Posts tonen met het label WO-2. Alle posts tonen
Posts tonen met het label WO-2. Alle posts tonen

vrijdag 10 mei 2013

Je wordt gek of je wordt een beest

Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland binnen. De Nederlandse neutraliteit werd geschonden, voor het eerst sinds de invoering in 1839. Al op de eerste oorlogsdag werd heftig strijd gevoerd om drie vliegvelden bij Den Haag. Het Duitse plan was om Ypenburg, Valkenburg en Ockenburg zo snel mogelijk in te nemen om van daaruit de koninklijke familie en minister in te rekenen. Dan zou de oorlog snel gepiept zijn, dachten de Duitsers. De vlieger ging niet op.

Jaren geleden sprak ik ene Jan Mulder uit Arnhem. Tijdens zijn militaire dienst in 1938 was hij opgeleid tot gas-onderofficier, vanwege zijn chemische kennis. Na de mobilisatie in 1939 werd hij tot menagemeester gepromoveerd, “hoewel hij nog nooit een keukenwagen had gezien”. Zijn bataljon werd ondergebracht in twee hangars op het vliegveld Ypenburg. Ter plekke werd hij aangewezen als beheerder van de munitie voor het hele bataljon. “Vijf miljoen patronen in munitiekistjes. Ik kreeg de order om al die munitie op te stapelen naast de hangar waarin ons bataljon lag. Eén hangar verder stonden de vliegtuigen.”
 
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 viel de eerste Duitse bom op de hangars met de vliegtuigen. Na de bommenregen moesten de Duitse parachutisten het karwei afmaken. “Die hangar lag in puinpoeier”, vertelde Mulder me, ”en je kunt je de paniek voorstellen, want alle jongens wisten dat de munitie daar vlakbij stond.” Veel militairen vluchtten weg van het vliegveld. Later op de dag herstelde het Nederlandse leger zich en aan het eind van de dag waren de drie vliegvelden weer in Nederlandse handen. Vier dagen later volgde alsnog de capitulatie na het bombardement van Rotterdam. Op Ypenburg beleefde Mulder vier dagen die hem zijn leven lang zouden heugen. “Ja, daar heb ik dus alle verschrikkingen van die tijd meegemaakt”, vertelde hij me. Bommen, parachutisten en veel lijken. Zo’n negenhonderd soldaten sneuvelden, waaronder 515 Nederlandse.

Thuisgekomen na de verschrikking van de Slag om Den Haag had Mulder tegen zijn vrouw gezegd: “Je wordt gek of je wordt een beest. Ik ga nooit meer vechten”. Vijf later later, na de bevrijding, werd hij op 28-jarige leeftijd opnieuw opgeroepen voor de militaire dienst. Het trauma van mei 1945 weerhield hem ervan te gaan. Hij deed een beroep op de Wet Gewetensbezwaren, de dienstweigeringswet van 1923. Hij werd na een moeizame procedure erkend en deed ruim drie jaar vervangende dienst in Noord-Groningen en Drenthe.

Erik de Graaf
 
PS: in 1995 schreef ook De Volkskrant over Jan Mulder. Of Mulder nog in leven is is mij niet bekend.

zondag 5 mei 2013

Veldwachter Kuilder in Amersfoort


Warffum was in de Tweede Wereldoorlog een dorp als alle Nederlandse dorpen. Er waren goede en foute Warffumers en alle gradaties daartussenin. Tot de goede Warffumers behoorden de rijksveldwachters Gerrit Kuilder en Paul Schoemaker. Ze weigerden mee te werken aan de deportatie van hun joodse dorpsgenoten. Kuilder was in de Oosterstraat buurman van het joodse gezin van Benjamin Broekema, dat in 1942 via Westerbork naar Auschwitz werd getransporteerd. Daar werd de familie Broekema vergast.

Kuilder en Schoemaker werden in 1943 voor hun “ongehoorzaamheid” opgepakt. Na een poosje in Ommen te hebben vastgezeten werden ze overgebracht naar Kamp Amersfoort. Kuilder kwam er aan op 12 oktober 1943. Bijna een half jaar later, op 16 maart 1944, maakte medegevangene Kornelis Mulder een potloodtekening van Kuilder in zijn kampkledij. Kort daarop ontsnapte Kuilder uit de trein die hem naar Duitsland moest brengen. Het laatste jaar tot de bevrijding was hij ondergedoken op het Groningse Hogeland, grotendeels bij zijn gezin thuis in Warffum. Bij onraad was er een kruipruimte op zolder.

Kuilders collega Schoemaker werd als gevolg van mishandelingen als invalide uit Kamp Amersfoort ontslagen. Hij keerde terug naar Warffum, waar hij zich het laatste jaar van de oorlog moeizaam met krukken voortbewoog. Op de dag van de bevrijding gooide hij zijn krukken weg en danste hij uitbundig door de straten. Hij bleek zijn invaliditeit voor de Duitsers te hebben gesimuleerd.

