dinsdag 16 oktober 2018

Rare jongens, die Romeinen


Die verrekte Plinius de Oudere toch. In het jaar 47 voer de schrijver en historicus met een Romeinse vloot via Utrecht (dat toen Trajectum heette) en het Flevomeer naar het Waddengebied om de opstandige bevolking een lesje te leren. Hij was onthutst door wat hij er aantrof. Grauw en grijs in vele tinten. In een land dat nauwelijks van zee te onderscheiden was woonde “een niet te benijden volk” op zelf opgeworpen heuvels. Bij vloed leken de bewoners op zeevaarders op volle zee, vond Plinius, maar bij eb zagen ze er uit als schipbreukelingen op hun eilandjes. Hij vond het maar een treurige toestand en dacht dat de bewoners als slaven in het Romeinse Rijk een beter leven zouden hebben.

Bijna twintig eeuwen bepaalde het grauwe verhaal van Plinius het beeld van het vroege leven in het Noord-Nederlandse kustgebied. Toch moet er meer zijn geweest, want wat Plinius niet zag was dat het terpen- en wierdenlandschap in Friesland en Groningen met dertig - tot veertigduizend inwoners het dichtstbevolkte gebied van Noordwest-Europa was. De bewoners wachtten in hun woonheuvels niet lijdzaam op betere tijden, vertelde de archeoloog Mans Schepers vorige week op een symposium over terpen en wierden, maar zorgden ervoor dat ze goed konden leven in het gebied. Ze hielden hun woningen altijd tussen vijftig en honderd centimeter boven het hoogste waterniveau om droge voeten te houden. Zo ontstonden uiteindelijk vijfhonderd kleine, middelgrote en grote wierden in Groningen, duizend terpen in Friesland en zelfs zevenduizend wurten of warften in het Noord-Duitse kustgebied. De bewoners deden aan veeteelt en landbouw op de vruchtbare kweldergronden, raapten meeuweneieren en vingen vissen, vogels en robben. Uit archeologische vondsten is inmiddels gebleken dat ook de ruilhandel belangrijk was. Zelfs met de Romeinen, al wilden die dat blijkbaar niet weten. Het viel dus wel mee met de bittere armoede. Plinius bekeek de bewoners van het noorden vanaf zijn schip door zijn “azuurblauwe, decadente Romeinse bril”. Rare jongens, die Romeinen.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de bronzen plaquette met een voorstelling van de wierde van Rottum, ontworpen door Willem van Wijnen. De hele serie leest u op Op verkenning door Het Hogeland.

vrijdag 5 oktober 2018

Groninger geest


“Ik ging in Warffum op de HBS, geboren en getogen in Valom, Hefswal, Uithuizermeeden”, schreef dr. ir. J. van Veen uit Den Haag in april 1955 aan Marten Toonder senior in Oegstgeest. Van Veen bedankte de gepensioneerde kapitein voor het schrijven van zijn boek Klei en zout water. “U ging varen”, schreef de waterstaatsingenieur in 1955 aan Toonder, “ik wilde de Wadden inpolderen, maar het werd meer het zuidwesten – ook klei en zout water”. Van Veen dankte de kapitein voor “veel goeds en waardevols: de Groninger geest”.

De kapitein beschreef in zijn boek hoe hij in 1899 als analfabete twintigjarige jongen van het Hogeland naar Rotterdam vertrok om matroos op de grote vaart te worden. “Pas op, de klei zuigt je de grond in”, herinnerde hij zich de waarschuwing van een vriend, die net als zovele Groningers voor een beter bestaan naar Amerika emigreerde. Toonder koos liever het zoute water. Hij bevoer de wereldzeeën, leerde lezen en schrijven en werkte zich op tot zeekapitein.

Johan van Veen werd in 1893 geboren als derde zoon van een boer. Hij ging naar de polderschool in Valom, vervolgens naar de Franse School in Uithuizen en daarna naar de driejarige HBS in Warffum. Dagelijks reisde hij met zijn vrienden naar school. Hij blonk uit en genoot van de lessen. Directeur Smit van de HBS zag zijn talent en adviseerde om door te leren. Van Veen kreeg alle gelegenheid om te studeren, want als derde zoon kon zijn vader hem niet op de boerderij gebruiken. Teveel opvolgers versnipperden het boerenland. Van Veen ging in Delft studeren, werd waterstaatsingenieur en na de Watersnoodramp van 1953 de “Vader van het Deltaplan”. In 1959 overleed hij onderweg naar een vergadering over zijn volgende geesteskind, de Eemshaven.

Het begon allemaal op school in Valom, in Uithuizen en in Warffum. Als ik de schooljeugd tegenwoordig ’s ochtends naar school zie fietsen ben ik benieuwd waartoe hun “Groninger geest” het uiteindelijk zal brengen.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde scholieren op de fiets naar school. Deze maand viert het Hogeland College in Warffum, Uithuizen en Wehe den Hoorn het feit dat 150 jaar geleden de Hogere Burgerschool werd opgericht. De andere 44 afleveringen in de serie leest u op hethogeland.blogspot.nl 

zondag 30 september 2018

Eemshavenweg


We verkennen dit jaar de grenzen van Het Hogeland. Otto met zijn fototoestel, ik met pen en papier. Reitdiep, Lauwersmeer en Wad. Veel water. Vanaf Rottumeroog loopt de gemeentegrens naar de oostkant van de Eemshaven. Daar gaat hij aan wal en verandert hij in asfalt. Terug naar de stad volgt de grens grofweg de Eemshavenweg.

In 1972 besloot de provincie Groningen de Eemshavenweg aan te leggen om de gloednieuwe Eemshaven te ontsluiten. De verwachtingen van het nieuwe havengebied waren enorm. De verwachte verkeerstromen eisten nieuwe wegen. Grommende machines legden eerst het noordelijkste deel tussen Roodeschool en de haven aan. Vervolgens werd de Eemshavenweg stukje voor stukje uitgebreid vanuit Groningen. Het asfaltlint volgde grotendeels de voormalige Maarvliet, de middeleeuwse grens tussen Hunsingo en Fivelingo. Dezelfde lijn volgt volgend jaar de oostgrens van de gemeente Het Hogeland. Met een paar uitzonderingen. Middelstum en Huizinge zijn bij een vorige herindeling per ongeluk bij Fivelingo terechtgekomen.

In 1977 werd het traject van Zuidwolde tot de afslag Sint-Annen afgerond. De afrit Huizinge volgde, Garsthuizen, Zijldijk en in 1979 bereikte de Eemshavenweg Roodeschool. Noord-Groningen was weer een stukje dichter bij de stad gekomen, schreef het Nieuwsblad van het Noorden. Moesten de bewoners vroeger vanuit Uithuizen vijfendertig kilometer via Winsum naar Groningen reizen, nu waren ze ineens over de snelle Eemshavensweg in vijfentwintig kilometer in de stad. Niet alleen de Eemshaven was ontsloten, andersom was ook de stad makkelijker bereikbaar vanuit het noorden. Toch was niet iedereen tevreden. Door de nieuwe weg nam het verkeer door dorpen als Eppenhuizen, Zandeweer en Doodstil naar Uithuizen flink toe. Inwoners van Oldenzijl protesteerden toen er een plan ontstond voor een nieuwe weg vanaf de afrit Garsthuizen naar Uithuizen, dwars door het land tussen Oldenzijl en Eppenhuizen door. Het groene hart van Groningen werd door wegen in stukken gehakt, vonden ze. Die weg langs Oldenzijl ging uiteindelijk niet door, maar jaren later werd er wel een andere variant van Garsthuizen naar Uithuizen aangelegd om de tussenliggende dorpen te ontzien.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de Eemshavenweg in het ochtendgloren vanaf het viaduct aan de Dijkumerweg bij Oldenzijl. Lees de hele serie Op verkenning door Het Hogeland

zaterdag 22 september 2018

Het schoonschrift van Gesina


Een paar jaar geleden werkte ik me een weg door een stapel schriften van Klaas Guitje van Dijk en zijn zoon Guitje Klaassen, twee opeenvolgende voogden van het eiland Rottumeroog tussen 1834 en 1908.  Ze schreven over het planten van helmgras op het eiland, over de strandvonderij en over het houden van schapen. Ook vond ik een stapel schoolschriften van de kinderen van de laatste voogd Van Dijk. In het Schoonschrift van dochter Gesina las ik brieven, opstellen en keurig netjes overgeschreven volksverhalen en gedichten. Steeds één pagina lang en meestal zonder eind. Zo ook Wie is de koning?

