronder Bobby Charlton en de trainer Matt Busby, overleefde de crash. Lang wierp de ramp een schaduw over de Noord-Engelse textielstad, maar tegelijk was het een extra motivatie op de weg terug naar de voetbaltop.

Op 6 februari 1958 was ik nog geen maand oud, maar tien jaar later verslond ik de voetbalbladen over United. Grote indruk maakte het verhaal van Brian Kidd, acht jaar oud ten tijde van het vliegtuigongeluk. Als kleine jongen in een arbeiderswijk van Manchester nam hij zich voor de ramp sportief te wreken, zo herinner ik me uit een voetbalblad uit 1968. Op zijn negentiende verjaardag scoorde hij in de Europa Cupfinale van Manchester tegen Benfica. George Best scoorde eveneens en Bobby Charlton, een van de overlevenden, maakte er zelfs twee. Het was een emotionele avond op Wembley. Toen aanvoerder Charlton de cup in ontvangst mocht nemen ging er een zucht van verlichting en van gerechtigheid door het stadion.

De nieuwe generatie Manchester United onthulde met de Europa Cup-winst van 1968 een ultiem monument voor het United van tien jaar eerder, dat op een winterse dag op het vliegveld van München verongelukte. Ik moest aan 1958 denken toen ik vanmorgen las dat het voetbalelftal van het Braziliaanse Chapecoense in Colombia was neergestort op weg naar een Zuid-Amerikaanse finale. Op de website van United werd onmiddellijk stilgestaan bij het gruwelijke ongeluk in Colombia.

Erik de Graaf

PS: ik plaatste dit stukje ook in 2008 bij de vijftigste herdenking van het ongeluk.

zaterdag 29 oktober 2016

Veertig gestolen minuten


Vannacht gaat de klok weer van zomer- naar wintertijd. Elke keer gaat het uurtje voor- of achteruit gepaard met verwarde discussies. Hebben we nu een uurtje extra of juist niet? U kent het wel. Maar ook jaarlijks wordt door de deskundigen gesteggeld over de vraag of dit nu goed is voor ons bioritme of dat het allemaal niet zoveel uitmaakt.

Mijn ome Jan Jabben uit Drenthe, die zijn leven lang glastuinder in het Westland was, maakte er altijd ook nog een politiek-historische kwestie van. Twee keer per jaar herinnerde hij de familie bij het ingaan van de zomer- of de wintertijd aan veertig door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog gestolen minuten. Zijn fiets was nog daar aan toe, daar kon je een nieuwe voor kopen. Maar die veertig minuten waren voorgoed verloren gegaan.

Tot 16 mei 1940 kende Nederland de Amsterdamse tijd, die voorliep op de West-Europese tijd, maar achter op de Midden-Europese. Dat was best lastig, want nu, op zaterdagavond om negen uur, was het in Londen tien over half negenen in Keulen en Berlijn tien over half tien. Nog geen week na de Duitse bezetting voerden de Duitsers per decreet op 16 mei 1940 de zomertijd in. Al voor de oorlog was het vooruit zetten van de klok in het Staatsblad voor 19 mei aangekondigd, maar dat moment werd door de Duitsers haastig drie dagen vervroegd. In Duitsland was de zomertijd namelijk al op 1 april ingegaan.

Daarnaast eisten de Duitsers Nederland ook onmiddellijk af te stappen van de Amsterdamse tijd en over te stappen op de Midden-Europese. De klokken gingen dus op 16 mei 1940 een uur en veertig minuten vooruit, zoals ook in De Telegraaf werd aangekondigd. Vreemd genoeg werd de klok pas in november 1942 een uur teruggezet, waardoor Nederland de eerste tweeënhalve oorlogsjaren in zomertijd leefde.

In feite was het dus de tijd, waarmee de nazi’s de Gleichschaltung in het bezette Nederland begonnen. Later pasten de Duitsers de kranten, de politieke partijen, de cultuur en het hele maatschappelijke leven in Nederland aan hun nationaalsocialistische norm aan. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland dertig jaar niet meegedaan aan de zomertijd, maar de veertig minuten zijn voor altijd verloren gegaan. Mijn ome Jan heeft dat nooit kunnen verkroppen. 

Erik de Graaf

maandag 17 oktober 2016

Rottumeroog, 16 oktober 2016


Wie kan zeggen op het onbewoonde eiland Rottumeroog een boek te hebben gesigneerd? Ik, sinds gisteren. We vertrokken zondagochtend om kwart voor tien vanuit de haven van Lauwersoog naar het magische eiland boven de provincie Groningen. Expeditie Rottumeroog, onder leiding van Staatsbosbeheer. Met medewerking van de Stichting Vrienden van Rottumeroog en Rottumerplaat. Voor de Vrienden mocht ik mee als cultuurhistorisch gids van dienst.