Erik de Graaf

zaterdag 4 mei 2013

Kleerhanger uit Auschwitz terug in Warffum

Lydia en Thijs uit Amersfoort verzamelen houten kleerhangers. Of kapstokjes, zoals ze in Groningen genoemd worden. Liefst met oude teksten erop in mooie letters. Ze kopen ze op rommelmarkten en op vakanties kijken ze altijd even in de kast van hun hotelkamer. Je weet tenslotte nooit of je iets tegenkomt voor je verzameling.

Vorig jaar waren Lydia en Thijs in Oświęcim, de Poolse naam voor Auschwitz. Om de volgende ochtend vroeg het voormalige concentratiekamp te bezoeken namen ze een kamer in een hotel op 200 meter van de ingang. Gewoontegetrouw trok Thijs direct na binnenkomst in de hotelkamer de kastdeur open. Wat hij vond was een oude houten kleerhanger met de tekst:

A. MEDENDORP – MAATKLEEDING – WARFFUM.

“Warffum”, zei Thijs tegen Lydia. “Nederlands. Van vóór de oorlog. Hoe komt dat in Auschwitz terecht?” De vraag alleen al deed hen de rillingen over de rug lopen. 
Een paar weken later schreef Lydia mij een mailtje met de vraag of ik hier meer over kon vertellen. Toen ik het verhaal las voelde ik dezelfde rillingen. Een kapstokje van Medendorp uit Warffum in Auschwitz.

Albertus Medendorp was vanaf 1912 kleermaker aan de Torenweg 9. Hij maakte “maatkleeding”, met dubbel EE. Na de oorlog duurde dat niet lang meer. Rond 1950 stopten veel kleermakers door het oprukken van de confectie-industrie. Zijn zoon Klaas werd nog wel kleermaker, maar dan in loondienst in de stad.

Maar hoe kwam de kleerhanger van Medendorp in Auschwitz terecht?

Meegenomen door een joodse dorpsgenoot om de kleding netjes op te hangen? Het klinkt vreemd, maar in het museum in Auschwitz liggen stapels voorwerpen die mensen meenamen naar het kamp: brillen, scheerkwasten, schoensmeer. Spullen waarvan ze dachten, of hoopten, dat ze ze nodig zouden hebben. Waarom dan geen kleerhanger? Dan kon je je kleding tenminste netjes houden.
 
Op de begraafplaats in Warffum staat een monument voor tweeëntwintig joodse dorpsgenoten, die in 1942 door de Duitsers werden weggevoerd en niet terugkeerden. Achttien van hen werden in Auschwitz vermoord, twee in Sobibor, ééntje in Mauthausen, terwijl een jongetje van negen maanden in Westerbork overleed. Vier gezinnen. Allemaal kenden ze kleermaker Medendorp uit het dorp. Sommigen bestelden waarschijnlijk hun pakken bij hem. Anderen kenden hem van verenigingen of gewoon als dorpsgenoot van de straat. 
 
Wie van de achttien kan het kapstokje hebben meegenomen naar Auschwitz? We zullen het nooit met zekerheid weten, we kunnen alleen maar vermoeden.

1.
Schuin tegenover kleermaker Medendorp woonde Jezaija van der Hal met zijn vrouw Bertha en hun twee kinderen. Samen met zijn broer Hartog had Jezaija een slagerij aan de Torenweg. Op de plek, waar nu de sportschool is. De Van der Hals werden op een avond in september 1942 onverwachts van huis opgehaald. Via Westerbork kwamen ze in Auschwitz, waar ze in oktober werden vergast. Zouden zij het kleerhangertje voor de reis naar het onbekende hebben ingepakt? Het is de vraag of ze tijd hadden om spullen te pakken.

2.
Voor hun neef Sallie van der Hal uit de Oosterstraat lag dat anders. Sallie had van tevoren een oproep gekregen om zich bij het station te melden voor vertrek naar Westerbork. Vandaar werd hij naar Auschwitz gebracht, waar hij in augustus 1942 werd vermoord. Drie dagen voor zijn dood was Sallie vader geworden van Victor. Dat heeft hij nooit geweten.
In november 1942 moesten ook Sallies vrouw Selma en hun drie kinderen naar Westerbork. Daar overleed de kleine Victor op 31 mei 1943. Anderhalve maand later kwamen Selma en haar kinderen Roza en Comprecht in Auschwitz aan. Dezelfde dag werden ze vergast.

3.
Dan was er nog de veehandelaar Noach Benninga, die ook aan de Torenweg woonde. Benninga werd in 1942 gearresteerd, omdat hij in strijd met de Duitse voorschriften handel zou hebben gedreven. In oktober 1942 werd op de Torenweg het bericht bezorgd dat hij op de vlucht uit het concentratiekamp Mauthausen was doodgeschoten. Zijn vrouw en kinderen hebben dat bericht nooit gelezen. Ze waren een maand eerder in Auschwitz om het leven gebracht.