Toen koning Frits, in burgerdracht,
Eens met zijn groten ging ter jacht,
Was hij een eind vooruitgegaan,
En trof een snuggere landman aan – verbeeld je!

“Mijnheer!” - zoo sprak deze – “wees zo goed,
En zeg mij wie van gindse stoet
Is koning Frits? U kent misschien
De vorst; - ik zou hem graag eens zien”- wel zeker!

“Dat kan geschieden, goede man”,
Was Frederiks antwoord. “Volg mij dan.
Wij gaan erheen, dan merkt gij gewis.
Al spoedig wie de koning is” – natuurlijk!

Je kent toch wel de vaste wet,
Dat iedereen de hoed afzet
In ’s Vorsten tegenwoordigheid,
Uit eerbied voor zijn Majesteit?” - wel zeker!

Hier stopt het door Gesina overgeschreven gedicht. De clou hield ze voor zichzelf. Het was tenslotte een schrijfoefening. Bij het Meertens Instituut vond ik de afloop. Het was een mop over de Pruisische koning Friedrich II uit de achttiende eeuw. Samen met de boer wandelde Frits naar de jagers, ging het gedicht verder. Behalve Frits nam iedereen zijn hoed af. De boer wist niet waar hij kijken moest. De laatste niet door Gesina opgeschreven regels luidden: 

Als Frits zich tot de boer nu wendt en vraagt of
Hij de vorst al kent, is het antwoord
Van de snuggere Hein:
Een van ons beiden moet het zijn!

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde "schoonschrift in helmgras". Bekijk de hele serie Op verkenning door Het Hogeland.

vrijdag 21 september 2018

Goodbye Middag-Humsterland


De brug bij Garnwerd is open. Leunend op mijn fietsstuur sta ik te wachten tot hij weer sluit. Ondertussen staar ik naar de andere oever. Volgend jaar wordt het Reitdiep weer een grensrivier tussen twee gemeenten, bedenk ik. Net als vóór 1990, toen Garnwerd, Feerwerd en Ezinge bij de gemeente Winsum werden gevoegd.

Niet iedereen vond die samenvoeging logisch. De andere kant van het Reitdiep hoorde van oudsher bij het Westerkwartier, vond men. Bovendien werd Middag-Humsterland, de strook van Garnwerd tot voorbij Niehove, nu over twee gemeenten verdeeld: Middag kwam bij Winsum en Humsterland met Saaksum, Oldehove en Niehove bij Zuidhorn. Dat deed geen recht aan het verleden. In tweeënhalfduizend jaar hadden de bewoners het gebied met eigen handen ontwikkeld tot het oudste cultuurlandschap van Europa. Soms met hulp van de zee, soms dwars tegen de zee in. Wierden, dijken en sluizen maakten het land bewoonbaar. En schitterend mooi. De ontstaansgeschiedenis is nog steeds goed aan het landschap af te lezen. In 2005 werd het unieke karakter beloond met de status Nationaal Landschap. Inmiddels is Middag-Humsterland zelfs genomineerd als Werelderfgoed van de Verenigde Naties.

Toen jaren geleden de discussie over nieuwe herindelingen losbarstte ontstond de wens om Middag en Humsterland bestuurlijk te herenigen. Om de mening van de bewoners te peilen werd in november 2016 een volksraadpleging georganiseerd. Iedereen boven de achttien in het gebied kreeg drie vragen voorgelegd. Driekwart van de respondenten vond dat Middag-Humsterland weer in één gemeente moest komen, bij voorkeur in de nieuwe gemeente Westerkwartier. Zelfs in Garnwerd, dat door de afstand het meest op Winsum gericht is, koos een kleine meerderheid daarvoor. En zo geschiedt het dus, vanaf januari.

Werden alle grensconflicten maar zo soepel opgelost. Luisteren, overleggen en toegeven. De wereld zou er anders uitzien. Nadat twee schepen de brug bij Garnwerd gepasseerd waren kon ik mijn weg vervolgen. Via Aduarderzijl en de Allersmaborg fietste ik naar Ezinge om via Oldehove, Niehove bij Elektra de grensrivier Reitdiep weer over te steken. Goodbye Middag-Humsterland, tot ziens. Terug naar Het Hogeland.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de brug over het Reitdiep bij Garnwerd. Lees de hele serie Op verkenning door Het Hogeland.

donderdag 13 september 2018

Het brood des levens


Bij het station van Roodeschool werd zaterdag een veganistisch ontbijt geserveerd. Uit protest tegen plannen voor een megastal met vijftigduizend kippen aan de rand van het dorp. Ik had thuis al veganistisch ontbeten (de kaas was op), maar een cracker met “eiersalade” van tofu ging er nog wel in. Daarna fietste ik de laatste kilometers naar ’t Nijkerkje in Oosteinde, waar een tentoonstelling te zien was over de dagelijkse kost door de eeuwen heen. Van “zoepenbrij en bonenklont” tot magnetronmaaltijden. En van de moestuin tot aan de voedselindustrie. Ook op ons bord is in de loop van de tijd veel veranderd.

Oosteinde is het meest oostelijke deel van Roodeschool. Vijf boerderijen en wat arbeidershuisjes stonden er vroeger nogal verspreid, totdat de bouw van het nieuwe kerkje er na 1846 voor zorgde dat er langzaam maar zeker een dorpskern ontstond. Met een bakkerij, een slager, een smederij en natuurlijk ook een paar cafés. Voor een groenteboer was er te weinig klandizie in Oosteinde. Veel dorpelingen verbouwden hun groenten op eigen grond. Ze hielden kippen voor de eieren en een varken of een geit voor de slacht. Het menu werd bepaald door de opbrengst van de moestuin. Aardappelen, bonen, knollen, kolen en bieten. Apart of in een stamppot. Op zondag was het feest rond 1900: aardappelen met mosterdstip en rijst met bruine suiker als toetje.

De tentoonstelling in ’t Nijkerkje gaf een boeiend beeld van de eetgewoonten door de eeuwen heen in Noord-Groningen. “Ik ben het brood des levens” las ik als toepasselijke Bijbeltekst in een gebrandschilderd raam. Schuin tegenover de kerk aan de Radsweg had de negenentachtigjarige Evert Kooi het hooi en de bonen op ouderwetse ruiters achter zijn huis te drogen gehangen. Zo ging dat vroeger, vertelde hij me toen ik ze van dichtbij mocht bewonderen. Het voelde als een korte reis naar een ver verleden. Naar de tijd dat de kippen nog vrij over het erf liepen en een eiersalade nog een eiersalade kon zijn.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde Evert Kooi achter zijn huis bij de drogende bonen op ouderwetse ruiters. Andere afleveringen in onze serie kunt u zien op Op verkenning door Het Hogeland

zaterdag 8 september 2018

Zuidelijk Zuidwolde


Vier gemeenten worden één in januari 2019. Het wordt een uitgestrekte gemeente, Het Hogeland. Van Lauwersoog tot Eemshaven tou en van het Wad tot bijna in de stad. En dan hebben we het nog niet eens over de overzeese gebiedsdelen Rottumeroog en Rottumerplaat. In het diepe zuiden van Het Hogeland is het vanaf de laatste woning van Zuidwolde nog geen honderd meter tot aan de Groninger stadswijk Beijum. Ik vroeg me weleens af wat de bewoners van Zuidwolde ervan vinden dat ze voortaan helemaal naar Uithuizen moeten om in te spreken op een gemeenteraadsvergadering, als ze daar tenminste reden toe zien. Zijn ze geen halve Stadjers? Is aansluiting bij de stad niet veel eenvoudiger?

Ik parkeerde mijn fiets tegen het dorpshuis en maakte een ommetje door het dorp. Op de hoek van de Koolstraat ontmoette ik de “Boeskoolboer”, het in brons gegoten symbool voor het agrarische karakter van Zuidwolde. Voorovergebogen raapte hij een reusachtige witte “boeskool” van de zware kleigrond. Zuidwolde was Boeskooldorp en de bewoners werden lang beschimpt als zuurkoolvreters. De witte kolen uit Zuidwolde (maar ook veel andere koolsoorten) werden verkocht op de markt in Groningen, verwerkt in de zuurkoolfabrieken in Bedum en voor de “Sauerkraut” geëxporteerd naar Duitsland. Bovendien kwam je de winter goed door met boeskolen. Ze konden lang worden bewaard. Boeskool was tot aan de jaren zeventig de kurk waar de Zuidwolder economie op dreef.

