vrijdag 30 oktober 2020
Ach, Nobby Stiles is overleden
vrijdag 18 september 2020
Dienstweigeraars in de Lauwerpolder
‘In de zomer van 1947
werden 160 erkende gewetensbezwaarden tegen de militaire dienst ondergebracht
in een kamp aan de Waddendijk bij Usquert. Ze moesten er helpen bij de oogst,
maar hadden weinig talent voor landarbeid. Erik de Graaf, die werkt aan een
boek over dienstweigeraars en deserteurs in de jaren 1946-1949, geeft ons
alvast een voorproefje’. Zo wordt mijn artikel in het gisteren uitgekomen cultuurhistorisch
tijdschrift Stad & Lande ingeleid.
Een fragment:
In het hele land waren er
grote personeelstekorten in de oogsttijd. In vorige zomers waren al
geïnterneerde NSB’ers, militairen en studenten in de landbouw ingezet. Het
Ministerie van Oorlog wilde de dienstweigeraars onder voorwaarden onderbrengen
bij het Bureau Oogstvoorziening van het Ministerie van Landbouw, Visserij en
Voedselvoorziening. Ze mochten niet meer verdienen dan de soldij van een
dienstplichtig soldaat. Verder moest er 3 jaar lang in alle seizoenen voldoende
werk voor hen zijn. De weigeraars moesten langer dienen dan de
dienstplichtigen. Tenslotte moesten de dienstweigeraars in een kamp worden
ondergebracht en, hoewel ze niet als gevangenen mochten worden beschouwd, het
liefst zover mogelijk van de bewoonde wereld.
De Lauwerpolder leek de ideale locatie. Afgelegener was nauwelijks mogelijk, er was een groot tekort aan landarbeiders in Noord-Groningen en er stond al sinds 1940 een kamp voor de werkverschaffing op het land van boer Allert Elema. Twee lange houten barakken liepen in een V-vorm schuin naar elkaar toe. Er waren twaalf slaapzalen voor acht personen, zes woonkamers, een waslokaal en een ziekenzaal. De driehoek werd gesloten door twee kortere barakken met een doorgang in het midden. Links van de poort waren een magazijn, een centrale keuken en een woning voor de kampbeheerder. Rechts was de kantine. Tussen die twee kortere barakken stond een kantoor, waarop met grote letters ‘KAMP LAUWERPOLDER’ stond.
Eind mei 1947 opende het kamp zijn poort voor de dienstweigeraars. Van heinde en verre kwamen erkende gewetensbezwaarden naar Usquert. In open vrachtwagens werden ze van het station naar het kamp aan de Waddendijk gebracht. ‘Ver weg, afgelegen, uitgestrekt en kaal’, waren de eerste reacties na aankomst. In het kamp werden ze met vijftien man op een slaapzaal ondergebracht. Tot half juni werden er 160 dienstweigeraars verwacht. Veel meer dan de 96 werklozen waarvoor het kamp 7 jaar eerder was gebouwd.
Erik de Graaf
Hoe het afloopt kunt u lezen in Stad & Lande (jaargang 29, nummer 3, 3e kwartaal 2020) 3-8.
vrijdag 10 juli 2020
Ode aan Rottumerplaat
Bovenstaande recensie schreef ik voor het juni-nummer van De Kaap, het donateursblad van de Vrienden van Rottumeroog en Rottumerplaat. Vandaag (exact 49 jaar na de aankomst van Godfried Bomans op Rottumerplaat) werd het boek genomineerd voor de Jan Wolkers Prijs voor het beste Nederlandse natuurboek van 2020. We wensen Barwolt veel succes.