4.
Het vierde Warffumer gezin dat in Auschwitz terechtkwam was dat van Benjamin Broekema. Broekema was slager, schrijver en vooral dorpsmens. Hij schreef een streekroman, korte verhalen, toneelstukken in het Gronings en honderden columns in het dagblad Het Volk. Broekema was een arme sloeber, die waarschijnlijk niet snel een maatpak kocht. Maar hij zat wel samen met Klaas Medendorp in de muziekvereniging Euphonia. Benjamin vertrok in juli 1942 naar Westerbork, samen met Sallie van der Hal, nadat hij daarvoor een oproep had ontvangen. Hij had kunnen onderduiken, maar uit angst voor gevolgen voor zijn gezin meldde hij zich toch voor vertrek bij het station.

Met of zonder kleerhanger? Niemand kan het meer vertellen.

Op 17 augustus 1942 werd Benjamin Broekema in Auschwitz vermoord. Een paar maanden later waren zijn moeder, zijn vrouw en zijn twee dochters aan de beurt. Voordat zij naar Westerbork vertrokken naaiden buurvrouw Kuilder en Klaas Medendorp van de overgordijnen en een tafelkleed lange broeken en capuchons voor de kinderen. Het werd tenslotte snel winter. Van de stof die overbleef maakte Medendorp rugzakjes voor onderweg. Misschien ging er ook nog een kapstokje mee. We weten het niet. Op 19 november vonden ze de dood in de gaskamers van Auschwitz.

Achttien joodse Warffumers werden naar Auschwitz gedeporteerd en kwamen niet meer terug. Waarschijnlijk nam één van hen het kapstokje mee. Daar is het ongetwijfeld op de grote hoop gekomen tussen de brillen, de scheerkwasten en de schoensmeer. Waarschijnlijk heeft iemand uit de buurt het naar huis meegenomen. De armoede was daar enorm. Hoe het kapstokje uiteindelijk in het hotel bij de ingang van het herinneringscentrum terecht is gekomen zullen we nooit weten. Bijzonder is vooral dat het nu is teruggevonden. Getekend door de tijd. Gehavend, want het onderste stokje, waarover een broek kon hangen, ontbreekt. 
 
Vandaag brengen Lydia en Thijs Edelkoort het kapstokje na zeventig jaar weer terug naar Warffum, waar het een plekje krijgt in de joodse slagerij Huis Markus  in Openluchtmuseum het Hoogeland.

Erik de Graaf 
 
PS: Vanavond is op twee plaatsen gesproken over een vooroorlogse kleerhanger uit Warffum, die vorig jaar werd gevonden in een hotelkamer in Auschwitz.  Pauline Broekema noemde de kleerhanger op de herdenking in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Ikzelf vertelde erover op een herdenkingsbijeenkomst in de Hervormde kerk in Warffum. Vorig jaar schreef ik er al eens over.

donderdag 14 maart 2013

Panzerschokolade

Drugs en oorlog zijn nauw met elkaar verbonden. In de Eerste Wereldoorlog maakte de cocaïne moedige strijders van bange soldaten. In de Tweede Wereldoorlog werden Duitse piloten opgepept met pilotenchocola, Fliegerschokolade. De infanterie kreeg Panzerschokolade. De tegenstanders gebruikten het ook, maar noemden het anders.

De Duitse fotograaf Hein Gorny raakte ook verslaafd, hoewel hij door zijn huwelijk met zijn joodse vrouw Ruth, de dochter van de cultuurfilosoof Theodor Lessing, helemaal niet in de Wehrmacht mocht dienen. Dat lijkt mij een voordeel, maar gemakkelijk werd het leven hem verder niet gemaakt. In 1938 gaven de nazi’s hem het advies van zijn Ruth te scheiden, als hij tenminste als fotograaf wilde blijven werken. Hij weigerde.

Een vlucht naar de Verenigde Staten mislukte, omdat zijn vrouw geen Amerikaanse verblijfsvergunning kreeg. Er bleef niets over dan in Duitsland te blijven. Hij leefde van portretten en dierenfoto’s, want officiële opdrachten hoefde hij als fotograaf niet meer te verwachten. Niet van de overheid en niet van het bedrijfsleven. Hein Gorny leefde en werkte onder grote druk, dag en nacht. Het pepmiddel methamfetamine hield hem op de been.
 
 
Hij kreeg het van bevriende militairen. In de Wehrmacht werden de soldaten wakker gehouden aan het front met Panzerschokolade. Piloten van de Luftwaffe kregen hetals Fliegerschokolade mee op lange vliegtochten om Engeland te bombarderen. Het dempte de angst, verdreef de vermoeidheid en verhoogde het concentratievermogen. In de “topmaanden” april tot juni 1940 werden er 35 miljoen tabletten weggeslikt.

Hein Gorny raakte al in de oorlogsjaren verslaafd. Die verslaving nam hij mee naar de naoorlogse tijd. Zijn huwelijk met Ruth strandde twee keer. Voor het eerst in 1944, maar definitief in 1946. Prachtige fotoprojecten smoorden in de kiem. Van 1954 tot aan zijn dood in 1967 leefde hij vaak in ontwenningsklinieken.