Aan het Boterdiep Westzijde kwam ik ter hoogte van de middeleeuwse kerk in gesprek met een man op een fiets. Hij woonde zijn leven lang al in Zuidwolde, vertelde hij. Aansluiting bij Het Hogeland vond hij geen enkel probleem. Alles beter dan bij de stad. Jaren geleden was er de angst dat Zuidwolde door Groningen zou worden opgeslokt, maar de uitbreiding van Beijum stagneerde volgens hem net op tijd. Zuidwolde was platteland, vond hij. Een bron is geen bron, dus sprak ik nog wat mensen aan op de Beijumerweg en bij de woonboten langs het Boterdiep. Er bleef geen twijfel over. Dit was platteland. Hier werd niet de Groninger Gezinsbode bezorgd, maar de Ommelander Courant.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde een zuurkooltafereel. Lees ook de andere afleveringen in de serie Op verkenning door Het Hogeland

vrijdag 31 augustus 2018

O, barbaarse wereld


Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vluchtte een miljoen Belgen naar Nederland. De meesten keerden al in het eerste jaar terug naar huis. Honderdduizend vluchtelingen bleven tot 1918 in ons land. Ook in het noorden. In de provincie Groningen werden ongeveer 3400 Belgen opgevangen, waarvan vijfhonderd in de stad. De rest waaierde uit over de dorpen.

“Hes ’t ook aal heurd? Der komen hier vluchtelingen!” In zijn half-Groningse roman “Koos” schreef Benjamin Broekema in 1938 hoe zijn hoofdpersoon (maar in feite was hij het zelf) hoorde van de komst van Belgische vluchtelingen naar Warffum. Zijn vriend Wiebe vertelde dat ze werden ondergebracht in het oude gebouw van de werkverschaffing aan het water bij de Warffumer Maar. “Mit drei uurs train komen der hier aal vluchtelingen”, wist Wiebe.

Na schooltijd renden de jongens onmiddellijk naar het station, waar al tientallen nieuwsgierigen de komst van de vertraagde trein afwachtten. Een oude man stapte het eerst uit, las ik in Broekema’s roman. Gevolgd door een paar meisjes, hun moeders en een paar jongens met bleke gezichten. “O, barbaarse wereld, blind van kruitdamp, rood van bloed! Hulpeloze mensen stonden in den vreemde, de nood op hun gezichten.” Zo schreef de joodse Warffumer over een indringende jeugdherinnering uit de Eerste Wereldoorlog.

De commissie van ontvangst op het station van Warffum had een welkomstwoord voorbereid, “maar in ‘t gezicht van deze nameloze ellende stonden ze sprakeloos. Iemand trachtte te spreken, maar hij kon nauwelijks iets stamelen....” Toen Koos de stoet vluchtelingen naar hun onderkomen zag gaan, stil gadegeslagen door de dorpelingen, stelde hij zich voor hoe hij zelf door een vreemd land zou lopen, aan de hand van zijn moeder. De schrijver liet het Koos denken, kort voor een nieuwe wereldoorlog. Vier jaar later zat Benjamin Broekema in de eerste trein van het doorgangskamp Westerbork naar het concentratiekamp in Auschwitz. Op 17 augustus 1942 werd hij daar vermoord. Drie maanden later ondergingen zijn moeder, zijn vrouw en zijn dochters hetzelfde noodlot.

Erik de Graaf

Tijdens de schrijverswandeling op zondag 2 september vertel ik waar de Belgische vluchtelingen in Warffum werden ondergebracht (aanvang 14 uur in Huiskamercafé Noorderkerkpad; zie: artweekendwarffum.nl). Otto Kalkhoven fotografeerde “moeder en kind”.

vrijdag 24 augustus 2018

De Russen kwamen niet

Het is een oriëntatiepunt in het open landschap tussen Warfhuizen en Wehe den Hoorn. Een “landmark” noemen ze dat tegenwoordig bij het Groninger Landschap. Je zou bijna vergeten dat de Luchtwachttoren 7-Otto-1 in de jaren vijftig is gebouwd in de strijd tegen het rode gevaar. Het was in het heetst van de Koude Oorlog en de Russen konden elk moment binnenvallen. Waakzaamheid was geboden.

Om laagvliegende Russische vliegtuigen op tijd te signaleren werd in 1950 het Korps Luchtwachtdienst opgericht. Het KLD bouwde tot 1956 een landelijk netwerk van 276 luchtwachtposten, waarin vrijwillige luchtwachters met verrekijker en peilinstrument in de gaten hielden of er vijandelijke vliegtuigen in aantocht waren. Kijken – Luisteren – Doorgeven was het motto, KLD. Niet dag-in-dag-uit, maar op gezette tijden. De vijand moest zich wel aan onze arbeidstijden houden.

De helft van die observatieposten stond bovenop bestaande gebouwen, maar in Wehe den Hoorn stelde een bietenzaadveredelingsbedrijf zijn gebouw niet ter beschikking. Uit angst, want een observatiepost kon gemakkelijk een doelwit kon worden. Daarom bouwde de KLD in 1955 vlakbij Warfhuizen een luchtwachttoren van betonnen prefab-raatbouwelementen. Als een bouwpakket. Toen de toren in gebruik werd genomen was het militaire netwerk eigenlijk al achterhaald. De moderne vliegtuigen waren inmiddels te snel om met oog en oor te volgen en verfijnde radarsystemen vervingen de luchtwachters. In 1964 werd het netwerk grotendeels gesloten. Alleen langs de noordelijke kust bleef het in gebruik, omdat de Russen vanuit zee nog onbespied het land binnen konden vliegen. Vier jaar later werd de KLD definitief opgeheven. Slechts eenmaal werd een Russisch vliegtuig gespot, maar die bleek op de terugweg na deelgenomen te hebben aan een vliegshow bij Parijs.

De meeste luchtwachttorens zijn inmiddels gesneuveld. Negentien werden er gered. Behalve in Warfhuizen nog een in Winschoten en een halve in Bedum. Vorig jaar renoveerde het Groninger Landschap de 7-Otto-1 in Warfhuizen. Sindsdien staat hij fier te stralen als monument voor de Koude Oorlog. Afgelopen zondag was hij een paar uur door het Groninger Landschap opengesteld. Tientallen belangstellenden tuurden vanaf de top in de verte. Nog steeds geen vijand te zien. Gelukkig maar.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde vrijwilliger Dick van den Berg in de Luchtwachttoren. Lees andere afleveringen uit de serie Op verkenning door Het Hogeland.

vrijdag 17 augustus 2018

Magneet Pieterburen


Vrienden uit het westen wilden een wadloopervaring. Nou, dan regelen we dat natuurlijk. Om elf uur stonden we in een lange rij voor het kantoor van de samenwerkende wadlooporganisaties in Pieterburen. Om het vertrek naar de dijk af te wachten werden we met een bon voor koffie en appeltaart naar een terras aan de overkant van de straat verwezen.

Met zo’n vijftig Wadlopers liepen we met twee gidsen over kwelders, door slikvelden, over zandbanken en door geulen. Het was een eenvoudige kennismakingstocht. Beginners van alle leeftijden en uit alle windstreken vormden een lange sliert over de droogvallende zeebodem. De snelsten liepen voorop, de minder snellen achteraan. Gids Koos van der Maar bracht ze af en toe bij elkaar om te vertellen over het getij, over flora en fauna en over de dynamiek van het Wad. Koos is vergroeid met het Wad, vertelde hij onderweg. Geboren en getogen in het kustgebied. “Aangespoeld kun je beter zeggen”, zei hij zelf. Al vanaf zijn veertiende is hij wadloopgids, op drie jaar na al een halve eeuw.

Al duizenden jaren lopen mensen over het Wad om te vissen, te jagen of om land te winnen. Om te overleven dus. De eerste wadloper tussen eiland en vaste wal was volgens de overlevering een eilandarbeider op Rottumeroog, die zo’n driehonderd jaar geleden uit angst voor zijn baas als een haas bij laag water naar Warffum zou zijn gerend. Pas na 1963 kwam het recreatieve wadlopen in zwang. Nadat in die strenge winter schitterende tochten over de bevroren Waddenzee waren gemaakt, organiseerde Dorpsbelangen ook in de zomer wadlooptochten. Het werd een groot succes. Pieterburen werd een magneet aan het Wad. In de jaren zeventig liepen soms achthonderd wadlopers achterelkaar naar Schiermonnikoog. Als de eersten aankwamen waren de laatsten nauwelijks over de helft. Gelukkig is dat verleden tijd. Vijftig deelnemers is meer dan genoeg. En het is veiliger.

