woensdag 17 november 2010

Essent en Nuon tonen hun ware gezicht...


NUON heeft Niemand ingeschakeld om de indruk te wekken dat ze groen bezig is, maar houdt achter dat ze een vieze kolencentrale bouwt aan de Waddenzee. ESSENT neemt miljoenen mensen in de maling met kletspraatjes over groene stroom, terwijl ze onder de vlag van RWE nu een nog smeriger kolencentrale bouwt naast die van NUON.

En als je iets over de misleidende reclame zegt worden NUON en ESSENT boos. GREENPEACE heeft een deel van de “duurzame reclamepraatjes” van NUON en ESSENT overgenomen voor een tegenoffensief, waardoor de ware aard van die energiereuzen zichtbaar wordt. Niemand, die van NUON welteverstaan, doet wel alsof hij aan het milieu denkt, maar in werkelijkheid is hij een smeerkees. En ESSENT verontreinigt het milieu aan de Waddenzee. En het klimaat erbij.

NUON eist dat GREENPEACE haar spotjes van radio en tv terugtrekt. Niemand is het daarmee eens. Dat wil zeggen de Niemand van NUON, want verder zou IEDEREEN ze moeten zien om vervolgens een andere energieleverancier te kiezen. Die van IEDEREEN dus, want wie wil er nog met Niemand in zee? Niemand toch?

Erik de Graaf

dinsdag 16 november 2010

Vredesverdrag 1983

Op 16 november 1983 ging ik definitief in de buitenlandse politiek (jaja!). Op een zolderkamer in Erfurt in de DDR ondertekende ik die dag een niet-aanvalsverdrag met mijn vriend Knopf, die ik een paar dagen eerder tijdens een vredesbijeenkomst in een kerk in Erfurt had leren kennen.

Friedensvertrag schreven we boven het A4-tje, waaronder later nog de foto van het historische moment werd geplakt. Knopf (het is zijn Spitzname) beloofde plechtig nooit een wapen op Erik Holland te richten. Ikzelf ondertekende mijn belofte dat nooit op Knopf DDR te doen.

Het was allemaal uiterst symbolisch. Ik had (en heb) nog nooit een wapen op iemand gericht (ik heb sowieso nog nooit een wapen gericht), maar het was Koude Oorlog en met deze “vijand” bleek ik het prima te kunnen vinden. Nog steeds. Zojuist hebben we elkaar lachend verklaard dat de afspraak nog steeds geldt.

Erik de Graaf

zondag 14 november 2010

Nikolaus Lenau in 1832 bij Lobith door vioolmuziek gered


In juli 1832 kwam Nikolaus Lenau (1802-1850) bij Lobith ons land binnen. De reis per boot over de Rijn van Heidelberg naar Nederland was teleurstellend geweest voor de Oostenrijks-Hongaarse dichter, die genoeg had van Europa en van plan was vanaf Amsterdam naar de Verenigde Staten verder te reizen. Het schip was log en traag, wat behoorlijke vertraging tot gevolg had. Bovendien was de slaapgelegenheid slecht en het voedsel abominabel.

Bij Lobith deed zich een bijzonder incident voor, dat bijna een eind maakte aan Lenaus reis naar Amerika. Door de grote vertraging van het schip waren zijn reisdocumenten verlopen. Lenau mocht zijn reis niet vervolgen. De burgemeester van Lobith dreigde hem terug naar Duitsland te sturen.

De muziek redde de dichter echter. Lenau was een begenadigd violist, die graag en veel Beethoven en Hongaarse volksmuziek speelde. Met zijn vioolklanken trok hij de aandacht van een Nederlandse grensbeambte, die “afgesneden van elke muzikale geest in zijn miserabele Hollandse gat naar mij hapte als naar een lekkernij” (door mij vertaald citaat van Lenau).

In ruil voor urenlange, afschuwelijke duetten voor viool en klarinet deed de douaneman een goed woordje bij de burgemeester van Lobith. Er werd zelfs een muzikale avond georganiseerd, waarop de burgemeester dermate onder de indruk van Lenaus vioolspel raakte dat hij zijn passage over de grens door de vingers zag.

Via Amsterdam reisde Lenau alsnog door naar Amerika. Al snel hekelde hij daar het Amerikaanse materialisme en het “eeuwige gefluister over geld” (in het Duits: Talergelispel). In een brief naar huis noemde hij Amerika de “verschweinte Staaten von Amerika”. Al in 1833 keerde hij, vermoedelijk via dezelfde weg, terug naar Europa.

Erik de Graaf

dinsdag 9 november 2010

Op het spoor in Wendland



"De beslissingen vóór kernenergie, die door weinig mensen werden genomen en voor miljoenen jaren gevolgen hebben, zijn onverantwoordelijk en aanmatigend. Dat is de reden waarom wij de protesten van de anti-kernenergiebeweging niet alleen documenteren, maar dat wij onszelf en onze foto’s als een deel van het protest beschouwen".

Het protestweekend tegen kernenergie in het Duitse Wendland is voorbij. Fotografen van in a million years, een fotoproject tegen atoomenergie, bracht de protestacties in beeld.