Erik de Graaf

PS: een kijkje op de indrukwekkende luchtfoto’s, die Hein Gorny in de winter van 1945-1946 van Berlijn maakte.

zaterdag 27 oktober 2012

Veertig gestolen minuten

Vannacht gaat de klok weer van zomer- naar wintertijd. Elke keer gaat het uurtje voor- of achteruit gepaard met felle discussies. Hebben we nu een uurtje extra of juist niet? U kent het wel. Maar ook jaarlijks wordt door de deskundigen gesteggeld over de vraag of dit nu goed is voor ons bioritme of dat het allemaal niet zoveel uitmaakt.
 
Mijn ome Jan uit Drenthe, die zijn leven lang glastuinder in het Westland was, maakte er altijd ook nog een politiek-historische kwestie van. Twee keer per jaar herinnerde hij de familie bij het voor- of achteruitzetten van de klok aan de veertig door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog gestolen minuten, die later nooit zijn teruggegeven. Zijn fiets was nog daar aan toe, daar kon je een nieuwe voor kopen. Maar die veertig minuten waren voorgoed verloren gegaan.
 
Tot 16 mei 1940 kende Nederland de Amsterdamse tijd, die voorliep op de West-Europese tijd, maar achter op de Midden-Europese. Dat was best lastig, want nu, op zaterdagavond om tien uur, was het in Londen tien over half tien en in Keulen en Berlijn tien over half elf.
 
Nog geen week na de Duitse bezetting voerden de Duitsers per decreet op 16 mei 1940 de zomertijd in. Al voor de oorlog was het vooruitzetten van de klok in het Staatsblad voor 19 mei aangekondigd, maar dat moment werd door de Duitsers haastig drie dagen vervroegd. In Duitsland was de zomertijd namelijk al per 1 april ingegaan. 
 
Daarnaast gelastten de Duitsers ook onmiddellijk af te stappen van de Amsterdamse tijd en over te stappen op de Midden-Europese. De klokken gingen op 16 mei 1940 dus een uur en veertig minuten vooruit, zoals ook in De Telegraaf werd aangekondigd. Vreemdgenoeg werd de klok pas in november 1942 een uur teruggezet, waardoor Nederland tweeëneenhalf jaar achterelkaar in zomertijd leefde.
 
In feite was het dus de tijd, waarmee de nazi’s de Gleichschaltung in het bezette Nederland begonnen. Later pasten de Duitsers de kranten, de politieke partijen, de cultuur en het hele maatschappelijke leven in Nederland aan de nationaalsocialistische norm aan. 
 
Na de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland dertig jaar niet meegedaan aan de zomertijd. Maar de veertig minuten zijn voor altijd verloren gegaan. Mijn ome Jan heeft dat nooit kunnen verkroppen. Het kan best zijn laatste gesputter hebben kunnen zijn.
 
Erik de Graaf

vrijdag 26 oktober 2012

Fotograaf boven Berlijn: winter 1945-1946


Winter 1945-1946. Het zwaar gebombardeerde Berlijn, gefotografeerd vanuit de lucht door de Duitse fotograaf Hein Gorny. Illegaal. Geen Duitser mocht de stad zo zien van de geallieerden. Pas vijfenzestig jaar later, in 2011, kwamen de indrukwekkende foto’s aan het licht...

Lees verder op: Denk ik aan Duitsland...

Erik de Graaf


De foto's zijn in Berlijn te zien in de Collection Regard en op Graafwerk...foto's

woensdag 24 oktober 2012

Monument voor Roma en Sinti

Eindelijk is het ervan gekomen. Vanochtend is in Berlijn het herinneringsmonument onthuld voor de Sinti en Roma. Op een steenworp afstand van de Rijksdag waren de hoogste bekleders van Duitse waardigheid aanwezig om kritiek op het lange uitblijven te smoren. Overtuigend gaan ze niet door één deur, maar vandaag waren bondspresident Joachim Gauck en bondskanselier Angela Merkel samen present.

Ongeveer een half miljoen Sinti en Roma, de officiële naam voor wat door de volksmond zigeuners worden genoemd, werden tussen 1933 en 1945 op gruwelijke wijze door de nazi’s vermoord. Tientallen jaren duurde het voordat er Duitse belangstelling, laat staan erkenning kwam voor hun lot. Pas in 1982 kregen ze die van West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt. Tien jaar later, na de hereniging van de twee Duitslanden, vond de regering-Kohl dat er één herinneringsmonument voor alle slachtoffers van het naziregime moest komen. 

Lees verder op: Denkend aan Duitsland...

donderdag 19 juli 2012

Kleerhanger in Auschwitz


De een spaart postzegels, de ander voetbalplaatjes. Lydia en Thijs uit Amersfoort verzamelen sinds jaar en dag oude, houten kleerhangers. Knaapjes of nepschouders. Liefst met oude teksten erop  in mooie letters. Ze kopen ze op rommelmarkten. Meestal voor een habbekrats, soms krijgen ze ze gratis mee. Op vakanties kijken ze altijd even in de kasten van hun hotelkamer. Je weet nooit wat voor moois je tegenkomt voor je verzameling.