Het wadlopen zette Pieterburen op de kaart. Later kwamen de zeehondenopvang, het Pieterpad en het bezoekerscentrum. Na drieënhalf uur wadzwerven keerden we terug aan land. Moe en tevreden zaten we nog een poosje op een terras.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde wadloopgids Koos van der Maar op het Wad. Voor andere afleveringen in de serie klikt u op Op verkenning door Het Hogeland.


zaterdag 11 augustus 2018

De schaduwkant van de kerk


Toen ik jaren geleden op een zonnige zondag door Zuurdijk fietste werd ik verrast door vrolijke klanken op het kerkhof. Een bandje speelde volksmuziek en tussen de graven aan de zonkant van de kerk werd gedanst. Zuurdijk vierde feest. Daar was ook reden voor, want dorpsgenoot Joapke had een wedstrijd gewonnen.

Joapke leefde halverwege de negentiende eeuw als wees in het armenhuis in Zuurdijk. Hij ging naar de school naast de kerk, maar was ongetwijfeld vaak afwezig als er werk was bij de boeren in de omgeving. Leerplichtambtenaren bestonden nog niet en landarbeid was Joapkes toekomst. Voor en na schooltijd speelde hij met klasgenoten rond de kerk. Een van hen was Geuchien Zijlma, de jongste zoon van een rijke herenboer bij Zuurdijk. Arm en rijk zaten in één schoolklas en speelden samen op het schoolplein. Over Joapke is verder niet veel bekend. Over Geuchien Zijlma des te meer. Hij werd landbouwer op een familieboerderij bij Zuurdijk en in 1877 op Nieuw Zeeburg in de gloednieuwe Westpolder. Zijlma was herenboer in de “gouden eeuw” van de Groningse landbouw, maar ook bestuurder van het waterschap, van de gemeente Leens, van de provincie Groningen en liberaal Eerste en Tweede Kamerlid in Den Haag.

Aan het eind van zijn rijke leven schreef Zijlma een boekje over zijn jeugd. Hij vertelde hoe de dorpsjongens rond 1850 opschepten over de prachtige graven, waarin hun voorouders aan de rijke zonnige zuidkant van de kerk begraven lagen. Eén jongetje hield zich stil. Joapke uit het armenhuis. Voor een grafsteen voor zijn ouders was geen geld geweest. Zij waren begraven aan de koude, arme noordkant van de kerk. Zonder steen, zoals dat vaak gebeurde. Nog steeds lijkt het op veel kerkhoven alsof er aan de noordkant bijna niemand is begraven.

Mooi dat Joapke van de schaduwkant juist door Zijlma’s jeugdherinneringen aan de vergetelheid werd ontrukt. In 2009 kreeg het plan voor een monument voor de vergeten doden van Zuurdijk de meeste stemmen in een wedstrijd van de Stichting Oude Groninger Kerken. Sindsdien vertelt Geuchien Zijlma het verhaal van zijn klasgenootje Joapke op één fiere steen aan de verder lege, arme schaduwkant van de kerk in Zuurdijk.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de begraafplaats aan de noordkant van de kerk van Zuurdijk.

maandag 6 augustus 2018

Kamp Lauwerpolder


Eind mei 1947 liftte de tweeëntwintigjarige Dick de Vries van Bloemendaal naar Noord-Groningen. Hij was erkend als principieel dienstweigeraar en moest voor zijn vervangende dienst naar het Kamp Lauwerpolder boven Usquert. De reis verliep voorspoedig. In Groningen kreeg hij een lift van een ambtenaar van het Bureau Oogstvoorziening, die toevallig voor zijn werk in de Lauwerpolder moest zijn. Die dag meldden zich honderdzeven dienstweigeraars in het kamp. In de loop van de zomer zou het aantal oplopen tot boven de honderdvijftig. Ver weg, afgelegen en kaal vonden ze het. “Het kamp ligt helemaal weggedrukt tegen de dijk van de Waddenzee”, schreef dienstweigeraar Ernst Hulst naar huis.

In 1935 waren nieuwe landaanwinningswerken begonnen boven de Waddendijk. “Hier wordt vruchtbaar land ontwoekerd aan de baren”, kraaiden de kranten. Om de landaanwinning te versnellen besloot de Rijksdienst voor Werkverruiming kampen te bouwen voor werklozen uit heel Nederland. Boven Usquert ontstond Kamp Lauwerpolder. Twee lange barakken in V-vorm met slaapzalen, een huiskamer, een waslokaal en een ziekenzaal. Twee kortere barakken maakten van de V een driehoek. Kamp Lauwerpolder werd pas in het najaar van 1940 opgeleverd, toen de oorlog al was uitgebroken. De Duitsers zetten de plannen in de Lauwerpolder gewoon door. Eerst met werklozen en later met Nederlandse jongeren in een soort maatschappelijke dienstplicht. Na de bevrijding kwamen er weer werklozen, totdat het kamp in mei 1947 werd ontruimd voor de dienstweigeraars van diverse pluimage: van student tot metselaar en van Jehova’s tot pacifistische socialisten.

In de zomer van 1947 werkten de dienstweigeraars niet in de landaanwinning, maar voor het Bureau Oogstvoorziening bij boeren in de wijde omgeving. Er was een groot tekort aan landarbeiders, onder andere doordat veel boerenzoons en knechten als soldaat naar Nederlands-Indië waren. Dat de dienstweigeraars hun plaatsen op het land innamen had iets ironisch. Ze werden niet altijd vriendelijk door de boeren ontvangen, maar ze werkten voor wat ze waard waren. Na de warme zomer werd het koud en vochtig in Kamp Lauwerpolder. Het tochtte en lekte in de barakken en er kwam geen warme werkkleding. Die herfst weigerden de dienstweigeraars om aan het werk te gaan. De stakers werden gesteund door dokter Jansma en dominee Gaaikema uit Uithuizen, die de Lauwerpolder ongeschikt vonden als winterkwartier. Eind november 1947 werden de dienstweigeraars overgeplaatst naar het beschutte Drentse Vledder.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde het bosje waar tot 1960 Kamp Lauwerpolder stond. Lees de hele serie Op verkenning door Het Hogeland.

dinsdag 31 juli 2018

Jan Wolkers op Rottumerplaat


Godfried Bomans had het zwaar op Rottumerplaat in 1971. Hij was dolblij dat hij na een week werd afgelost door Jan Wolkers. Heel anders dan Bomans was de nieuwe eilandbewoner onmiddellijk in zijn element. Hij zwierf over het eiland en bouwde aan een omheining met een bordje "Wolkers: 2x bellen" en een gipsen kop van Beethoven. Wolkers wilde niet uit de proviandkist eten, maar leven van wat Rottumerplaat aan eetbaars te bieden had.

Wolkers ging helemaal op in de natuur. Hij bracht de flora van Plaat in kaart en wierp zich op als redder van de fauna. Hij spalkte een gebroken pootje van een scholekster, verkende het kadaver van een zwangere zeehond en verzorgde een uitgeputte jonge rob. Op donderdag werd het dier per helikopter door de luchtmacht naar een zeehondenopvangcentrum op Texel gebracht. "De defensiekosten zijn veel te hoog", oreerde Wolkers, "maar dat mag zo blijven als we het leger omturnen. Stel je voor: de vijand valt binnen en er wordt niet teruggeschoten. Het hele leger is bezig met het redden van jonge zeehondjes". Het was Koude Oorlog, maar ook een tijd van grote zorgen om het Wad. De Waddenvereniging streed tegen de plannen om de hele Waddenzee in te polderen en door milieuvervuiling kwamen de garnalenvisserij en de zeehondenstand in gevaar. In hetzelfde jaar 1971 startte Lenie ’t Hart met haar zeehondenopvang.