Dik drie uur voeren we op de Boschwad door meanderende geulen naar Rottumeroog. Onderweg vertelde ik over Marten Toonder senior, die in 1890 als jongen van tien van Warffum naar Rottumeroog verkaste om als eierzoeker voor de voogd te werken. Uit armoe, want zijn grootmoeder kon hem thuis niet meer de verzorging bieden die een opgroeiende jongen nodig had. En op het eiland was altijd genoeg eten voor de arbeiders van de voogd. Marten bleef tot begin 1899 op Rottumeroog. Van eierzoeker werd hij schaapsjongen, koeienhoeder en manusje van alles. Toen hij vijftien was werd hij schippersknecht op de Vijf Gebroeders, de zeilboot van de voogd.


Op Rottumeroog was geen school om te leren lezen, schrijven en rekenen, waardoor hij op zijn twintigste nog vrijwel analfabeet was. Maar Rottumeroog was voor Toonder wel een leerschool, die hem de richting van zijn verdere leven aangaf. Werken kon hij, zeilen ook. Hij wilde de wereldzeeën bevaren, wist hij als hij in de verte grote zeilschepen voorbij zag varen. Na zijn militaire dienst monsterde hij in 1899 als matroos aan op de grote vaart. In mijn biografie van Toonder senior beschreef ik hoe hij opklom van analfabeet tot belezen man en vader van twee schrijvers, en van eierzoeker op Rottumeroog tot kapitein op de grote vaart. Gisteren vertelde ik het verhaal in het kort op de boot naar zijn eiland, waar sinds 2013 officieel het Marten Toonder seniorpad ligt. Een zandpad, dat de afgelopen jaren al meters versmald is en naar verwachting binnen afzienbare tijd door de kracht van de natuur zal verdwijnen.  


Vlakbij het eiland wachtten we op laag water, zodat we de laatste honderden meters over het drooggevallen Wad het laatste stuk naar het eiland konden lopen. Over het Toonder seniorpad naar de Kaap, het baken voor de zeevaart uit 1883. Daarna trokken we met vijfentwintig mensen urenlang over het eiland. Over het strand naar het oosten en over de kwelder terug. Vlak voor zonsondergang scheepten weer in. Na een uur wachten op hoog water konden we terug richting Lauwersoog. En daar signeerde ik verkochte boeken. “Rottumeroog, 16-10-2016”.

Erik de Graaf

dinsdag 11 oktober 2016

Een ramp op het Wad op 11 oktober 1886


Het is vandaag redelijk rustig weer. Matige wind en af en toe zon, hoewel de lucht nu dichttrekt en regen dreigt. Honderddertig jaar geleden zag het er heel anders uit. Het had flink gestormd in de nacht van zondag 10 op maandag 11 oktober 1886. In de loop van de maandag zou zich op de Waddenzee tussen Noordpolderzijl en Rottumeroog een ramp voltrekken, die aan vijf Warffumers het leven kostte.

Op de ochtend na de storm meldden zich zes arbeiders uit Warffum in de haven van Noordpolderzijl voor de overtocht naar het Waddeneiland Rottumeroog. Vijf vaders in de leeftijd van dertig tot tweeënvijftig en de zeventienjarige zoon van de oudste. Ze konden voor een half jaar aan het werk voor de voogd van Rottumeroog, die het eiland in opdracht van Rijkswaterstaat beheerde. Het werk was een uitkomst voor de zes. In de wintermaanden viel er weinig voor hen te verdienen op het Groninger vasteland. Allemaal hadden al vaker voor de voogd gewerkt. Altijd voor langere tijd, maandenlang. Met eens in de veertien dagen een weekend verlof voor de getrouwde mannen. De anderen mochten minder vaak naar huis.

De storm in de nacht was afgenomen, maar de wind woei nog altijd met een fikse kracht acht. De sluiswachter van Noordpolderzijl raadde de zes af om te vertrekken, maar zij hoorden de plicht roepen. Werk was inkomen, zij het een schamel inkomen. Geen werk was armoede. Bovendien waren ze al zo vaak de Waddenzee overgestoken. Ze namen de kleine sloep, omdat het water door de harde noordooster wind snel wegviel. De ervaren zeevaarders boomden de haven uit, maar buitengaats werd het een woeste tocht. De wind sloeg hard in de zeilen, in een hagelbui hingen de mannen op een rij te loevert over dolboord om tegenwicht te geven en de lijzijde boven water te houden. 

Plotseling schreeuwde iemand dat zijn pet was afgewaaid. In alle verwarring zagen ze niet dat het sprietzeil naar hun kant vloog. De zes raakten te water. Alleen de jongste kon op de omgeslagen zeilboot klimmen. Jan Bos, Gerard van der Ploeg, Jan Kluin en Chris de Haan verdwenen snel onder water. Een uur lang hield Harm Postema zijn vader Fredrieks aan zijn hand boven water, tot ze elkaar verkleumd en verkrampt los moesten laten. Harm werd gered door een bakenzetter, die de ramp van flinke afstand had zien gebeuren.

De volgende dag vertelde Harm aan zijn moeder en zijn zevenjarige neefje Marten Toonder wat er gebeurd was op het Wad. De ramp was een omslagpunt in het leven van de kleine Marten, die veel later de vader van de striptekenaar werd. Marten bleef in armoede achter met zijn grootmoeder. Van schoolgaan kwam weinig meer. Als het even kon moest hij werken bij boeren in de omgeving. Op zijn tiende vertrok ook Marten naar Rottumeroog om te werken. Hij bleef er negen jaar, tot 1899. Met als gevolg dat hij op zijn twintigste nog zo goed als analfabeet was, want een school was er niet op het eiland.