In mei waren Lydia en Thijs op vakantie in Polen. Hun historische belangstelling bracht hen ook naar Oświęcim, de Poolse naam voor Auschwitz. Om de volgende ochtend vroeg het voormalige concentratiekamp te bezoeken namen ze een kamer in hotel Olecki, op 200 meter van de ingang van Museum Auschwitz. Gewoontegetrouw trok Thijs direct na binnenkomst in de hotelkamer de kastdeur open. Wat hij vond was een oude houten kleerhanger met tekst: A. MEDENDORP – MAATKLEEDING – WARFFUM. “Warffum”, zei hij tegen Lydia. “Nederlands, van vóór de oorlog. Hoe komt dat in Oświęcim terecht?” De vraag stellen is hem beantwoorden. De rillingen liepen hen over de rug.

In juni ontving ik een mailtje met de vraag of ik hier meer over kon zeggen. Toen ik het verhaal las voelde ik dezelfde rillingen als Lydia en Thijs. Een kleerhanger uit Warffum in Auschwitz. De herkomst van het knaapje was snel verklaard. Albertus Medendorp was vanaf 1912 kleermaker aan de Torenweg 9 in Warffum. Hij maakte maatkleding met dubbel ee en adverteerde in plaatselijke en regionale kranten. Na de oorlog duurde dat niet lang meer. Rond 1950 kwam de klad in het bestaan van de dorpskleermaker door het oprukken van de confectie-industrie. Zoon Klaas koos nog wel voor hetzelfde vak als zijn vader, maar dan in loondienst in Groningen.

Maar hoe kwam de hanger in Auschwitz terecht? Meegenomen door een joodse dorpsgenoot? In het museum in Auschwitz liggen stapels koffers, waarin mensen hun bezittingen meenamen. Hele stapels brillen, scheerkwasten en schoensmeer. Waarom zou daar geen kleerhanger tussen passen? De gedeporteerde joden hadden tenslotte geen idee wat hen in het oosten te wachten stond.


Op de begraafplaats in Warffum staat een monument voor tweeëntwintig joodse dorpsgenoten, die in 1942 werden weggevoerd en niet terugkeerden. Achttien van hen werden in Auschwitz vermoord, twee in Sobibor, een in Mauthausen, terwijl de negen maanden oude Victor van der Hal in mei 1943 in Westerbork stierf. Vier gezinnen met kinderen, hun grootouders en een vrijgezelle oom. Allemaal kenden ze kleermaker Medendorp uit het dorp. Sommigen bestelden waarschijnlijk zelfs hun pakken bij hem.

Een van de vier gezinnen was dat van Benjamin Broekema (geboren in 1904). Broekema was slager, schrijver en socialist. Hij schreef een streekroman, tientallen korte verhalen, ruim veertig toneelstukken in het Gronings en honderden columns in het socialistische dagblad Het Volk. Benjamin Broekema was een arme sloeber, die waarschijnlijk niet snel een maatpak kocht. Maar hij zat wel samen met Klaas Medendorp in de fanfare Euphonia. Dat heeft Pauline Broekema (geen familie) mooi beschreven in Benjamin. Een verzwegen dood (2001). Benjamin vertrok in 1942 naar Westerbork, nadat hij daarvoor een oproep had ontvangen. Boer Harrenstein uit Warffum had hem nog gezegd dat hij beter kon onderduiken, maar uit angst voor de gevolgen voor zijn gezin meldde hij zich toch in het Durchgangslager. Met of zonder kleerhanger? Niemand kan het meer vertellen. Op 15 juli 1942 zat Benjamin Broekema in de eerste trein, die vanuit Westerbork naar Auschwitz vertrok. Daar werd hij op 17 augustus vermoord. Drie maanden later waren zijn moeder Reina, zijn vrouw Sara en zijn dochters Reina (6) en Rachelina (3) aan de beurt.


Of was het een Van der Hal, die het hangertje voor de reis naar het onbekende inpakte? Wie zal het zeggen? De broers Jezaija en Hartog van der Hal hadden een slagerij in de Torenweg 2 en 4, schuin tegenover de Medendorps. Ze werden zoals alle joden in 1942 uit Warffum weggevoerd. Eerst naar Westerbork. Vandaar verder naar Auschwitz, waar ze allebei, tegelijk met de vrouw en de kinderen van Jezaija (Hartog was vrijgezel) op 12 oktober werden vergast.