Van zijn terugkeer naar de vaste wal maakte Wolkers op 24 juli 1971 een spektakel. Toen de UQ 10 van garnalenvisser Klaas Meijer de haven van Noordpolderzijl binnenvoer zagen honderden toeschouwers hoe Wolkers als zeegod Neptunus op de voorplecht stond. Met een schepnet als drietand en een bord waarop stond dat de UQ 10 te koop was. "Het is een schande, vond hij, “dat Klaas Meijer zijn schip moet verkopen, omdat de Waddenzee vervuilt”. Als dank voor de overtocht wilde Wolkers zijn beeld van Beethoven aan de schipper schenken, maar in alle drukte gaf hij het per ongeluk aan Klaas Meijers tweelingbroer Bé. Driekwart jaar later maakte Wolkers zijn vergissing goed door Klaas een getekende bos bloemen te sturen. De gipsen kop van Beethoven stond nog lang bij de familie van Bé, maar is nu spoorloos. Waarschijnlijk ooit verkocht in de vintagewinkel De Snuisterij aan de Boermanjeweg.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde een slenk op het Wad.

maandag 30 juli 2018

Zomer op het Hogeland


“Zes weken naar Warffum aan Zee”, antwoord ik al jaren op de vraag waar ik in de zomervakantie naartoe ga. Afgelopen vrijdag had ik mijn laatste werkdag. ’s Avonds bekeken mijn vrouw en ik de zonsondergang vanuit een hoekje van onze tuin. De wind ruiste door de bomen. De fjordenpaarden in de wei voor ons huis trokken een sprintje, blij dat het even wat koeler was. Duiven koerden dat het een lieve lust was en merels floten het hoogste lied. “Mooi vakantieplekje hebben we weer gevonden”, zei mijn vrouw. “Ja, en weer zonder files”, antwoordde ik. Onze vakantie was begonnen.

We waren niet altijd zo saai. Jarenlang trokken we in juli in een overvolle auto over drukke autowegen naar Duitsland, Italië of Frankrijk, waar de kinderen onze favoriete campings te rustig vonden en wij hun voorkeur te druk. Toen ze vier jaar geleden voor het eerst zonder ouders op reis wilden besloten wij een keer gewoon thuis te blijven. Met tussendoor een weekendje Schier en vele fietstochtjes in de buurt. Dat beviel zo goed dat we in de laatste zomers nauwelijks nog weg zijn geweest. Na een dag of vijf willen we altijd weer naar huis. Hartje zomer is het ook hier op zijn mooist.

Op de eerste vakantiedag fietsten we afgelopen zaterdag door de polders naar de Eemshaven en langs de vergeelde Waddendijk met de wind in de rug terug naar Noordpolderzijl. Twee zeehavens op een dag. Bijzonder eigenlijk, bedacht ik onderweg, dat de gemeente Het Hogeland maar liefst drie zeehavens aan de rand van haar grondgebied heeft. Ook al is Delfzijl het daar niet zo mee eens. De volgende dag besloten we ook maar gelijk naar de derde haven te fietsen. Waar mogelijk langs de buitenkant van de dijk, met zicht op het Wad. We groetten de Wadloper boven Pieterburen en rustten bij de eendenkooi Onrust boven Hornhuizen. Bij de Cleveringsluizen bij Lauwersoog waren we op het uiterste noordwestpuntje van Het Hogeland, op de grens met Friesland. We staarden een poosje over de Waddenzee naar Schiermonnikoog. Toen we weer op de fiets stapten zagen we Otto met zijn fototoestel de dijk beklimmen.

Prettige vakantie!

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde het binnenwerk van de R.J. Cleveringsluizen. Alle columns uit de serie vindt u op Op verkenning door Het Hogeland.

maandag 23 juli 2018

Godfried Bomans op Rottumerplaat


In juli 1971 had het onbewoonde eiland Rottumerplaat twee weken lang prominente bewoners. Om de beurt bivakkeerden de schrijvers Godfried Bomans en Jan Wolkers een weekje eenzaam op het Waddeneiland boven de Groningse kust. Vanuit Hotel de Breedenborg in Breede onderhield de jonge showmaster Willem Ruis tweemaal per dag voor Hilversum 2 het radiocontact met de wal. Beide schrijvers publiceerden later hun dagboeken van Rottumerplaat.

Godfried Bomans trapte af. Op 10 juli bracht de garnalenvisser Klaas Meijer uit Usquert hem met zijn UQ 10 naar Rottumerplaat. Toen de UQ 10 weer vertrok bleef Bomans alleen achter. Althans, dat dacht hij. Al na een uur zag Bomans “vier paaltjes op de horizon staan die er eerst niet waren”. En ze kwamen steeds naderbij. Het bleken leden van de biljartclub uit Warffum te zijn, die een uitstapje op het Wad maakten. Ze wilden de beroemde eilandbewoner weleens van dichtbij bekijken. Tot schrik van Bomans, die zich volgens de biljarters doodsbang in zijn tentje terugtrok. Met de rits dicht.

Toen ze weer weg waren kon het avontuur echt beginnen. Althans, dat dacht Bomans opnieuw. “Het bezoek heeft toch veel verstoord”, schreef hij in zijn Dagboek. Het had hem ervan doordrongen dat hij weliswaar alleen op het eiland was, maar niet onbereikbaar voor de buitenwereld. Het werd afzien. De eerste nacht sliep hij slecht door het gekrijs van de meeuwen. De volgende ochtend stond hij per ongeluk op zijn scheerapparaat, waardoor hij zich niet meer kon scheren. Ook wist hij niet goed hoe een blikopener werkte. Bomans was onhandig en voelde zich ziek, maar stoppen wilde hij niet. Angstig en onzeker was hij op Rottumerplaat. Later werd dat in verband gebracht met de doodsbedreigingen, die hij eerder had ontvangen nadat hij de communistische Rode Jeugd in De Telegraaf had aangevallen. Bomans stond onder politiebescherming. Dat kwam toen ook voor.

Het bezoek van de vier Warffumers gaf Bomans niet het vertrouwen veilig te zijn op het onbewoonde eiland. Op zaterdag 17 juli 1971 was hij dan ook dolgelukkig dat Wolkers hem afloste. “Hij is meer mens van de natuur”, zei Bomans in Noordpolderzijl, “zelf blijf ik toch een Haarlemse meneer die langs het strand wandelt”.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde Henk Hoek en Henk Saathof, twee van de vier “paaltjes” van de biljartclub. Andere columns in de serie Op verkenning door Het Hogeland vindt u HIER.

vrijdag 13 juli 2018

Het Oog van Rottum


Zondagmiddag was ik in de kerk van Rottum om te vertellen over Rottumeroog. “Rottum door de eeuwen heen.” Zo heette de bijeenkomst in het kader van het afscheidsfeestje Adieu Eemsmond. Mij was gevraagd iets over 1354 te vertellen. In dat jaar werd Rottum voor het eerst als eiland vermeld in de annalen van Groningen.

In de late Middeleeuwen lagen er vier Waddeneilanden boven de Groninger kust. Rottum was het grootste. Het was voor tweederde deel eigendom van het benedictijner klooster in Rottum. Het eiland was in die tijd zelfs bewoond en boeren van het vasteland lieten er hun vee grazen. Juist daarover ontstond een geschil tussen de kloosterlingen uit Rottum en boeren uit Uithuizen. Twee pastoors velden daarover in 1354 een wijs oordeel. De boeren van Uithuizen mochten hun vee tegen betaling op het eiland laten grazen. Om het verschil tussen het klooster Rottum en het eiland Rottum aan te duiden voegden de pastoors “oog” aan de naam toe. Dat betekende eiland of eigenlijk “bij water behorend land”. Het eiland van Rottum.

De macht van het klooster van Rottum slonk snel. Er kwam er een handelspost van de stad Groningen op Rottumeroog en later werd het eiland een toevluchtsoord voor zeerovers, bannelingen en avonturiers. In 1706 vestigde de Ierse graaf Clancarty zich met een heuse hofhouding op Rottumeroog. Drie vrouwen hielpen hem volgens de fantasierijke overlevering tegen de eenzaamheid. Een eigen muziekkorps zorgde voor extra feestvreugde. Wilde verhalen deden de ronde aan de vaste wal. Clancarty dankt er nog steeds zijn bijnaam Malle Graaf aan. Zo mal was hij overigens niet. Hij verdiende goed aan de strandvonderij en organiseerde vanaf het Wad bijeenkomsten tegen het Engelse koningshuis.

Rottumeroog leed ondertussen zwaar onder stormen en verwaarlozing. En dat was slecht voor de kustverdediging, vond de provincie, die daarom vanaf 1738 voogden aanstelde om het eiland te beheren. Tot Toxopeus in 1965 als laatste voogd van Rottum het eiland verliet. Sindsdien ligt het onbewoond boven Noordpolderzijl. Af en toe kijk ik vanaf de dijk of ons overzeese gebiedsdeel er nog ligt. Moi Rottumeroog, adieu. Tot in Het Hogeland.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde Rottumeroog vanaf de dijk bij Noordpolderzijl. Alle afleveringen in de serie vindt u hier: Op verkenning door Het Hogeland.

donderdag 12 juli 2018

Warffum Alert! in beroep tegen Omgevingsvergunning NAM


In mei werd de Omgevingsvergunning voor de NAM-locatie Warffum door het ministerie van Economische Zaken & Klimaat aan de NAM verleend. Vorige week diende Warffum Alert! een beroepschrift in bij de rechtbank in Groningen.