Die schade haalde Toonder later met veel talent, geluk en doorzettingsvermogen in. Hij leerde alsnog lezen en schrijven, haalde een diploma op de zeevaartschool in Delfzijl en klom op van matroos tot kapitein op de grote vaart. Zijn lange leven lang vertelde hij over die ramp op 11 oktober 1886 en regelmatig keerde hij terug naar de haven van Noordpolderzijl. Rond 1937 schilderde de kunstenaar Eterman de sloep op de woeste Waddenzee op aanwijzingen van Marten Toonder senior. Niet zelden tekende zijn zoon Marten Toonder sloepen op woelige baren, geïnspireerd door de verhalen van zijn vader.

Erik de Graaf

PS: het leven van de kapitein heb ik beschreven in de biografie Marten Toonder senior. Van eierzoeker tot zeekapitein (Groningen 2015).

dinsdag 10 mei 2016

Boekverbranding op 10 mei 1933


"Daar waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen."

De Duitse dichter Heinrich Heine schreef deze profetische woorden in 1821 in zijn tragedie Almansor (gepubliceerd in 1823) De katholieke Spaanse kardinaal Francisco Jimenez dwong de moslims van Granada in 1499 zich tot het christendom te bekeren. Korans werden openbaar verbrand.

Almansor:
We hoorden dat de verschrikkelijke Jimenez
Midden op de markten, te Granada –
Mijn tong verstart in mijn mond – de Koran
In de vlammen van een brandstapel wierp!
Hassan:

Dat was slechts een voorspel, daar waar men boeken
Verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen.


Heines woorden worden vaak in verband gebracht met de boekverbrandingen van ruim een eeuw later, op 10 mei 1933, door de nazi’s. Op de Berlijnse Opernplatz en in tientallen andere Duitse steden en dorpen werden de door de nazi’s verfoeide werken van joodse, marxistische en pacifistische schrijvers symbolisch verbrand. Prachtige boeken van Thomas en Heinrich Mann, van Joseph Roth en Erich Kästner (a zijn werken, behalve Emil und die Detektive), van Marx en Freud... om er maar een paar te noemen. Tegenwoordig staat er op de Berlijnse Bebelplatz, vroeger Opernplatz, een boekenkast in de bodem verzonken. Ter herinnering aan de Barbarei.


Overigens werd Heine ook tijdens zijn leven in Duitsland niet erg gewaardeerd. Vanaf 1848 woonde Heine in ballingschap in Parijs, waar hij in 1856 stierf.

Erik de Graaf

zaterdag 7 mei 2016

Hiddensee - aan het einde van de DDR


Eind december 1981. Twee weken na de machtsgreep van Jaruzelsi reed ik in een Trabant door sneeuw en wind van Rostock naar Hiddensee. Met Achim zou ik oud & nieuw vieren op het Oostzee-eiland. Het was ijzig koud op Hiddensee. De verbinding met Rügen was moeizaam door de ijsgang. In ons huisje van de universiteit van Greifswald maakten we het ons gezellig. We lazen, we schreven, we voerden urenlange gesprekken over Gott-und-die-Welt: over literatuur, over politiek en veel over Polen.

Op oudejaarsavond raakten we verzeild op een feestje in de Heiderose, een vakantiekolonie van de Oost-Duitse, door de staat gestuurde, vakbond. “Vakbond - staat – Polen?” Raar idee. Voor tien mark per persoon mochten we van Karl-Heinz, de Objektleiter van de Heiderose, plaatsnemen aan de lange tafels in een rokerig feestzaaltje. Met een portret van Honecker boven de deur en al snel zes glazen bier voor de neus. Om twaalf uur werd geproost, gewenst en gezoend. Strontlazarus waren de meesten. Wij snapten er niets van, we dachten aan Polen, dat zo dichtbij was, misschien maar vijftig kilometers hemelsbreed. Twee eenzamen noemde een dronken vrouw ons, maar we voelden ons allesbehalve eenzaam. We waren goede vrienden en namen nog een keer het gedicht door dat Achim die middag in mijn nieuwe agenda had geschreven. Friedrich Schillers Antritt des neuen Jahrhunderts:

Edler Freund! Wo öffnet sich dem Frieden,
Wo der Freiheit sich ein Zufluchtsort?
Das Jahrhundert ist im Sturm geschieden,
Und das neue öffnet sich mit Mord.

Schiller schreef het bij de eeuwwisseling van de 18e naar de 19e eeuw, maar het was nog steeds actueel. In Schillers tijd, maar ook in 1981 geleden in Polen, vandaag en morgen en ook over tien jaar, vrees ik. En Achim? Tja, die is inmiddels acht jaar dood.

Erik de Graaf

PS: deze blog verscheen al eens op 31 december 2009. Morgen vertel ik over het bezoek aan Hiddensee in OVT, om half twaalf op Radio 1.