Hun neef Salomon van der Hal, Salli,  was al op 16 juli 1942 met de tweede trein naar Auschwitz gebracht. Op 18 augustus 1942 werd hij vermoord. Drie dagen eerder was hij vader geworden van zijn zoon Victor, die in de Oosterstraat in Warffum in zijn afwezigheid werd geboren. In november 1942 moesten ook moeder Selma en haar drie kinderen naar Westerbork. Daar overleed Victor op 31 mei 1943. Anderhalve maand later kwamen Selma en haar kinderen Roza (9) en Comprecht (3) in Auschwitz aan. Na aankomst werden ze onmiddellijk vergast.
Het vierde gezin was dat van de veehandelaar Noach Benninga, die in 1936 een huis liet bouwen bij de kerk aan de Torenweg 13a. Op een steenworp afstand dus van kleermaker Medendorp. Benninga werd in 1942 gearresteerd, omdat hij in strijd met de Duitse voorschriften handel dreef. In oktober 1942 werd op de Torenweg in Warffum het bericht bezorgd dat hij op de vlucht uit het concentratiekamp Mauthausen was doodgeschoten. Zijn vrouw en twee kinderen van zestien en tien hebben het bericht nooit gelezen. Ze waren al in Auschwitz gedood.
Waarschijnlijk heeft een van de achttien joodse Warffummers de kleerhanger in de koffer mee naar Auschwitz genomen. Daar is het ongetwijfeld op de grote hoop geraakt tussen de brillen, de scheerkwasten en de schoensmeer. Een Pool heeft het meegenomen en hergebruikt. Hoe het knaapje uiteindelijk in hotel Olecki terecht is gekomen zullen we nooit weten. Hoofdzaak is dat het nu is teruggevonden door twee verzamelaars uit Amersfoort. De cirkel zou rond zijn als het binnenkort weer in Warffum zou hangen. Bijvoorbeeld in het huis van Benjamin Broekema of in dat van de joodse slager Markus in het openluchtmuseum in Warffum.
Erik de Graaf 
(met dank aan Lydia Edelkoort uit Amersfoort)

maandag 14 februari 2011

Den Verduistering: maak het donker in het donker


Geen straatverlichting en geen felle koplampen op de schaarse auto’s. Zelfs fietsen mochten slechts een flauw, afgeschermd licht voeren. Burgers waren verplicht hun ramen af te schermen, zodat de dorpen en steden geen schietschijf voor de vijand werden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gold de verduisteringsplicht, die werd gehandhaafd door de Luchtbeschermingsdienst. De kranten hielpen de burgers eraan te herinneren door niet alleen de tijden voor de zonsondergang en de zonsopgang op de voorpagina te vermelden, maar ook de verduisteringstijden. “De zon gaat heden onder om 18.50 en komt morgen op om 8.57”, vermeldde het Nieuwsblad van het Noorden van 14 februari 1941, vandaag zeventig jaar geleden. Voor de verduistering golden dezelfde tijden.



De verduisteringsmaatregelen werden over het algemeen goed nageleefd, al was het maar uit eigen veiligheid. Toch werden ze ook wel eens op de hak genomen in cabaretliedjes, zoals van het duo Johnny & Jones, dat in 1938 al eens een hit had met Mijnheer Dinges weet niet wat swing is. Tijdens de bezetting mocht het joodse duo aanvankelijk alleen voor joods publiek spelen. Op hun repertoire stond vanaf 1940 ook Maak het donker in het donker over de verduistering en de luchtbescherming (zie filmpje Blackout in Amsterdam, 1943).

Vanaf 1941 mochten Johnny & Jones helemaal niet meer optreden. Twee jaar later werden ze naar het doorgangskamp Westerbork gebracht, vanwaar ze in september 1944 met een van de laatste transporten naar de concentratiekampen in het oosten van Europa werden gebracht. Nol “Johnny” van Wesel en Max “Jones” Kannewasser stierven van uitputting in de laatste oorlogsdagen.

Erik de Graaf

zondag 31 oktober 2010

Harry Mulisch en de geest van de tijd

Het is mijn overtuiging, dat de tweede wereldoorlog tot het einde der tijden een oriëntatiepunt zal blijven, - en in elk geval is dat te hopen”, schreef Harry Mulisch in 1972 in De toekomst van gisteren.

Of Mulisch gelijk zal krijgen is inmiddels zeer de vraag, maar in zijn eigen oeuvre vormt de Tweede Wereldoorlog de rode draad. Vanuit 1972 gezien zowel gisteren als in de toekomst. Met fantastische werken die in het collectieve geheugen gegrift staan. Niet eens doordat ze nog zo gelezen worden, maar mede doordat ze vaak richting gaven aan de maatschappelijke discussie over de Tweede Wereldoorlog.

In 1959 relativeerde Mulisch met Het stenen bruidsbed het beeld van heldhaftigheid van het Nederlandse volk tijdens de bezetting (overigens kort na W.F. Hermans’ De donkere kamer van Damocles in 1958). Enkele jaren later volgde Mulisch als journalist het proces Eichmann in Jeruzalem. Zijn beschrijving van het proces in De Zaak 40/61 (1962) katalyseerde de terugkerende belangstelling voor de oorlog aan het begin van de jaren zestig in Nederland. De aanklacht van aanklager Gideon Hausner tegen Eichmann was een eindeloze opsomming van nazi-misdaden, stelde Mulisch vast, die suggereerde dat alleen Eichmann daarvoor verantwoordelijk was. “Maar tegelijk ontlast deze procedure de andere nazi’s op een volstrekt ongeoorloofde manier. Ik ben ervan overtuigd dat Hausners aanpak in Duitsland grote tevredenheid wekt”.