In het beroepschrift betoogt Warffum Alert! nogmaals dat de informatieverstrekking door de NAM over de situatie in Warffum onder de maat is. Een jaar geleden heeft het college van B&W van Eemsmond er bij de NAM op aangedrongen de inwoners van Warffum te informeren. Ondanks beloftes heeft dat nog nergens toe geleid.
Een ander punt in het beroepschrift is het feit dat op de NAM-locatie in Warffum wordt gewerkt met een achterhaald Winningsplan uit 2005. Daarin wordt geen rekening gehouden met kennis die na de aardbeving van Huizinge in 2012 is opgedaan. In het oude Winningsplan wordt bijvoorbeeld nog uitgegaan van een maximale beving van 3,9 op de Schaal van Richter, terwijl de Veiligheidsregio Groningen komend najaar de gevolgen van een veel zwaardere aardbeving “levensecht” gaat oefenen. Een jaar geleden kondigde de NAM nog aan een nieuw Winningsplan in procedure te brengen, maar daarvan lijken ze te zijn teruggekomen. Waarom is onduidelijk. Als we de NAM bellen wordt niet opgenomen en op verzoeken contact op te nemen wordt niet gereageerd.
Warffum Alert! gaat verder in op het feit dat ten onrechte nooit een Milieu Effect Rapportage (MER) is uitgevoerd, terwijl de werkzaamheden op de NAM-locatie dat wel rechtvaardigen. Dagelijks wordt een miljoen kuub gas uit het Warffumer Gasveld gepompt. Tenslotte wordt ingegaan op de geluidhinder, de relatief grote schade aan gebouwen in Warffum en omgeving en op de zorgen van de inwoners.

Het beroepschrift is te lezen op www.groninger-bodem-beweging.nl. Warffum Alert! vraagt iedereen uit Warffum en wijde omgeving om instemming te betuigen door een mail met naam en woonplaats te sturen aan warffum.alert@gmail.com. Op de rechtszaak zal dat geen invloed hebben, maar een flinke lijst van ondersteuners toont opnieuw het draagvlak tegen de gaswinning.

Namens Warffum Alert!,

Erik de Graaf

dinsdag 10 juli 2018

Kleurrijk Hogeland


Toen ik maandag tegen zessen door het dorp fietste kwam ik één kleurrijke Mexicaanse tegen. Ze groette me stralend “ola”, nog geen kwartier na de uitschakeling van Mexico door Brazilië op het WK voetbal. Waar zouden alle andere Mexicanen zijn, vroeg ik me af. Warffum kwam weer tot rust, nadat het dorp een week overspoeld werd door de hele wereld.

“Dance with the world” is tegenwoordig het motto van Op Roakeldais. De wereld danste weer in Warffum. Op de maren door het dorp, op het festivalterrein aan de Oostervalge, maar ook bij de gastgezinnen van Roodeschool tot Adorp. De parade door de straten van Warffum  op zaterdag was weer een kleurrijk hoogtepunt van het festival. Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Afrika en Azië. Dans, muziek en ontmoeting brachten mensen uit alle hoeken van de aardbol een paar dagen samen. En Op Rikodais zorgde voor de dertigste keer voor het jongerenprogramma met een kindermiddag, een popquiz en optredens van DJ’s en bands.

Vijf continenten op Op Roakeldais. Het toont hoe de wereld in korte tijd kleiner is geworden. Op het tienjarig bestaan van Op Roakeldais in 1975 waren er niet minder groepen, maar kwamen ze voornamelijk uit Europa. Tsjechoslowaken, Fransen, Finnen, Joegoslaven, Engelsen, Italianen, Zwitsers en Oostenrijkers gaven volgens de Ommelander Courant van 1975 een show van kleur, klank en beweging. Een Amerikaanse dansgroep uit West-Virginia was de enige groep van buiten Europa. De Grunneger Daansers uit Zandeweer zorgden toen al voor de couleur locale.

Het is grappig om vandaag de dag de oude folders van het dansfestival door te lezen.  Kosten noch moeite werden volgens de folder van 1975 gespaard om van de extra lange jubileummanifestatie een succes te maken. Op het programma stonden een speciale paardensportdag, een muziekconcours, een gospelconcert op zondag, een kindermiddag en  een bejaardendag. De Avro’s Top Pop Show en de Sterrenparade van Krijn Torringa kwamen  naar Warffum met beroemde artiesten als Freddy Breck, Bolland en Bolland, Mini en Maxi en Conny Vink. Ben Cramer zong op donderdag op de speciale Dag van de Vrouw.

Al drieënvijftig keer genoot Noord-Groningen van de wereld en de wereld van Het Hogeland. Van 1965 tot nu, met elk jaar eigentijds vermaak. Een mooie graadmeter van de veranderende smaak.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde een kleurrijk gezicht op de parade.

zaterdag 30 juni 2018

Villa de Ranitz


De gemeentehuizen van Bedum, De Marne, Winsum en Eemsmond blijven voorlopig open als de BMWE-gemeenten begin 2019 opgaan in de nieuwe gemeente Het Hogeland. Iedereen kan dus gewoon naar zijn oude vertrouwde gemeentehuis voor een nieuw paspoort of rijbewijs. De raadsvergaderingen vinden voortaan plaats in Uithuizen, waar de raadszaal het grootst is voor een in november te kiezen nieuwe gemeenteraad van 29 leden (ter vergelijking: de raad van Eemsmond heeft nu 17 leden; de andere hebben er 15). Het bestuurscentrum komt in Winsum. Daar komen de kantoren van de burgemeester en wethouders. Maar voor een gesprek met de burgemeester of een wethouder hoef je niet per se naar Winsum. Daarvoor kun je straks in alle vier de gemeentehuizen in Het Hogeland terecht.

Otto en ik namen vorige week een voorproefje. Wethouder Marc Verschuren ontving ons donderdag in het gemeentehuis van Winsum. We kregen koffie en een rondleiding door het oude gedeelte uit 1911. Voor de details werd archivaris Peter Kalma erbij gehaald, die met veel kennis en enthousiasme over de geschiedenis vertelde. Het werd door de Groninger architect Gerrit Nijhuis gebouwd als woonhuis en kantoor voor notaris mr. Cornelis de Ranitz. Hij was de middelste uit de Winsumer notarisdynastie van drie, die van 1871 tot 1974 vele duizenden akten liet passeren. In de Tweede Wereldoorlog werd het pand door de Duitsers gevorderd en als gemeentehuis in gebruik genomen. Na 1945 werd dat niet teruggedraaid. De notaris werkte voortaan vanuit het buurpand.

Aan de buitenkant heeft het gemeentehuis iets van een middeleeuws kasteel, compleet met trapgevels, groene luiken en een hoektoren. Op de torenspits staat een dolfijn als windwijzer. Vanuit een centrale hal bezichtigden we de oude spreekkamer met de kluis van de notaris en de woon- en slaapvertrekken van de familie op de verdiepingen. Tegenwoordig wordt van daaruit een gemeente bestuurd. Dat zal dus in 2019 niet veranderen. In het torenkamertje op zolder stond de stoel uit 1907 van de voorzitter van de gemeenteraad trots te glimmen in de zon. Alsof hij hoopte om na de herindeling opnieuw in gebruik te worden genomen. Het is de vraag of de Arbo daarmee instemt.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de stoel uit 1907 in het torenkamertje.

vrijdag 29 juni 2018

Radfridus in de Kapelstraat


Een jaar of duizend geleden werden twee Bedumers vermoord door de Noormannen. Walfridus werd onthoofd. Het lijk van zijn zoon Radfridus werd na lang zoeken buiten Bedum in het riet gevonden. De vader werd in het centrum van het dorp begraven. Op de plek waar de diepgelovige Walfridus zelf al een houten bidkapel had gebouwd. Die houten kapel werd door de eeuwen heen de stenen Walfriduskerk. Ook op de plek waar Radfridus werd gevonden verrees een houten Radfriduskapel, die door de tijd heen versteende.