Bovenstaande foto maakte ik in 2016 van Barwolt op buureiland Rottumeroog.
zondag 7 juni 2020
In Gezondheid en Vrijheid
vrijdag 5 juni 2020
De Stasi-dominee
Op 5 januari 1982 woonde ik in Jena, een broeinest van “staatsvijandelijke hetze” in de DDR, een discussieavond in een kerkelijke Junge Gemeinde bij. Keine Moneten für Raketen (“geen poen voor raketten”) was het thema midden in de Koude Oorlog. Ik had blijkbaar het gevoel iets bijzonders bij te wonen. Een paar dagen later schreef ik in de trein naar huis een verslag, dat ik thuis keurig uittypte.Ik beschreef de discussies van die avond op twee A-4’tjes en bewaarde ze keurig voor later. Tien jaar na mijn bezoek aan Jena stuurde Gerold Hildebrand me drie andere A4’tjes, die hij in het Stasi-archief over dezelfde discussie had gevonden. “Tijdens de avond was ook een Hollander aanwezig”, schreef de Stasi. “Von diesem war nur der Vorname Erik bekannt”.
Door Hilli’s vondst kon ik twee verslagen van één avond met elkaar vergelijken. In mijn verslag lees ik dat de bijeenkomst geopend werd met een praatje over de bijbelse “van-zwaarden-tot- ploegijzers”-tekst. Dominee Konstantin Stanescu (zie foto) leidde de verdere discussies. Hij hield zelf een korte inleiding over defensie-uitgaven van de NAVO en het Warschau Pact, geïllustreerd met Finse cijfers, die weer van Brits onderzoek waren afgeleid. Het westen gaf veel meer uit bewapening dan het oosten, concludeerde Stanescu. Een lastige vergelijking, vonden anderen.
Halverwege de avond werd ineens een asbak geleegd. Geldinzameling voor Polen, het was tenslotte kort na het verbod van Solidarnosc in december 1981. “Munten en bankbiljetten vliegen over de tafel de asbak in”, lees ik in mijn verslag. “Twee meisjes nemen op zich dat er goederen gekocht worden en dat die ook in Polen terechtkomen. GEEN GELD VOOR DE MILITAIRE DICTATUUR, wordt er geroepen”.
Het werd laat. We bleven met een klein groepje achter. Ik beëindigde mijn verslag met het antwoord op een vraag aan Konstantin Stanescu of hij als dominee naar West-Duitsland zou mogen reizen. “Ja”, antwoordde hij, “maar dan moet ik gebruik maken van privileges die jullie niet hebben en dat wil ik niet.” Dat leek me consequent, een man naar mijn hart.
Maar helaas. Het Stasi-verslag dat ik tien jaar later onder ogen kreeg was geschreven door ene "Bartholomäus Runge" en dat bleek de schuilnaam te zijn van Konstantin Stanescu. De dominee dus als Stasi-informant. In het verslag gaf Runge, Stanescu dus, aan dat hij de jongeren duidelijk wilde maken dat de oorsprong van de wapenwedloop overduidelijk in het westen lag en dat de bewapening van het Warschau Pact een noodzakelijke inhaalslag was (Nachrüstung) om de Verenigde Staten militair bij te benen. Blijkbaar was dat niet goed door zijn publiek begrepen, want Stanescu meldde zijn kameraden teleurgesteld dat twee personen (volgens het verslag “buiten de orde om”) een protestbrief wilden schrijven, waarin ook ontwapening van het Warschau Pact werd geëist, eventueel zelfs eenzijdig.
Stanescu beschreef net als ik de actie voor Polen, maar zonder sympathie. Zijn doel was het informeren van zijn bazen over staatsvijandelijke acties, zoals dat in Stasi-jargon heette. De spion berichtte dat Ute HINKELDEY (de hoofdletters zijn van Stanescu) al contacten met Polen had en de opdracht kreeg de “Hilfsaktion zu konkretisieren”. Twee jaar later leerde ik Ute opnieuw kennen. Nu in West-Berlijn, nadat ze er na eindeloze pesterijen van de Stasi mee had ingestemd de DDR met haar gezin te verlaten. Over privileges gesproken.
Erik de Graaf
PS: dit stukje publiceerde ik ook in juni 2009 op deze blog. Ik moest eraan terugdenken door het bericht dat Thomas Auerbach, een van de oprichters van de Junge Gemeinde in Jena, deze week is overleden. Toen ik in januari 1982 in de JG was, woonde Thomas al lang en breed in West-Berlijn. Na tien maanden gevangenis was hij in september 1977 naar het westen "abgeschoben".