Opvallend is dat Harry Mulisch de Tweede Wereldoorlog een halve eeuw lang beschreef, maar steeds vanuit de geest van de tijd. Halverwege de jaren zestig werd de Tweede Wereldoorlog voor Mulisch, net als voor de wat jongere generatie van Provo, een soort wapen in de strijd tegen de oorlogsgeneratie. In Bericht aan de rattenkoning (1966) beschreef hij Provo als een verbinding “tussen zaken als Claus en Klaas, republiek en Gnot, anarchisme en Image, atoombom en Hoempapa” (p. 71). De aanslag uit 1982 trekt de lijn van de Tweede Wereldoorlog door naar de angsten in de Koude Oorlog en Siegfried (2001) is de afsluiting van Mulisch’ oorlogsoeuvre in een periode dat de wereld de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog voor een ander religieus conflict verruilde.

Ik ben de Tweede Wereldoorlog” is een steeds terugkerend citaat van Mulisch. In die zin is de Tweede Wereldoorlog gisteren ook overleden. Maar zoals we Mulisch’ werk nog wel een poosje zullen herlezen zullen we ook nog vaak terugdenken aan de donkere jaren '40-'45.

Erik de Graaf

zaterdag 8 mei 2010

Deserteren: jezelf de woestijn insturen


Alfred Andersch werd in 1933 tweemaal door de nazi’s gearresteerd. De eerste keer zat hij vier maanden gevangen in het concentratiekamp Dachau. De tweede keer liep het met een sisser af, omdat hij een alibi goed had voorbereid. Maar twee keer binnen een jaar was “te veel van het goede” voor Andersch. Hij besloot zijn activiteiten voor de communistische jeugdbond op een laag pitje te zetten. “Ik antwoordde op de totalitaire staat met totale introversie”, schreef hij in 1952 in Kirschen der Freiheit (Kersen van de vrijheid).

Aan de Wehrmacht ontkwam Andersch echter niet. Vanaf 1940 diende hij als dienstplichtig soldaat in Frankrijk, Denemarken en Italië, waar hij zijn “totale introversie” in feite voortzette. Hij baalde van zijn collega’s, “omdat hij van zijn kameraden hield, die door hen waren gedood” (hij bedoelde zijn communistische kameraden) en zocht voortdurend (maar meestal tevergeefs) de afzondering binnen de troepen. Regelmatig had hij de gedachte om te deserteren verdrongen, maar in het voorjaar van 1944 zag hij geen andere mogelijkheid meer.

Op 6 juni 1944 verliet hij zijn legeronderdeel op een fiets. Hij deserteerde, "stuurde zichzelf de woestijn (the desert) in", zoals hij het in Kirschen der Freiheit noemde. Voor Andersch was de woestijn een prachtig Italiaans landschap. Eerst verborg hij zich een poosje in een Italiaans bos. Hij vond er een wilde kersenboom, laafde zich aan de kersen. Het waren kersen van de vrijheid.

Voor Andersch was de desertie van 6 juni zijn “ganz kleiner privater 20. Juli”, een verwijzing naar de dag van de mislukte aanslag van Stauffenberg op Hitler in de zomer 1944. Na een een poosje goed kersen te hebben gegeten liep Andersch over naar de Amerikanen. Tot aan het einde van de oorlog was hij krijgsgevangene in Louisiana en Rhode Island in de Verenigde Staten. Na 1945 leefde hij als schrijver in West-Duitsland en Zwitserland.

Erik de Graaf

Vorige jaar schreef ik al eens eerder over Duitse deserteurs

vrijdag 30 april 2010

Veldwachter Kuilder


Warffum was in de Tweede Wereldoorlog een dorp als alle Nederlandse dorpen. Er waren goede en foute Warffumers en alle gradaties daartussenin. Tot de goede Warffumers behoorden de rijksveldwachters Gerrit Kuilder en Paul Schoemaker. Ze weigerden mee te werken aan de deportatie van hun joodse dorpsgenoten. Kuilder was in de Oosterstraat buurman van het joodse gezin van Benjamin Broekema, dat in 1942 via Westerbork naar Auschwitz werd getransporteerd. Daar werd de familie Broekema vergast.

Kuilder en Schoemaker werden in 1943 voor hun “ongehoorzaamheid” opgepakt. Na een poosje in Ommen te hebben vastgezeten werden ze overgebracht naar Kamp Amersfoort. Kuilder kwam er aan op 12 oktober 1943. Bijna een half jaar later, op 16 maart 1944, maakte medegevangene Kornelis Mulder een potloodtekening van Kuilder in zijn kampkledij. Kort daarop ontsnapte Kuilder uit de trein die hem naar Duitsland moest brengen. Het laatste jaar tot de bevrijding was hij ondergedoken op het Groningse Hogeland, grotendeels bij zijn gezin thuis in Warffum. Bij onraad was er een kruipruimte op zolder.

Kuilders collega Schoemaker werd als gevolg van mishandelingen als invalide uit Kamp Amersfoort ontslagen. Hij keerde terug naar Warffum, waar hij zich het laatste jaar van de oorlog moeizaam met krukken voortbewoog. Op de dag van de bevrijding gooide hij zijn krukken weg en danste hij uitbundig door de straten. Hij bleek zijn invaliditeit voor de Duitsers te hebben gesimuleerd.