Eeuwenlang hadden vader en zoon hun eigen kapel, pakweg driehonderd meter van elkaar. Allebei werden het bedevaartsoorden, die pelgrims naar Bedum trokken om de graven van de martelaren te bezoeken. Volgens middeleeuwse beschrijvingen hebben zich er wonderbaarlijke genezingen plaatsgevonden. Een blinde werd ziend en een lamme lopend. De Walfriduskerk is tot op de dag van vandaag met zijn scheve toren beeldbepalend voor Bedum. De Radfriduskapel werd in de zeventiende eeuw afgebroken. Er herinnert niets meer aan de kapel van de zoon. Nou ja, bijna niets.

In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw werd op de plek van Radfridus’ kapel de Kapelstraat gebouwd. Het werd een straat in de bouwstijl van de Amsterdamse School, met veel rode Groninger bakstenen en sierlijke metselverbanden. Het werd echter ook een gewone straat, er werd gewoond en gewerkt. Kruidenier Kauw liet aan de westkant van de straat zijn winkel bouwen, even verder ontstond een woonhuis met timmerwerkplaats en op nummer 14 kwam de slagerij van Boer, later de kruidenierszaak van Streurman. Aan de oostkant verrees de monumentale Openbare School, waarin tegenwoordig activiteitencentrum De Meenschaar gevestigd is. Je kunt er nu gitaar leren spelen, een boek lenen, Nederlands leren of schaken. In het VVV-kantoor op nummer 3 zat vroeger de Bloemisterij en Zaadhandel van Balkema. In de kwekerij erachter stond ooit de Radfriduskapel. Daar zijn nog restanten te vinden van de waterput van de kapel. Met een deksel erop, want gebruikt wordt het niet meer.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde een detail van het pand van kruidenier Streurman op nummer 14.

donderdag 21 juni 2018

Voettocht door het Hogeland


In de zomer van 1823 maakten twee jongemannen een voettocht door Nederland. Jacob van Lennep was de zoon van een Amsterdamse hoogleraar. De vader van Dirk van Hogendorp was een liberaal staatsman. Jongens van stand dus. Ze waren net in Leiden afgestudeerd en besloten om geen reis naar Frankrijk of Italië te maken, zoals veel leeftijdsgenoten deden. Liever verkenden ze Nederland. Een inspectietocht noemden ze het. Van mei tot september trokken ze kriskras door negen provincies. Hun bevindingen schreven ze in een dagboek.

Op 22 juni wandelden ze over modderige, onverharde paden van Groningen via Garnwerd en Kommerzijl naar de monding van het Reitdiep. Daar charterden ze een roeiboot en twee roeiers om naar Zoutkamp over te steken. Het was koud voor de tijd van het jaar en het waaide hard. Door de sterke stroming vanuit de Lauwerszee duurde de tocht langer dan verwacht. Er zwom een zeehond mee, koude zoute golven landden in de boot. Na een uur klommen ze bibberend en drijfnat op de kade en zochten ze hun herberg op. Zoutkamp was dichtbebouwd en dichtbevolkt, constateerde Van Lennep in zijn dagboek, en de meeste inwoners leefden van de visvangst. Vanuit de herberg zagen ze een bruinvis van twaalf á vijftien voet zwemmen. Zoutkamp lag nog aan zee.

De volgende dag doorkruisten de vrienden het Hogeland. Ulrum, Leens, Zuurdijk. Soms verdwaalden ze. Volgens Van Lennep “omdat alle paden op elkaar lijken en langs korenvelden lopen.” Via Wehe den Hoorn, Saaxumhuizen, Pieterburen en Den Andel bereikten ze Warffum, waar ze met een meid keuvelden over de kwaliteit van haar boter. Tussen Usquert en Uithuizen stonden ze versteld van de grote boerderijen, die zelfs bliksemafleiders hadden. Na negen uur wandelen kwamen ze vermoeid aan in herberg De Roos in Uithuizen.

Bijna tweehonderd jaar later is Noord-Groningen erkend wandelgebied. Van het Pieterpad en het Pronkjewailpad tot aan de Tocht om de Noord. Compleet met bewegwijzering tussen de korenvelden en een voetveer over het Reitdiep. Een enkele keer hoor ik over wandelaars die het spoor van Van Lennep en Van Hogendorp door het Hogeland volgen.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde het Rietdiepveer anno 2018.

zaterdag 16 juni 2018

Kathedraal van het Hogeland


Kunstkring De Ploeg bestaat dit jaar honderd jaar en dat zullen we weten. In het Groninger Museum is onlangs een grote overzichtstentoonstelling geopend en bij de Borg Verhildersum in Leens zijn tot oktober onbekendere Ploegschilderijen te bewonderen. Een kleurrijke tentoonstelling, maar ik kon me er nauwelijks losrukken van een bruin schilderij van Johan Dijkstra van het interieur van een boerenschuur in Hefswal. Olieverf op linnen, zonder jaartal. Eeuwenoude houten balken vormen het geraamte van deze immense schuur, van een van de kathedralen van het Hogeland. Het hooi ligt in de gaulen, de compartimenten aan weerszijden van het middenpad. Door het dak valt licht op twee boerenwagens.

Die schuur wil ik zien, dacht ik. Als hij er tenminste nog staat, want “zonder jaartal” moet toch alweer een tijdje geleden zijn. Ik zocht wat informatie over Johan Dijkstra. Hij was in 1896 in Groningen geboren, had van 1915 tot 1919 aan de kunstacademie Minerva gestudeerd en was in 1918 één van de oprichters van De Ploeg. Eerst schilderde Dijkstra impressionistisch, later kwam hij in de ban van het expressionisme. Op de tentoonstellingen in Groningen en Leens zijn van beide periodes voorbeelden te zien.

In 1922 trouwde Johan Dijkstra met Marie van Veen. Marie was een zusje van Johan van Veen, de latere “geestelijke vader” van het Deltaplan en de Eemshaven. “Ah, nu ben ik warm”, dacht ik, want ik wist dat Johan van Veen was opgegroeid op een boerderij in Hefswal, vlakbij Uithuizermeeden. Even verder las ik dat Johan Dijkstra en zijn Marie nog tientallen jaren op de boerderij in Hefswal kwamen. Ze werden er geïnspireerd door de weidse omgeving.

De volgende dag herkende ik de boerderij aan een herinneringsplaquette voor Johan van Veen boven de schuurdeur. Hier woonde de waterstaatsingenieur “in zijn jeugd en levensavond”. De huidige bewoners lieten me de oude schuur zien, die in de loop der tijd vaak aan de eisen van de tijd was aangepast, maar waaraan je nog steeds kon zien dat het ooit een prachtige oude boerenschuur was. Een Kathedraal van Hefswal, de boerenschuur van Johan Dijkstra.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde het interieur van de boerenschuur in Hefswal. De tentoonstelling “Kleurendrift. Het land van De Ploeg” is tot 28 oktober te zien in de Borg Verhildersum in Leens. Zie voor andere columns de serie Op verkenning door Het Hogeland.

vrijdag 8 juni 2018

Meester Roegholtplein


De dorpsschool van Breede kreeg in 1849 een nieuwe schoolmeester. De vierentwintigjarige Martinus Jacobus Roegholt had net de kweekschool afgerond en moest het echte vak nog leren. Dat bleek, want de schoolinspecteur vond het rumoerig tijdens de lessen, constateerde dat er boeken ontbraken en dat schriften taalfouten bevatten. Foei, maar Roegholt leerde snel. Zes jaar later schreef dezelfde inspecteur dat Meester Roegholt “een der uitmuntendsten” uit zijn district was. Dat viel op in de wijde omgeving. Het leerlingenaantal steeg flink.

Tussen 1885 en 1890 bezocht de kleine Marten Toonder de school van Meester Roegholt. Onregelmatig, want armoede noopte het ventje te werken als er iets te verdienen viel. Daardoor miste hij veel op school. Als in Breede de Tafel van Zeven werd geleerd trok de kleine Marten vlas in de Noordpolder. Als zijn klasgenoten leerden dat “loopen” met twee o’s werd geschreven en “hopen” met één hoedde hij de koeien langs de weg naar Baflo. Meester Roegholt mopperde op de boeren die Marten op hun land aan het werk zetten, maar nam de jongen bij terugkomst altijd weer apart om hem bij te spijkeren. Tot hij op zijn tiende voor vast op Rottumeroog ging werken.

Meester Roegholt overleed plotseling in december 1894. Na een lange lesdag kreeg hij last van “hevige benauwdheid”, die hem dezelfde dag nog fataal werd. Het was een groot verlies voor Breede. De meester werd pal naast de kerk begraven. Op een paar meter van de school waar hij vijfenveertig jaar schoolmeester was geweest. “Hij leefde om goed te doen”, zei een spreker een paar dagen later op de begrafenis.