Erik de Graaf

maandag 8 november 2010

Vrije Republiek Wendland

Vijftigduizend mensen uit heel Duitsland waren dit weekend op de been om in Wendland te protesteren tegen kernenergie en de radioactieve gevolgen ervan. Aanleiding was het jaarlijkse Castortransport, waarmee al zo’n dertig jaar radioactief afval over spoor en weg vanuit Frankrijk naar een opslagplaats voor kernafval in het Noord-Duitse Gorleben wordt vervoerd.

Duizenden mensen blokkeerden ook dit jaar spoorrails en autowegen door middel van zitblokkades. Daarbij werden ze gesteund door boeren en burgers uit de Vrije Republiek Wendland, zoals de streek tijdens de protesten genoemd wordt. In 1984 was ik een keer aanwezig bij de acties. Met busjes van het Ökodorf in West-Berlijn reisden we door de DDR Dannenberg om aan de acties deel te nemen.

Een weekend lang heb ik verbaasd gestaan over het verzet van de bewoners van de streek tegen de dumping van radioactief afval. Het leek alsof er nauwelijks voorstanders van het zogenaamde Endlager (eng Duits woord overigens) te vinden waren in Gorleben en wijde omgeving. Boeren zetten hun trekkers pontificaal voor de transporten en een discotheekbaas deed op zaterdagavond alle lichten op zijn parkeerplaats uit, zodat de demonstranten in alle rust het spoor konden saboteren. Van een afstand, voor de buis dus, leek me die sfeer in de afgelopen dagen nog niet veranderd.

De beslissing van de regering-Merkel om een flink aantal kerncentrales in Duitsland langer open te houden kan bepaald niet op een breed draagvlak rekenen in Duitsland en heeft veel protest en verzet aangewakkerd. Hopelijk worden nieuwe kerncentraleplannen ook in Nederland niet in dank afgenomen. De eerste protesten zijn al gesignaleerd in Pieterburen.

Erik de Graaf

woensdag 3 november 2010

Josephus Jitta keurt Indonesiëweigeraars

Theo Toebosch schreef Uitverkoren zondebokken over de Nederlands-joodse familie Josephus Jitta. Op een of andere manier was ik altijd gefascineerd door de naam Josephus Jitta. Jaren geleden kwam ik hem tegen in het archief van de linkse advocaat en PSP-senator Hein van Wijk (1907-1981). Van Wijk was advocaat geweest van jonge mannen, die tussen 1946 en 1949 weigerden zich als soldaat naar de koloniale oorlog in Nederlands-Indië te laten verschepen.

Een tegenspeler van Hein van Wijk was prof. mr. A.C. Josephus Jitta (1887-1958), in die tijd voorzitter van de Commissie van Advies inzake Gewetensbezwaren tegen de Krijgsdienst. Die commissie moest toetsen of gewetensbezwaarden religieus en pacifistisch genoeg waren om als principieel dienstweigeraar erkend te worden.

In augustus en september 1947 reisde de professor naar Nederlands-Indië om een onderzoek in te stellen naar weigerachtige dienstplichtigen, die ondanks hun beroep op de dienstweigerwet in Indië waren terechtgekomen of pas daar een beroep op die wet hadden gedaan. In zijn rapportage, NIET VOOR PUBLICATIE BESTEMD, aan de minister van Oorlog schreef Josephus Jitta dat bij de troepen in Indië slechts 24 principiële dienstweigeraars bekend waren. Negentien overigen hadden bij aankomst in Indië blijkbaar gewoon zonder morren dienst genomen.

Die 24 dienstweigeraars waren door de Krijgsraad in Batavia wegens “desertie in tijd van oorlog” tot een milde celstraf van drie á vier maanden veroordeeld. Op voorwaarde dat ze na hun boetedoening hun militaire dienst in Indië zouden hervatten. Veertien van hen hadden na hun straf aan die voorwaarde voldaan. Met een aantal van hen sprak Jitta uitgebreid.

Opvallend is dat zij lijken te zijn veranderd van dienstweigeraars in toegewijde militairen. In zijn rapport bagatelliseert Josephus Jitta de bezwaren van de weigeraars. Ze waren niet principieel, vond hij, maar veroorzaakt door angst voor het vreemde buitenland of door heimwee naar ouders of verloofde. In hun angst hadden sommigen ze zich in Nederland laten voorlichten over de mogelijkheden om onder de dienstplicht uit te komen. Josephus Jitta adviseert de minister “een strafvervolging wegens opruiing tot desertie” tegen de Groningse advocaat S.K. de Waard in te stellen. De Waard zou enkele militairen hebben aangemoedigd onder te duiken, “waardoor van de hele zaak waarschijnlijk niets meer terecht zou komen”.

Van 43 weigeraars in Indië, in Nederland waren er véél meer, konden er naar de mening van Josephus Jitta uiteindelijk maar twee erkend worden. De doopsgezinde S. de Boer en een Zevendedagsadventist, J. Vennik. Van twee andere weigeraars, Bouke Planting en H.J. van der Woerd, waren de bezwaren volgens Josephus Jitta overwegend van politieke aard en daarom niet als gewetensbezwaren te erkennen.

Josephus Jitta besloot zijn rapportage met een persoonlijke opmerking: “Dat 80.000 Hollandse jongens uit alle steden en dorpen, van iedere stand en geloof, Indië leren kennen en waarderen en hun indrukken schrijven naar huis, is van niet te schatten betekenis”. Inmiddels wordt toch wel iets anders tegen die episode aangekeken.

Erik de Graaf