Erik de Graaf

zaterdag 24 april 2010

Bevrijdingsfeest Warffum


Op 20 april 1945 werd Warffum bevrijd door Canadezen. Vandaag bruiste het in de straten van het dorp. Muziek, toneel en dans en een gezamenlijke dorpsmaaltijd bij de Chinees.

Zelf was ik druk in de weer met de historische eendagsexpositie in de oude gymzaal in het huidige openluchtmuseum Het Hoogeland. Tot kort voor aanvang was ik met "compagnon" Heleen Abelsma in de weer om alles goed te hangen. Tijdens de officiële opening door Koos Knol van de historische kring was het al woestdruk. Daarna hield Pauline Broekema een boeiende lezing over het slot van de oorlog in Warffum.

Tijdens de expositie werd aandacht besteed aan enkele gebouwen, die in de Tweede Wereldoorlog een rol hebben gespeeld. Van de Villa Welt, waar de Duitsers zich vestigden, tot aan Vriesenstein, waar het Warffumer verzet samenkwam.

De publieke belangstelling was uitstekend, de reacties over het algemeen lovend. Een foto-impressie.

Erik de Graaf

dinsdag 20 april 2010

"Hitler en zijn trawanten regeeren ons"


Het gezin van meester Hummelen, onderwijzer op de lagere school met de bijbel in Warffum, had regelmatig onderduikers in huis. Meestal mannen, die aan de arbeidsdienst in Duitsland wilden ontkomen.

Ruim 35 jaar na de bevrijding werd bij een verbouwing in de keuken van het huis aan de Oosterstraat een boodschap teruggevonden in een alkoof:

“Klaas en Jan Arie Smit. Oorlogsjaar 1944. Maart. Hoe lang nog. Hitler en zijn trawanten regeeren ons”.

Lange tijd werd de tekst beschouwd als levensteken van onderduikers, die zich bij onraad, via een luikje in de bijkeuken, verscholen in de dichtgetimmerde alkoof. Klaas en Jan Smit waren echter geen onderduikers. Klaas Smit was een plaatselijke timmerman uit de Noorderstraat in Warffum. Hij werkte vaak samen met zijn broer Jan. Vermoedelijk verbouwde timmerman Smit in maart 1944 de keuken van Hummelen. Bij die verbouwing werd onder andere de alkoof weggewerkt. Bedoeld of onbedoeld ontstond daardoor de mogelijkheid voor onderduikers om zich in die alkoof te verstoppen.

De tekst in de alkoof werd zeer waarschijnlijk door timmerman Smit geschreven met een dik timmermanspotlood. Timmerlui laten wel vaker zulke sporen na. Met deze “handtekening” hebben ze generaties bewoners van het huis op het verkeerde been gezet.

Smits vraag "hoe lang nog" (zonder vraagteken) kreeg ruim een jaar later een antwoord. Op 20 april 1945, vandaag 65 jaar geleden, werd Warffum bevrijd. Aanstaande zaterdag viert het dorp feest: de oorlog is met pensioen.

Erik de Graaf

woensdag 14 april 2010

BEFREIUNG


“In de opofferingsvolle, heroïsche stijd versloegen de volkeren van de Sovjetunie het Duitse fascisme. Daaraan hadden ook tienduizenden sovjetische verzetstrijders een bijzonder aandeel”.

De eerste keer dat ik de DDR bezocht was ooit op een studiereis. Berlijn (Hauptstadt der DDR), Dessau (van Bauhaus), Weimar en Leipzig. Vanuit Weimar maakten we een excursie naar Buchenwald. Het was indrukwekkend om over het terrein van het voormalige concentratiekamp te lopen. Rillingen over mijn rug, zoals ik dat later nog vaker ervoer. De permanente tentoonstelling met veel nadruk op de misdadige rol van de grote Duitse bedrijven in het Derde Rijk was verhelderend en bood veel (vaak wat eenzijdige) informatie die in het westen niet graag gehoord werd. Ik was blij met die aanvulling, maar teleurgesteld dat ze naadloos overging in de staatspropaganda over de DDR als antifascistische staat.

De DDR als antifascistische staat. Ik wilde het graag geloven, maar iedere keer dat een kritische vraag over het reëel bestaande socialisme in de DDR werd afgedaan met een verwijzing naar de verschrikkingen onder het nazisme groeide mijn wantrouwen. Dat kon toch niet de bestaansgrond, de enige rechtvaardiging voor het bestaan van de DDR zijn?

In Leipzig kocht ik een mapje met houtsneden van ene professor W. Dozenko, een voormalig gevangene uit Sachsenhausen. Erinnert euch, Menschen, heette het mapje. Een begeleidend briefje was erg eenzijdig over het eind van de oorlog (zie citaat hierboven). Toch vond ik de houtsneden altijd indrukwekkend. Een over de bevrijding van het concentratiekamp Sachsenhausen op 22 april 1945 heeft jaren op mijn kamer gehangen.

Erik de Graaf