Kort na Roegholts dood werd besloten om de school in Breede op te heffen. In augustus 1895 stapten de laatste leerlingen over naar andere scholen in de omgeving. Het gebouw bleef nog een tijdje in gebruik als zondagsschool of als noodwoning in mindere tijden. In 1952 werd het afgebroken. Breede was zonder school. Dat bleek toch kaal. Een paar jaar geleden werd op de plek van de oude school een symbolisch schoolplein in ere hersteld. Als ik er langs fiets noem ik het stilletjes het Meester Roegholtplein.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde spelende schoolkinderen op het schoolplein in Breede. Zie de serie Op verkenning door Het Hogeland.

donderdag 31 mei 2018

Ode aan het weiland


Parels, echte parels. Daar zijn Otto en ik dit hele jaar naar op zoek. Moeilijk is het niet, want de parels liggen voor het oprapen op het Hogeland. Van Lauwersoog tot aan de Eemshaven en van het Wad tot bijna in de stad. We liepen langs het Reitdiep, voeren over het Lauwersmeer en fietsten langs de Waddendijk. We bezochten de magische wierde Helwerd en dronken koffie in Hotel de Landbouw in Usquert. Parels, niets dan parels.

Komend weekend hoeven we niet ver te zoeken. De parels worden op een presenteerblaadje aangeboden op het cultuurfestival Parels van het Noorden in Kantens en bij de Borg Ewsum bij Middelstum. Drie dagen lang theater, dans, muziek, film en beeldende kunst. Met de bewoners in de hoofdrol, samen met het Groninger landschap.

Er gebeurt te veel om bij te houden. Otto en ik verdeelden daarom de taken. Otto bezocht de generale repetitie van het Dansproject Courage van 65-plussers. Courage staat voor de moed om op oudere leeftijd te blijven bewegen en zich te blijven ontwikkelen. De seniordansers bereiden zich al maanden in Winsum voor op hun voorstelling van eigentijdse dans en beweging. Op het festival in Kantens is het eindelijk zover. Otto was onder de indruk en moest als “jonkie” hard mee-improviseren om er een passende foto bij te maken. Wat hem natuurlijk goed lukte.

Zelf maakte ik vrijdagmiddag een Soundscape mee. Dat is een weergave van het landschap in geluid. Ik werd met een koptelefoon in het land bij Kantens gezet en tot mijn verbazing akoestisch meegesleept in een Ode aan het Weiland. Insecten zoemden in mijn oor en grutto’s riepen zichzelf, terwijl het hoge gras op het ritme van de wind wuifde. Drie personen vertelden iets over het weiland aan de Oosterweg, vanuit drie verschillende gezichtspunten. Ik werd omringd door weidse grasvelden, voor mijn gevoel veel uitgestrekter dan ze in werkelijkheid waren. Het was prachtig, zelfs zonder de dansers die de soundscape komend weekend verdiepen. Mis ze niet. Parels zijn het, echte Parels.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde het Dansproject Courage tijdens de generale repetitie. Meer info over het festival vindt u op www.parelsvanhetnoorden.com. Dit is aflevering 24 uit de serie Op verkenning door Het Hogeland in de Ommelander en op de blog.

zondag 27 mei 2018

Het inwendige oor


Elke stad en ieder dorp kent monumenten, die verwijzen naar roemruchte momenten uit het plaatselijke verleden. In Warffum staat op de hoek van de Westervalge en de A.G. Bellstraat “het inwendige oor”. Het kunstwerk werd zesenvijftig jaar geleden in opdracht van de PTT gemaakt door de Groninger beeldhouwer Willem J. Valk. De dichter Adriaan Roland Holst schreef een gedicht voor op de sokkel met als laatste regel: “In dit klein dorp werd een groot doel bereikt”.

Welk groot doel werd dan wel in Warffum bereikt? Op 22 mei 1962 werd de telefooncentrale Warffum als laatste in Nederland aangesloten op het automatische telefoonnet. Na Zwitserland was Nederland het tweede land ter wereld waar er voor een binnenlands telefoongesprek geen telefoniste meer aan te pas kwam.

Het werd een feestelijke dag voor Nederland, voor Warffum en voor de PTT. De automatisering was landelijk nieuws. Minister Korthals van Verkeer en Waterstaat kwam er speciaal voor naar Warffum, evenals de hoofddirecteur van de PTT. Er werd een speciale postzegel uitgegeven en ’s avonds werd de film WARFFUM 220562 van de cineast Louis van Gasteren op de nationale televisie uitgezonden. De film eindigde met de festiviteiten rond de indienstneming van de nieuwe centrale in Warffum. De fanfare Euphonia marcheerde musicerend door het dorp, burgemeester Simon de Waard ontving hoge gasten en in het plaatselijke café R. Hoek werd er een borrel op gedronken. Om de film op tijd klaar te hebben waren de festiviteiten eind april al een keer in scene gezet. Warffum vierde in mei 1962 een week feest in een grote tent aan de Westervalge, georganiseerd door de Handelsvereniging. Hoogtepunten waren een amateurcabaretavond en een Concours ‘d Elegance voor automobilisten, een soort kunstrijden met de auto.

Zesenvijftig jaar later herinnert “Het inwendig oor” aan een gebeurtenis, die we ons in de tijd van de smartphone nauwelijks nog voor kunnen stellen. Het monument staat er tegenwoordig verwaarloosd bij. Het oor is smerig en van het gedicht van Roland Holst is geen letter meer te lezen. Een stevige opknapbeurt lijkt me op zijn plaats.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde vier leden van Euphonia bij Het inwendige oor. De hele serie vindt u hier: Op verkenning door Het Hogeland.

donderdag 24 mei 2018

Hoe eb en vloed uit Zoutkamp verdwenen



Pinksteren 1969. De stemming was bedrukt op Vlaggetjesdag. De garnalenkoningin vertelde dat er een triest eind was gekomen aan de ligging van Zoutkamp aan open zee. Drie dagen eerder was haar “collega” koningin Juliana aanwezig bij de plaatsing van het laatste caisson in de afsluitdijk bij Lauwersoog. Bij haar bezoek aan Zoutkamp hingen de vlaggen halfstok en keerden veel vissers de majesteit de rug toe. De Lauwerszee was definitief Lauwersmeer. En dat deed pijn in Zoutkamp.

Al eeuwenlang werd over de afsluiting van de Lauwerszee gesproken, maar de eerste serieuze plannen ontstonden in 1849. Tachtig jaar later studeerde een Commissie op mogelijkheden om de Lauwerszee met een afsluitdijk te temmen, net als haar grote zus de Zuiderzee. In 1932 werd de Zuiderzee het IJsselmeer, maar de plannen voor de Lauwerszee verdwenen in een la. Tot de discussie na de Watersnoodramp van 1953 in een stroomversnelling kwam. Een Deltaplan moest Nederland veilig maken. Dammen en stormvloedkeringen sloten zeearmen af in het zuidwesten van het land, maar ook in het noorden waren maatregelen nodig. Voor de Lauwerszee bestonden twee mogelijkheden: de verhoging van de dijken rondom de zee óf de afsluiting met een dertien kilometer lange dijk. Aanvankelijk koos de regering voor de eerste optie, maar na protesten werd in 1960 alsnog tot afsluiting besloten. Eb en vloed verdwenen, zout water werd zoet. Tot verdriet van de Zoutkampers, die hun zeehaven en hun visgronden in de Lauwerszee verloren zagen gaan.

Een garnalenvisser verbood zijn dochter op die “feestelijke” 23 mei 1969 om met school op Lauwersoog voor koningin Juliana te zingen. Zelf stapte hij over op de palingvisserij, omdat zijn schip te klein was voor de Waddenzee. Zijn zoon pakte de familietraditie van de garnalenvisserij later weer op. Met zijn ZK 37 voeren we afgelopen Pinkstermaandag van Zoutkamp naar het Lauwersmeer om in konvooi de nieuwe garnalenkoningin op te halen. De stemming was opperbest, de stralende zon deed de rest. Het was weer druk op Vlaggetjesdag. Een visserijfeest van drie dagen aan zoet water.

Erik de Graaf

Otto Kalkhoven fotografeerde de binnenhaven van Zoutkamp op Vlaggetjesdag. Andere afleveringen uit de serie vindt u op: Op verkenning door Het Hogeland.